Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:3176
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rekestprocedure
4,089 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 text/xml public 2026-05-01T12:51:48 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/445668 / JE RK 26-364 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 text/html public 2026-05-01T12:48:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/445668 / JE RK 26-364 Omgangsregeling op grond van artikel 1:265g lid 1 BW, waarbij door de GI moet worden onderzocht wat een passende vorm van contact is en de GI de regie heeft over de aard, de begeleiding, de frequentie en de duur van de contacten. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445668 / JE RK 26-364 Datum uitspraak: 19 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] . [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026. 1.2. Op 19 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het resterende deel van de verzoeken van de GI in de zaken met kenmerk C/02/445728 / JE RK 26-377 en C/02/445730 / JE RK 26-379, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaken is afzonderlijk beslist. 1.3. Verschenen en gehoord zijn: [minderjarige] ; de moeder; - een vertegenwoordigster van de GI – via een digitale verbinding . 1.4. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen. 1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] voorafgaand aan de zitting naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 25 juni 2025 verlengd voor de periode van 4 juli 2025 tot 4 juli 2026. 2.4. Bij beschikking van 4 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025. 2.5. Bij beschikking van 23 december 2024 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025. 2.6. Bij beschikking van 3 januari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025. 2.7. Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025. 2.8. Bij beschikking van 2 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025. 2.9. Bij beschikking van 5 juni 2025 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025. 2.10. Bij beschikking van 11 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025. Deze machtiging is hierna steeds opnieuw verleend, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 voor de periode van 11 december 2025 tot 11 maart 2026. 2.11. Bij beschikking van 6 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de regie voor een vorm van contact tussen [minderjarige] en de vader aan de GI wordt toebedeeld. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is langzaam opgebouwd en tijdens deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een wisseling zichtbaar bij de vader. Hij is moeizaam in contact met de GI en zegt afspraken met [minderjarige] af. De GI vindt het belangrijk dat dit contact op een betere manier gaat verlopen en wil een structurele omgangsregeling vaststellen. Daarvoor is het nodig dat onder regie van de GI kan worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is en wat ervoor nodig is om ervoor te zorgen dat de vader zich aan de afspraken gaat houden. Daar komt bij dat er geen contact is tussen de vader en de moeder, waardoor het niet wenselijk is dat zij samen afspraken moeten maken over het contact tussen [minderjarige] en de vader. 4.2. [minderjarige] vertelt dat het contact met haar vader op dit moment niet goed verloopt. Haar vader komt af en toe langs bij [zorginstelling] , maar zij spreekt hem niet vaak. Het is al meerdere keren voorgekomen dat de vader zegt langs te komen, maar deze afspraak vervolgens afzegt. Het maakt voor [minderjarige] geen verschil als er een duidelijke omgangsregeling wordt vastgesteld en wat haar betreft is het niet nodig dat de GI de mogelijkheden daartoe gaat onderzoeken. Haar focus ligt op dit moment vooral op een terugkeer naar de thuissituatie van de moeder. 4.3. De moeder heeft geen mening over het voorliggende verzoek. Zij vindt het vooral van belang dat goed naar [minderjarige] haar mening hierin wordt geluisterd. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen indien dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De inhoudelijke beoordeling 5.2. De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken volgt dat het contact tussen [minderjarige] en de vader langzaam is opgebouwd en gedurende deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een verandering zichtbaar bij de vader, onder meer doordat hij afspraken met [minderjarige] op het laatste moment afzegt. Ook zijn er zorgen dat de vader het soms lastig vindt om [minderjarige] te begrenzen. Met de GI vindt de kinderrechter het belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op een betere manier gaat verlopen en dat er duidelijkheid komt over de omgangsregeling. Daarvoor moet in de komende periode worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige] . Het is daarbij van belang dat er zicht komt op wat er nodig is om het contact op een voor [minderjarige] veilige en voorspelbare manier vorm te geven. Daarvoor moet de GI onderzoeken welk type contact passend is, welke frequentie verantwoord is, welke ondersteuning de vader nodig heeft en hoe de omgang op lange termijn kan worden geborgd. De kinderrechter vindt het daarbij positief dat de vader openstaat voor hulpverlening en erkent dat hij ondersteuning nodig kan hebben om op een juiste manier bij [minderjarige] aan te sluiten.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 text/xml public 2026-05-01T12:51:48 2026-04-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 C/02/445668 / JE RK 26-364 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 text/html public 2026-05-01T12:48:59 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3176 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / C/02/445668 / JE RK 26-364 Omgangsregeling op grond van artikel 1:265g lid 1 BW, waarbij door de GI moet worden onderzocht wat een passende vorm van contact is en de GI de regie heeft over de aard, de begeleiding, de frequentie en de duur van de contacten. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445668 / JE RK 26-364 Datum uitspraak: 19 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] . [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026. 1.2. Op 19 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het resterende deel van de verzoeken van de GI in de zaken met kenmerk C/02/445728 / JE RK 26-377 en C/02/445730 / JE RK 26-379, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaken is afzonderlijk beslist. 1.3. Verschenen en gehoord zijn: [minderjarige] ; de moeder; - een vertegenwoordigster van de GI – via een digitale verbinding . 1.4. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen. 1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] voorafgaand aan de zitting naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 25 juni 2025 verlengd voor de periode van 4 juli 2025 tot 4 juli 2026. 2.4. Bij beschikking van 4 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025. 2.5. Bij beschikking van 23 december 2024 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025. 2.6. Bij beschikking van 3 januari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025. 2.7. Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025. 2.8. Bij beschikking van 2 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025. 2.9. Bij beschikking van 5 juni 2025 is een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025. 2.10. Bij beschikking van 11 juni 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025. Deze machtiging is hierna steeds opnieuw verleend, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 voor de periode van 11 december 2025 tot 11 maart 2026. 2.11. Bij beschikking van 6 maart 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 25 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een omgangsregeling vast te stellen waarbij de regie voor een vorm van contact tussen [minderjarige] en de vader aan de GI wordt toebedeeld. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is langzaam opgebouwd en tijdens deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een wisseling zichtbaar bij de vader. Hij is moeizaam in contact met de GI en zegt afspraken met [minderjarige] af. De GI vindt het belangrijk dat dit contact op een betere manier gaat verlopen en wil een structurele omgangsregeling vaststellen. Daarvoor is het nodig dat onder regie van de GI kan worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is en wat ervoor nodig is om ervoor te zorgen dat de vader zich aan de afspraken gaat houden. Daar komt bij dat er geen contact is tussen de vader en de moeder, waardoor het niet wenselijk is dat zij samen afspraken moeten maken over het contact tussen [minderjarige] en de vader. 4.2. [minderjarige] vertelt dat het contact met haar vader op dit moment niet goed verloopt. Haar vader komt af en toe langs bij [zorginstelling] , maar zij spreekt hem niet vaak. Het is al meerdere keren voorgekomen dat de vader zegt langs te komen, maar deze afspraak vervolgens afzegt. Het maakt voor [minderjarige] geen verschil als er een duidelijke omgangsregeling wordt vastgesteld en wat haar betreft is het niet nodig dat de GI de mogelijkheden daartoe gaat onderzoeken. Haar focus ligt op dit moment vooral op een terugkeer naar de thuissituatie van de moeder. 4.3. De moeder heeft geen mening over het voorliggende verzoek. Zij vindt het vooral van belang dat goed naar [minderjarige] haar mening hierin wordt geluisterd. 5 De beoordeling Het wettelijk kader 5.1. Ingevolge artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen indien dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De inhoudelijke beoordeling 5.2. De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken volgt dat het contact tussen [minderjarige] en de vader langzaam is opgebouwd en gedurende deze opbouw was zichtbaar dat zowel de vader als [minderjarige] graag contact met elkaar wilden. In de afgelopen periode is hierin een verandering zichtbaar bij de vader, onder meer doordat hij afspraken met [minderjarige] op het laatste moment afzegt. Ook zijn er zorgen dat de vader het soms lastig vindt om [minderjarige] te begrenzen. Met de GI vindt de kinderrechter het belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige] op een betere manier gaat verlopen en dat er duidelijkheid komt over de omgangsregeling. Daarvoor moet in de komende periode worden onderzocht wat een passende omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige] . Het is daarbij van belang dat er zicht komt op wat er nodig is om het contact op een voor [minderjarige] veilige en voorspelbare manier vorm te geven. Daarvoor moet de GI onderzoeken welk type contact passend is, welke frequentie verantwoord is, welke ondersteuning de vader nodig heeft en hoe de omgang op lange termijn kan worden geborgd. De kinderrechter vindt het daarbij positief dat de vader openstaat voor hulpverlening en erkent dat hij ondersteuning nodig kan hebben om op een juiste manier bij [minderjarige] aan te sluiten.