Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:2710
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,688 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 text/xml public 2026-04-17T12:28:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-09 C/02/444452 / JE RK 26-154 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 text/html public 2026-04-15T14:43:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-03-2026 / C/02/444452 / JE RK 26-154 Verlenging ondertoezichtstelling voor een jaar. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, overige deel aanhouden in afwachting van duidelijkheid rondom het perspectief van de minderjarige RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444452 / JE RK 26-154 Datum uitspraak: 9 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. Y. Bruin uit Schagen. De kinderrechter merkt als informanten aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, [de pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; een vertegenwoordiger van de GI; de vader met een tolk Arabisch. De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 september 2025. Het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van 28 augustus 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 11 september 2025 tot 11 maart 2026. 2.4. [minderjarige] verblijft sinds 24 oktober 2024 in een crisispleeggezin te [plaats 2] . 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. 3.3. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten Het standpunt van de GI 4.1. De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. De zorgen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn het vertrouwen van volwassenen, haar hechtingsrelatie met haar ouders, het willen behouden van de controle door [minderjarige] , het kunnen vertonen van zelfbepalend gedrag en het onrustig slapen (schreeuwen in haar slaap) als [minderjarige] spanningen en angsten ervaart. De ouders bevinden zich in een complexe scheiding. Ook hebben beide ouders geen vaste woonplek. Het crisispleeggezin, waar [minderjarige] sinds 24 oktober 2024 verblijft, biedt [minderjarige] veiligheid, rust, structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid. [minderjarige] kan echter niet opgroeien bij het crisispleeggezin en dient daarom overgeplaatst te worden naar een perspectiefbiedend pleeggezin, voordat zij naar de basisschool gaat. Ook moet er meer zicht komen op de belastbaarheid van de moeder en de problemen rondom praktische zaken rondom het contact tussen [minderjarige] en de moeder. 4.2. De moeder verblijft momenteel met haar andere dochter, [persoon] , bij het moeder-kindhuis te [plaats 1] , in afwachting van een traject begeleid wonen bij [accommodatie] . De wachttijd daarvoor is ongeveer één jaar. Tussen de moeder en [minderjarige] is momenteel één keer per drie weken twee uur contact. De contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] kunnen niet worden uitgebreid, vanwege praktische problemen. Er is video interactiebegeleiding voor de moeder ingezet door WSG van juli 2025 tot oktober 2025. Dit is gestopt vanwege stress bij de moeder door onduidelijkheid over haar verblijfplek vanaf januari 2026. Het moeder-kindhuis en de pleegzorg WSG vragen zich af of de moeder kan bieden aan [minderjarige] , wat zij nodig heeft. Er wordt gezien dat de moeder adviezen vraagt en tips oppakt, echter heeft zij onvoldoende inzicht in hoe zij het overzicht kan behouden met twee kinderen en kan zij haar aandacht moeilijk verdelen over haar twee dochters. Wel is er een positieve ontwikkeling te zien in de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . De draagkracht van de moeder is echter gering en de moeder is uit balans als zij spanning en stress ervaart. Ook wenst de moeder de adviezen van het psychodiagnostisch onderzoek vanuit MEE niet te delen met de GI, waardoor het niet duidelijk is wat de moeder nodig heeft qua hulpverlening. 4.3. Verder heeft [minderjarige] in juni 2025 voor het eerst contact gehad met de vader. Het contact wordt momenteel langzaam opgebouwd. Vanaf maart 2026 zal er één keer per zes weken een uur contact zijn tussen [minderjarige] en de vader op een kinderboerderij. De vader beheerst de Nederlandse taal echter onvoldoende, waardoor het lastig is voor hem om met [minderjarige] te communiceren. Tussen de ouders is geen enkele vorm van contact. Het is tot nu toe niet mogelijk geweest om te werken aan de oudercommunicatie, omdat contact met de vader spanningen oproept bij de moeder. 4.4. De samenwerking tussen de ouders, de hulpverlening en de GI verloopt verder positief. De afgelopen periode houden de ouders zich aan de afspraken en volgen zij het tempo van [minderjarige] . De GI acht het van belang dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder en [minderjarige] en de vader de komende periode verder wordt vormgegeven. Ook zal er aandacht besteed worden aan een passend pleeggezin voor [minderjarige] in de regio Brabant. De GI zal een perspectiefbesluit nemen voor [minderjarige] en monitoren hoe [minderjarige] zich ontwikkelt. De GI zal daarnaast onderzoeken of een vorm van oudercommunicatie mogelijk is en er zal, indien mogelijk, hulpverlening worden ingezet. De GI geeft verder aan dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden te kort is, gelet op wat er nog moet gebeuren. Het standpunt van de moeder 4.5. Door en namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt daarnaast de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor maximaal drie maanden. Het is van belang dat de moeder een eerlijke kans krijgt op een terugplaatsing van [minderjarige] . De moeder geeft aan dat de videotraining goed is verlopen en dat het laatste videomoment gepland staat, omdat het niet langer nodig is. Er is echter maar weinig omgang geweest tussen de moeder en [minderjarige] , vanwege praktische problemen. De moeder hoopt dat er naar aanleiding van de evaluatie van de videotraining zal worden gekeken naar een uitbreiding van de omgang. Het verblijf van de moeder in een moeder-kindhuis biedt de gelegenheid om toe te werken naar een thuisplaatsing. Verder geeft de moeder aan dat zij bereid is om de resultaten te delen vanuit het onderzoek van MEE, maar enkel de resultaten die van belang zijn voor de GI.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 text/xml public 2026-04-17T12:28:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-09 C/02/444452 / JE RK 26-154 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 text/html public 2026-04-15T14:43:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2710 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-03-2026 / C/02/444452 / JE RK 26-154 Verlenging ondertoezichtstelling voor een jaar. Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden, overige deel aanhouden in afwachting van duidelijkheid rondom het perspectief van de minderjarige RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444452 / JE RK 26-154 Datum uitspraak: 9 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. Y. Bruin uit Schagen. De kinderrechter merkt als informanten aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, [de pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; een vertegenwoordiger van de GI; de vader met een tolk Arabisch. De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 11 maart 2025 tot 11 maart 2026. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2025 tot 11 september 2025. Het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden. Vervolgens is bij beschikking van 28 augustus 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 11 september 2025 tot 11 maart 2026. 2.4. [minderjarige] verblijft sinds 24 oktober 2024 in een crisispleeggezin te [plaats 2] . 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. 3.2. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. 3.3. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten Het standpunt van de GI 4.1. De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. De zorgen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn het vertrouwen van volwassenen, haar hechtingsrelatie met haar ouders, het willen behouden van de controle door [minderjarige] , het kunnen vertonen van zelfbepalend gedrag en het onrustig slapen (schreeuwen in haar slaap) als [minderjarige] spanningen en angsten ervaart. De ouders bevinden zich in een complexe scheiding. Ook hebben beide ouders geen vaste woonplek. Het crisispleeggezin, waar [minderjarige] sinds 24 oktober 2024 verblijft, biedt [minderjarige] veiligheid, rust, structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid. [minderjarige] kan echter niet opgroeien bij het crisispleeggezin en dient daarom overgeplaatst te worden naar een perspectiefbiedend pleeggezin, voordat zij naar de basisschool gaat. Ook moet er meer zicht komen op de belastbaarheid van de moeder en de problemen rondom praktische zaken rondom het contact tussen [minderjarige] en de moeder. 4.2. De moeder verblijft momenteel met haar andere dochter, [persoon] , bij het moeder-kindhuis te [plaats 1] , in afwachting van een traject begeleid wonen bij [accommodatie] . De wachttijd daarvoor is ongeveer één jaar. Tussen de moeder en [minderjarige] is momenteel één keer per drie weken twee uur contact. De contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] kunnen niet worden uitgebreid, vanwege praktische problemen. Er is video interactiebegeleiding voor de moeder ingezet door WSG van juli 2025 tot oktober 2025. Dit is gestopt vanwege stress bij de moeder door onduidelijkheid over haar verblijfplek vanaf januari 2026. Het moeder-kindhuis en de pleegzorg WSG vragen zich af of de moeder kan bieden aan [minderjarige] , wat zij nodig heeft. Er wordt gezien dat de moeder adviezen vraagt en tips oppakt, echter heeft zij onvoldoende inzicht in hoe zij het overzicht kan behouden met twee kinderen en kan zij haar aandacht moeilijk verdelen over haar twee dochters. Wel is er een positieve ontwikkeling te zien in de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . De draagkracht van de moeder is echter gering en de moeder is uit balans als zij spanning en stress ervaart. Ook wenst de moeder de adviezen van het psychodiagnostisch onderzoek vanuit MEE niet te delen met de GI, waardoor het niet duidelijk is wat de moeder nodig heeft qua hulpverlening. 4.3. Verder heeft [minderjarige] in juni 2025 voor het eerst contact gehad met de vader. Het contact wordt momenteel langzaam opgebouwd. Vanaf maart 2026 zal er één keer per zes weken een uur contact zijn tussen [minderjarige] en de vader op een kinderboerderij. De vader beheerst de Nederlandse taal echter onvoldoende, waardoor het lastig is voor hem om met [minderjarige] te communiceren. Tussen de ouders is geen enkele vorm van contact. Het is tot nu toe niet mogelijk geweest om te werken aan de oudercommunicatie, omdat contact met de vader spanningen oproept bij de moeder. 4.4. De samenwerking tussen de ouders, de hulpverlening en de GI verloopt verder positief. De afgelopen periode houden de ouders zich aan de afspraken en volgen zij het tempo van [minderjarige] . De GI acht het van belang dat de contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder en [minderjarige] en de vader de komende periode verder wordt vormgegeven. Ook zal er aandacht besteed worden aan een passend pleeggezin voor [minderjarige] in de regio Brabant. De GI zal een perspectiefbesluit nemen voor [minderjarige] en monitoren hoe [minderjarige] zich ontwikkelt. De GI zal daarnaast onderzoeken of een vorm van oudercommunicatie mogelijk is en er zal, indien mogelijk, hulpverlening worden ingezet. De GI geeft verder aan dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden te kort is, gelet op wat er nog moet gebeuren. Het standpunt van de moeder 4.5. Door en namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt daarnaast de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor maximaal drie maanden. Het is van belang dat de moeder een eerlijke kans krijgt op een terugplaatsing van [minderjarige] . De moeder geeft aan dat de videotraining goed is verlopen en dat het laatste videomoment gepland staat, omdat het niet langer nodig is. Er is echter maar weinig omgang geweest tussen de moeder en [minderjarige] , vanwege praktische problemen. De moeder hoopt dat er naar aanleiding van de evaluatie van de videotraining zal worden gekeken naar een uitbreiding van de omgang. Het verblijf van de moeder in een moeder-kindhuis biedt de gelegenheid om toe te werken naar een thuisplaatsing. Verder geeft de moeder aan dat zij bereid is om de resultaten te delen vanuit het onderzoek van MEE, maar enkel de resultaten die van belang zijn voor de GI.
Volledig
De moeder acht het van belang dat er de komende tijd gekeken wordt of de omgang kan worden uitgebreid en of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk is, mede omdat er een perspectiefbesluit zal worden genomen. De moeder verzoekt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor maximaal drie maanden en het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Het standpunt van de vader (informant) 4.6. Door de vader is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader vindt dat het in het belang van [minderjarige] is om bij de moeder op te groeien. De vader weet niet wat de reden is dat [minderjarige] niet bij de moeder woont. Daarnaast is het niet in het belang van [minderjarige] om naar en ander pleeggezin te moeten worden overgeplaatst. Verder geeft de vader aan dat het contact tussen de vader en [minderjarige] steeds beter verloopt. 5 De beoordeling Verlenging van de ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn onder andere zorgen over het vertrouwen van volwassenen door [minderjarige] en de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en haar ouders. Daarnaast zijn er zorgen over het willen behouden van controle door [minderjarige] , het kunnen vertonen van zelfbepalend gedrag en het onrustig slapen als [minderjarige] spanningen en angsten ervaart. Verder is er tussen de ouders sprake van een complexe scheiding en is er geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders. 5.3. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn (nog) niet behaald. Hoewel de samenwerking van de ouders met de hulpverlening en de GI positief verloopt, is er tussen de ouders onderling geen enkele vorm van communicatie. Hierdoor lukt het de ouders niet om in onderling overleg te komen tot afspraken in het belang van [minderjarige] en daarmee de zorgen rondom de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. 5.4. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.5. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.6. Het crisispleeggezin, waar [minderjarige] sinds 24 oktober 2024 verblijft, biedt [minderjarige] veiligheid, rust structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het crisispleeggezin. De rust en stabiliteit dient de komende tijd behouden te blijven voor [minderjarige] . De kinderrechter acht het daarom van belang dat de plaatsing van [minderjarige] in het crisispleeggezin de komende periode nog gewaarborgd blijft middels een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing echter verlengen voor een kortere periode dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden, en het overige deel van dit verzoek aanhouden, om zicht te houden op de ontwikkelingen in de situatie. De GI heeft aangegeven in de komende periode een besluit te zullen nemen rondom het perspectief van [minderjarige] . [minderjarige] kan namelijk niet opgroeien bij het crisispleeggezin. In een eerdere beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is al benoemd dat de moeder een eerlijke kans verdient om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen en dat het zorgelijk is dat er nog geen structurele uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de moeder heeft kunnen plaatsvinden. Tot nu toe is hierin nog geen verandering gekomen, aangezien er nog steeds veel onduidelijkheid is over de belastbaarheid van de moeder en de omgang nog niet structureel is uitgebreid. Hierdoor kan er nog niet gewerkt worden aan een mogelijke terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de komende periode meer zicht komt op de mogelijkheden van de moeder ten aanzien van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De GI dient te onderzoeken of er mogelijkheden zijn tot uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] , welke hulpverlening passend is voor de moeder en waar het perspectief van [minderjarige] ligt. De kinderrechter geeft de moeder daarbij mee dat het delen van de resultaten van het onderzoek vanuit MEE de GI meer inzicht geeft in de mogelijkheden van de moeder, waardoor er mogelijk eerder stappen kunnen worden gezet richting passende hulpverlening of een uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . 5.7. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 11 september 2026, en het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden tot 11 augustus 2026 PRO FORMA . De kinderrechter verzoekt de GI om de kinderrechter (onder gelijktijdige verzending aan de moeder en haar advocaat, de vader en de pleegouders) uiterlijk één week voorafgaand aan hiervoor genoemde pro forma datum te informeren over de actuele stand van zaken (wat is de situatie van de moeder, wat is er in de afgelopen periode ingezet en wat zijn de conclusies van de GI betreffende een eventueel perspectiefbesluit?) en het standpunt van de GI over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Uitvoerbaar bij voorraad 5.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 11 maart 2026 tot 11 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2026 tot 11 september 2026; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 11 augustus 2026 PRO FORMA , in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.7.; 6.5. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Volledig
De moeder acht het van belang dat er de komende tijd gekeken wordt of de omgang kan worden uitgebreid en of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk is, mede omdat er een perspectiefbesluit zal worden genomen. De moeder verzoekt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor maximaal drie maanden en het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Het standpunt van de vader (informant) 4.6. Door de vader is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader vindt dat het in het belang van [minderjarige] is om bij de moeder op te groeien. De vader weet niet wat de reden is dat [minderjarige] niet bij de moeder woont. Daarnaast is het niet in het belang van [minderjarige] om naar en ander pleeggezin te moeten worden overgeplaatst. Verder geeft de vader aan dat het contact tussen de vader en [minderjarige] steeds beter verloopt. 5 De beoordeling Verlenging van de ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn onder andere zorgen over het vertrouwen van volwassenen door [minderjarige] en de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en haar ouders. Daarnaast zijn er zorgen over het willen behouden van controle door [minderjarige] , het kunnen vertonen van zelfbepalend gedrag en het onrustig slapen als [minderjarige] spanningen en angsten ervaart. Verder is er tussen de ouders sprake van een complexe scheiding en is er geen enkele vorm van communicatie tussen de ouders. 5.3. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn (nog) niet behaald. Hoewel de samenwerking van de ouders met de hulpverlening en de GI positief verloopt, is er tussen de ouders onderling geen enkele vorm van communicatie. Hierdoor lukt het de ouders niet om in onderling overleg te komen tot afspraken in het belang van [minderjarige] en daarmee de zorgen rondom de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. 5.4. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.5. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.6. Het crisispleeggezin, waar [minderjarige] sinds 24 oktober 2024 verblijft, biedt [minderjarige] veiligheid, rust structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het crisispleeggezin. De rust en stabiliteit dient de komende tijd behouden te blijven voor [minderjarige] . De kinderrechter acht het daarom van belang dat de plaatsing van [minderjarige] in het crisispleeggezin de komende periode nog gewaarborgd blijft middels een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing echter verlengen voor een kortere periode dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden, en het overige deel van dit verzoek aanhouden, om zicht te houden op de ontwikkelingen in de situatie. De GI heeft aangegeven in de komende periode een besluit te zullen nemen rondom het perspectief van [minderjarige] . [minderjarige] kan namelijk niet opgroeien bij het crisispleeggezin. In een eerdere beschikking van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is al benoemd dat de moeder een eerlijke kans verdient om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen en dat het zorgelijk is dat er nog geen structurele uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de moeder heeft kunnen plaatsvinden. Tot nu toe is hierin nog geen verandering gekomen, aangezien er nog steeds veel onduidelijkheid is over de belastbaarheid van de moeder en de omgang nog niet structureel is uitgebreid. Hierdoor kan er nog niet gewerkt worden aan een mogelijke terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de komende periode meer zicht komt op de mogelijkheden van de moeder ten aanzien van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De GI dient te onderzoeken of er mogelijkheden zijn tot uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] , welke hulpverlening passend is voor de moeder en waar het perspectief van [minderjarige] ligt. De kinderrechter geeft de moeder daarbij mee dat het delen van de resultaten van het onderzoek vanuit MEE de GI meer inzicht geeft in de mogelijkheden van de moeder, waardoor er mogelijk eerder stappen kunnen worden gezet richting passende hulpverlening of een uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . 5.7. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 11 september 2026, en het overige deel van het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing aanhouden tot 11 augustus 2026 PRO FORMA . De kinderrechter verzoekt de GI om de kinderrechter (onder gelijktijdige verzending aan de moeder en haar advocaat, de vader en de pleegouders) uiterlijk één week voorafgaand aan hiervoor genoemde pro forma datum te informeren over de actuele stand van zaken (wat is de situatie van de moeder, wat is er in de afgelopen periode ingezet en wat zijn de conclusies van de GI betreffende een eventueel perspectiefbesluit?) en het standpunt van de GI over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Uitvoerbaar bij voorraad 5.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 11 maart 2026 tot 11 maart 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2026 tot 11 september 2026; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot 11 augustus 2026 PRO FORMA , in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.7.; 6.5. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW.