Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:270
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/968 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel), en Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag over toeslagjaar 2008. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht aan eiser geen compensatie heeft verstrekt voor toeslagjaar 2008. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2022 ( [kenmerk] ; primair besluit) voor wat betreft toeslagjaar 20007 toegewezen en voor wat betreft de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser voor wat betreft 2007 gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] namens de Dienst Toeslagen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft twee kinderen. De Dienst Toeslagen heeft bij verschillende besluiten de eerder vastgestelde voorschotten voor kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 op nihil vastgesteld. 3.1. Op 1 februari 2021 heeft eiser zich bij de Dienst Toeslagen gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. 3.2. Met het besluit van 4 juni 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan eiser een bedrag van € 30.000,- toegekend op basis van de Catshuisregeling . 3.3. Op 1 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen aangekondigd dat extra compensatie voor het toeslagjaar 2007 wordt verstrekt van € 59.032,-. Het voorlopige compensatiebedrag komt daarmee uit op € 89.032,-. Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de definitieve compensatie voor het toeslagjaar 2007 vastgesteld op € 89.314,-, inclusief immateriële schadevergoeding. Met dit besluit heeft de Dienst Toeslagen daarnaast overwogen dat eiser over de jaren 2008 tot en met 2010 geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen. 3.4. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Eiser heeft het bezwaar kunnen toelichten op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op 8 augustus 2024. Bestreden besluit 3.5. De Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de compensatie voor toeslagjaar 2007. Het nieuwe compensatiebedrag bedraagt € 92.305,-. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen eisers bezwaar ongegrond verklaard. In 2008 had eiser evident geen recht op kinderopvangtoeslag, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn oudste kind naar school ging en hij het jongste kind meenam naar werk. Verder is niet, althans onvoldoende, gebleken dat eiser zich in een uitzonderlijke situatie verkeerde waardoor sprake was van hardheid. Voor wat betreft het jaar 2009 blijkt uit het overzicht van het Landelijk Incassocentrum dat er wel kinderopvangtoeslag op het rekeningnummer van eiser is uitbetaald. Een Voornoemde compensatieregeling is met ingang van die datum ondergebracht in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Op grond van het overgangsrecht worden compensatiebeschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn genomen vóór de inwerkingtreding van de Wht, aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de Wht. 8.2. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht wordt de compensatie niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Hiervan is in ieder geval sprake als er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het betreffende jaar. “Evident geen recht” houdt in dat er in redelijkheid geen twijfel is dat een betrokkene niet in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag. Was in 2008 sprake van ernstige onregelmatigheden die aan eiser toerekenbaar zijn? 9. De Dienst Toeslagen is er op basis van objectieve gegevens vanuit gegaan dat eiser niet heeft gewerkt in 2008. Eiser heeft gesteld dat hij destijds wel heeft gewerkt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft hij nagelaten dit te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook in de bezwaarfase is eiser in de gelegenheid gesteld om deze stelling te onderbouwen, maar hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat eiser niet heeft gewerkt in 2008. Voor eisers stelling dat zijn partner destijds ook heeft gewerkt geldt hetzelfde. Het voorgaande geldt ook voor de vraag of er in 2008 kinderopvang is genoten. Eiser heeft namelijk ter onderbouwing van zijn stelling dat er wel kinderopvang is genoten ook geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd. Gelet op het voorstaande bestond er over toeslagjaar 2008 evident geen recht op kinderopvangtoeslag, zodat de Dienst Toeslagen er vanuit mocht gaan dat sprake was van ernstige onregelmatigheden. De Dienst Toeslagen heeft dus terecht overwogen dat eiser geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2008. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag voor compensatie voor toeslagjaar 2008 terecht is afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet hersteloperatie toeslagen Artikel 2.1 1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem: a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem. 2. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. (…) Artikel 8.6 Beschikkingen ter zake van co