Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:2917
Civiel recht
Rekestprocedure
4,017 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 text/xml public 2026-04-17T15:34:19 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-11 C/02/426160 FA RK 24/4042 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 text/html public 2026-04-17T15:33:50 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-03-2026 / C/02/426160 FA RK 24/4042 Verzoek omgangsregeling. Traject UHA verloopt niet helemaal naar behoren. Procesregisseur zal meer regie moeten gaan voeren. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/426160 FA RK 24/4042 datum uitspraak: 11 maart 2026 beschikking betreffende omgangsregeling in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam over de minderjarigen - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 2] , hierna te noemen: de minderjarigen. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 29 augustus 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - de op 14 oktober 2025 en 8 december 2025 ontvangen berichten van de regisseur Jeugd van de gemeente Altena; - het e-mailbericht van 12 december 2025 van mr. Van Hecke; - het e-mailbericht van 12 december 2025 van mr. Van Kerkhof; - het F9-formulier van 20 januari 2026 van mr. Van Kerkhof met bijlage; - het F9-formulier van 28 januari 2026 van mr. Van Hecke met bijlagen. - de beschikking provisionele voorziening van de rechtbank van 11 februari 2025. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda hierna te noemen de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De minderjarigen zijn tijdens deze relatie geboren. 2.2. De man heeft de minderjarigen erkend. 2.3. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4. De minderjarigen wonen bij de vrouw. 2.5. Partijen hebben afspraken gemaakt over de minderjarigen, welke zij hebben neergelegd in een door hen beiden op 26 oktober 2020 ondertekende ouderschapsplan. Hierin zijn zij, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen: De minderjarigen verblijven om en om het weekend bij hun vader, van vrijdagmiddag of -avond tot zondagavond na het eten 18-18.30 uur (artikel 3.1.) Daarnaast zijn partijen een verdeling van de vakanties, feestdagen en verjaardagen van de minderjarigen, van partijen zelf en hun families overeengekomen (artikelen 3.2. tot en met 3.7.). 2.6. Er bestaat al langere tijd geen contact tussen de man en de minderjarigen. 3 Het verzoek 3.1. De man verzoekt, samengevat, onder wijziging van eerdere beschikkingen, vonnissen en het ouderschapsplan, te bepalen dat de man en de minderjarigen contact met elkaar hebben zoals genoemd onder punt 16 van het verzoekschrift, te weten: eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdagmiddag 16.30 uur tot maandagochtend tot school; op vrijdag brengt de vrouw de minderjarigen naar de man en op maandag brengt de man de minderjarigen naar school (als het geen schooldag is: naar de vrouw); voor wat betreft de vakanties: o vakanties van één week in onderling overleg te verdelen; o vakanties van twee weken bij helfte in onderling overleg te verdelen; o de zomervakantie bij helfte te verdelen, drie weken aaneengesloten verdeling in onderling overleg te verdelen. 4 De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter heeft bij provisionele voorziening partijen en hun minderjarige kinderen verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten (UHA). Het loket is daarbij verzocht de rapportage over het verloop en het resultaat van het traject in te brengen in de onderhavige bodemprocedure. Verder heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Volgens de voorzieningenrechter was dat destijds te voorbarig voordat de resultaten van het hulpverleningstraject bij [zorginstelling] , het ingezette traject voor de kinderen gericht op vroegkinderlijk trauma en/of hechtingsproblemen, bekend zijn en voordat de omgangsbegeleiding vanuit het UHA is aangevangen. 4.2. Op 14 oktober 2025 heeft de regisseur jeugd van de gemeente Altena de rechtbank bericht dat de orthopedagoog van [zorginstelling] heeft aangegeven dat de kinderen nog niet toe zijn aan contactherstel met de man. Op 8 december 2025 heeft de regisseur jeugd de rechtbank nogmaals bericht. Daaruit blijkt dat het traject bij [zorginstelling] uit vier fases bestaat. Fase één en twee zijn positief verlopen. Er zal nog negen maanden nodig zijn om fase drie en vier van de ingezette traumabehandeling te kunnen realiseren. Beide advocaten hebben aangegeven bij bericht van 12 december 2025, daarmee in te kunnen stemmen. 4.3. Bij F9-formulier van 20 januari 2026 heeft mr. Van Kerkhof verzocht de zaak opnieuw ter zitting te behandelen, aangezien het erop lijkt dat de opdracht van de rechtbank niet door de gemeente wordt opgepakt. 4.4. Bij F9-formulier van 28 januari 2026 heeft mr. Van Hecke de rechtbank bericht dat de gemeente werkt aan de zaak. Eerder is al gecorrespondeerd dat de hulpverlening voor de kinderen wordt voortgezet. Bijgevoegd zijn twee tussenevaluaties van [zorginstelling] , van november 2025. Daaruit blijkt, samengevat, dat beide kinderen reacties en patronen laten zien die passen bij een ontwikkelingsachterstand passend bij het beeld van een kind met trauma-ontwikkelingsproblematiek. De komende periode zal zich richten op traumaverwerking met als doel zicht krijgen of er voldoende ruimte en mogelijkheden zijn bij de kinderen voor contact met de man. De behandeling zal verder medio maart 2026 geëvalueerd worden. 4.5. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het tempo van de kinderen gevolgd moet worden en dat de resultaten van de hulpverlening van [zorginstelling] afgewacht moeten worden. Duidelijk geworden is ook dat beide partijen ter zitting in staat zijn om in het belang van de kinderen te denken. Geconstateerd is echter dat de man sinds de beschikking provisionele voorziening van 11 februari 2025, met uitzondering van een kort intakegesprek, niet op de hoogte is gehouden van het verloop van het hulpverleningstraject van de kinderen bij [zorginstelling] . De man heeft contact opgenomen met de gemeente Altena om informatie hierover te verkrijgen, maar door de procesregisseur is hem medegedeeld dat hij geen informatie krijgt omdat hij geen gezaghebbende ouder is. De man blijft dus verstoken van informatie als het gaat over de voortgang, tussenevaluaties en resultaten van het hulpverleningstraject van de kinderen bij [zorginstelling] en of, en zo ja, op welke termijn ruimte is bij de kinderen voor contactherstel en/of begeleide omgang met hem. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belangrijk is dat de procesregisseur van de gemeente Altena regie gaat voeren. De procesregisseur zal de voortgang van het hulpverleningstraject bij [zorginstelling] dienen te monitoren. Daarnaast acht de rechtbank het aangewezen dat partijen en de procesregisseur van de gemeente Altena met elkaar om tafel gaan om te bespreken welke stappen gezet moeten gaan worden en er geen belemmeringen zijn om de verslagen van [zorginstelling] met beide ouders te delen.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 text/xml public 2026-04-17T15:34:19 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-11 C/02/426160 FA RK 24/4042 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 text/html public 2026-04-17T15:33:50 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2917 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-03-2026 / C/02/426160 FA RK 24/4042 Verzoek omgangsregeling. Traject UHA verloopt niet helemaal naar behoren. Procesregisseur zal meer regie moeten gaan voeren. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/426160 FA RK 24/4042 datum uitspraak: 11 maart 2026 beschikking betreffende omgangsregeling in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam over de minderjarigen - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 2] , hierna te noemen: de minderjarigen. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 29 augustus 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - de op 14 oktober 2025 en 8 december 2025 ontvangen berichten van de regisseur Jeugd van de gemeente Altena; - het e-mailbericht van 12 december 2025 van mr. Van Hecke; - het e-mailbericht van 12 december 2025 van mr. Van Kerkhof; - het F9-formulier van 20 januari 2026 van mr. Van Kerkhof met bijlage; - het F9-formulier van 28 januari 2026 van mr. Van Hecke met bijlagen. - de beschikking provisionele voorziening van de rechtbank van 11 februari 2025. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda hierna te noemen de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De minderjarigen zijn tijdens deze relatie geboren. 2.2. De man heeft de minderjarigen erkend. 2.3. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4. De minderjarigen wonen bij de vrouw. 2.5. Partijen hebben afspraken gemaakt over de minderjarigen, welke zij hebben neergelegd in een door hen beiden op 26 oktober 2020 ondertekende ouderschapsplan. Hierin zijn zij, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen: De minderjarigen verblijven om en om het weekend bij hun vader, van vrijdagmiddag of -avond tot zondagavond na het eten 18-18.30 uur (artikel 3.1.) Daarnaast zijn partijen een verdeling van de vakanties, feestdagen en verjaardagen van de minderjarigen, van partijen zelf en hun families overeengekomen (artikelen 3.2. tot en met 3.7.). 2.6. Er bestaat al langere tijd geen contact tussen de man en de minderjarigen. 3 Het verzoek 3.1. De man verzoekt, samengevat, onder wijziging van eerdere beschikkingen, vonnissen en het ouderschapsplan, te bepalen dat de man en de minderjarigen contact met elkaar hebben zoals genoemd onder punt 16 van het verzoekschrift, te weten: eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdagmiddag 16.30 uur tot maandagochtend tot school; op vrijdag brengt de vrouw de minderjarigen naar de man en op maandag brengt de man de minderjarigen naar school (als het geen schooldag is: naar de vrouw); voor wat betreft de vakanties: o vakanties van één week in onderling overleg te verdelen; o vakanties van twee weken bij helfte in onderling overleg te verdelen; o de zomervakantie bij helfte te verdelen, drie weken aaneengesloten verdeling in onderling overleg te verdelen. 4 De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter heeft bij provisionele voorziening partijen en hun minderjarige kinderen verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten (UHA). Het loket is daarbij verzocht de rapportage over het verloop en het resultaat van het traject in te brengen in de onderhavige bodemprocedure. Verder heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de man om een voorlopige omgangsregeling vast te stellen afgewezen. Volgens de voorzieningenrechter was dat destijds te voorbarig voordat de resultaten van het hulpverleningstraject bij [zorginstelling] , het ingezette traject voor de kinderen gericht op vroegkinderlijk trauma en/of hechtingsproblemen, bekend zijn en voordat de omgangsbegeleiding vanuit het UHA is aangevangen. 4.2. Op 14 oktober 2025 heeft de regisseur jeugd van de gemeente Altena de rechtbank bericht dat de orthopedagoog van [zorginstelling] heeft aangegeven dat de kinderen nog niet toe zijn aan contactherstel met de man. Op 8 december 2025 heeft de regisseur jeugd de rechtbank nogmaals bericht. Daaruit blijkt dat het traject bij [zorginstelling] uit vier fases bestaat. Fase één en twee zijn positief verlopen. Er zal nog negen maanden nodig zijn om fase drie en vier van de ingezette traumabehandeling te kunnen realiseren. Beide advocaten hebben aangegeven bij bericht van 12 december 2025, daarmee in te kunnen stemmen. 4.3. Bij F9-formulier van 20 januari 2026 heeft mr. Van Kerkhof verzocht de zaak opnieuw ter zitting te behandelen, aangezien het erop lijkt dat de opdracht van de rechtbank niet door de gemeente wordt opgepakt. 4.4. Bij F9-formulier van 28 januari 2026 heeft mr. Van Hecke de rechtbank bericht dat de gemeente werkt aan de zaak. Eerder is al gecorrespondeerd dat de hulpverlening voor de kinderen wordt voortgezet. Bijgevoegd zijn twee tussenevaluaties van [zorginstelling] , van november 2025. Daaruit blijkt, samengevat, dat beide kinderen reacties en patronen laten zien die passen bij een ontwikkelingsachterstand passend bij het beeld van een kind met trauma-ontwikkelingsproblematiek. De komende periode zal zich richten op traumaverwerking met als doel zicht krijgen of er voldoende ruimte en mogelijkheden zijn bij de kinderen voor contact met de man. De behandeling zal verder medio maart 2026 geëvalueerd worden. 4.5. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het tempo van de kinderen gevolgd moet worden en dat de resultaten van de hulpverlening van [zorginstelling] afgewacht moeten worden. Duidelijk geworden is ook dat beide partijen ter zitting in staat zijn om in het belang van de kinderen te denken. Geconstateerd is echter dat de man sinds de beschikking provisionele voorziening van 11 februari 2025, met uitzondering van een kort intakegesprek, niet op de hoogte is gehouden van het verloop van het hulpverleningstraject van de kinderen bij [zorginstelling] . De man heeft contact opgenomen met de gemeente Altena om informatie hierover te verkrijgen, maar door de procesregisseur is hem medegedeeld dat hij geen informatie krijgt omdat hij geen gezaghebbende ouder is. De man blijft dus verstoken van informatie als het gaat over de voortgang, tussenevaluaties en resultaten van het hulpverleningstraject van de kinderen bij [zorginstelling] en of, en zo ja, op welke termijn ruimte is bij de kinderen voor contactherstel en/of begeleide omgang met hem. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het belangrijk is dat de procesregisseur van de gemeente Altena regie gaat voeren. De procesregisseur zal de voortgang van het hulpverleningstraject bij [zorginstelling] dienen te monitoren. Daarnaast acht de rechtbank het aangewezen dat partijen en de procesregisseur van de gemeente Altena met elkaar om tafel gaan om te bespreken welke stappen gezet moeten gaan worden en er geen belemmeringen zijn om de verslagen van [zorginstelling] met beide ouders te delen.