Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:3227
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,417 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 text/xml public 2026-04-28T14:00:30 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-20 BRE 25/5142 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 text/html public 2026-04-23T09:31:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-04-2026 / BRE 25/5142 Parkeerheffing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/1620 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 december 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Feiten 2. Op 30 augustus 2024 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd voor het op 21 augustus 2024 parkeren op het Chasséveld te Breda met de auto met [kenteken] . 2.1. Op 10 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangen. 2.2. Op 22 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak is op 23 december 2024 per e-mail aan belanghebbende toegezonden. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het beroep ontvankelijk is. 4. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat het beroep te laat is ingediend . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 5. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 5.1. Vaststaat dat de uitspraak op bezwaar op 23 december 2024 per e-mail aan belanghebbende is verzonden. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 17 maart 2023. Daarmee is het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. 5.2. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt waarom het beroepschrift te laat is ingediend en geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk. 5.3. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar te laat zou zijn genomen. Voor gemeentelijke belastingen, waaronder parkeerbelastingen, geldt echter een afwijkende regeling op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan dient een bezwaarschrift (dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar) te worden afgehandeld binnen het kalenderjaar waarin het is ingediend. Aangezien het bezwaarschrift in september 2024 is ingediend en de uitspraak op bezwaar in december van datzelfde jaar is gedaan, is deze tijdig genomen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier. griffier Rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 text/xml public 2026-04-28T14:00:30 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-20 BRE 25/5142 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 text/html public 2026-04-23T09:31:54 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-04-2026 / BRE 25/5142 Parkeerheffing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/1620 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 december 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Feiten 2. Op 30 augustus 2024 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd voor het op 21 augustus 2024 parkeren op het Chasséveld te Breda met de auto met [kenteken] . 2.1. Op 10 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangen. 2.2. Op 22 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak is op 23 december 2024 per e-mail aan belanghebbende toegezonden. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het beroep ontvankelijk is. 4. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat het beroep te laat is ingediend . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 5. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 5.1. Vaststaat dat de uitspraak op bezwaar op 23 december 2024 per e-mail aan belanghebbende is verzonden. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 17 maart 2023. Daarmee is het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken ingediend. 5.2. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt waarom het beroepschrift te laat is ingediend en geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk. 5.3. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar te laat zou zijn genomen. Voor gemeentelijke belastingen, waaronder parkeerbelastingen, geldt echter een afwijkende regeling op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan dient een bezwaarschrift (dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar) te worden afgehandeld binnen het kalenderjaar waarin het is ingediend. Aangezien het bezwaarschrift in september 2024 is ingediend en de uitspraak op bezwaar in december van datzelfde jaar is gedaan, is deze tijdig genomen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier. griffier Rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.