Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:310
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,346 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:310 text/xml public 2026-02-13T10:34:39 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 11868236 \ CV EXPL 25-3044 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Middelburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:310 text/html public 2026-02-12T15:56:07 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:310 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / 11868236 \ CV EXPL 25-3044 (E) Eigen risico van de zorgverzekering niet betaald. Daarna is de betalingsregeling niet nagekomen. Op de aanmaning die daarna is verstuurd is niet gereageerd. CZ heeft daarop deze procedure aanhangig gemaakt. De vordering is toewijsbaar. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: 11868236 \ CV EXPL 25-3044 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V. , te Tilburg, eisende partij, hierna te noemen: CZ, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: Schelde Bewindvoeringen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek - de akte vermindering van eis van CZ. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Het geschil 2.1. CZ vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 108,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 64,48. Ook vordert CZ [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten. 2.2. CZ heeft gesteld dat [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst bij CZ heeft afgesloten. [gedaagde] heeft een bedrag van € 64,48 wegens eigen risico niet betaald. CZ heeft [gedaagde] bij brief aangemaand tot betaling. [gedaagde] heeft niet betaald. CZ maakt om die reden ook aanspraak op € 40,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast maakt CZ aanspraak op € 4,22 wegens wettelijke rente tot 19 augustus 2025 en op de wettelijke rente na deze datum. 2.3. [gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat de budgetbeheerder de gemachtigde van CZ heeft aangeschreven met het verzoek om een actuele opgave van alle vorderingen te verstrekken. Dit heeft de gemachtigde van CZ niet gedaan. Indien de gemachtigde van CZ dit wel had gedaan had een betalingsregeling kunnen worden getroffen en had een procedure voorkomen kunnen worden. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De beoordeling 3.1. CZ heeft bij conclusie van repliek aangevoerd dat deze vordering enkele maanden na het verzoek van de budgetbeheerder van [gedaagde] om een actuele opgave van alle vorderingen, ter incasso aan haar gemachtigde is overgedragen. Daarna is een betalingsregeling overeengekomen met [gedaagde]. [gedaagde] is deze betalingsregeling niet nagekomen. Op de aanmaning die daarna is verstuurd naar [gedaagde], is niet gereageerd. CZ heeft daarop deze procedure aanhangig gemaakt. [gedaagde] heeft het voorgaande bij conclusie van dupliek niet betwist. De vordering is gelet hierop onvoldoende betwist en toewijsbaar. 3.2. CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. CZ heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom is een bedrag van € 40,00 toewijsbaar. 3.3. CZ heeft haar vordering bij akte verminderd met € 105,00, omdat van [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding drie betalingen zijn ontvangen. 3.4. De betaling van € 105,00 strekt volgens artikel 6:44 BW eerst in mindering op de kosten en daarna in mindering op de verschenen rente. De betaling van € 105,00 strekt om die reden eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de reeds verschenen rente, waardoor er een toewijsbaar bedrag van € 3,70 aan hoofdsom resteert. 3.5. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 80,00 (2 punten × € 40,00) - nakosten € 41,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 401,45 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 3,70 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over 64,48, met ingang van 19 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 401,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.4. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.