Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:2605
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,034 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 text/xml public 2026-04-17T10:47:19 2026-04-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-06 C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 text/html public 2026-04-15T12:14:54 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-03-2026 / C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) spoed PGJ RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummers: C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) C/02/445730 / JE RK 26-379 (regulier PGJ) Datum uitspraak: 6 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI), betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] . De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedures 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoek van de GI met bijlagen van 6 maart 2026. 1.2. Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. N. Wouters te Middelburg. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025. 2.4. Bij beschikking van 23 december 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025. 2.5. Bij beschikking van 3 januari 2025 heeft de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee maanden, te weten met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.6. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand toegewezen, te weten met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025. 2.7. Bij beschikking van 2 april 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025. 2.8. Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.9. Bij beschikking van 11 juni 2025 is het resterende deel van de spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp afgewezen en is een (reguliere) machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.10. Bij beschikking van 25 juni 2025, hersteld bij beschikking van 31 juli 2025, is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 4 juli 2026. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar is aangehouden. 2.11. Bij separate beschikking van 25 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juli 2025 en tot 11 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.12. Bij tussenbeschikking van 4 september 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 september 2025 tot 11 december 2025. 2.13. Bij beschikking van 5 december 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 december 2025 tot 11 maart 2026. 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.2. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier maanden. 4 De beoordeling 4.1. Uit de informatie van de GI volgt dat de voortgang van [minderjarige] binnen [accommodatie] is gestagneerd. Hiernaast zijn er zorgen over haar veiligheid binnen een open setting. Het is dan ook momenteel nog niet mogelijk voor [minderjarige] om terug naar huis te gaan. De afgelopen periode zou benut worden om vertrouwen te versterken, samenwerking te verbeteren en te onderzoeken welke vervolgstappen nodig waren voor een veilige thuissituatie. [minderjarige] is onvoldoende extern te motiveren om haar gedrag te veranderen en heeft regelmatig een beperkt reflectievermogen. Hoewel ze soms openheid kon tonen, zorgde de voortdurende onrust in haar omgeving ervoor dat zij zich emotioneel afsloot. Ze vermijdt gesprekken over haar gevoelens, trekt zich snel terug op haar kamer en kampt met depressieve gedachten. Deze patronen maken dat er momenteel nog onvoldoende draagkracht en veiligheid is om haar in een open setting of thuis te laten functioneren. Gezien dit gedragspatroon en de stagnatie in haar ontwikkeling acht de GI het noodzakelijk om gericht toe te werken naar de thuissituatie bij de moeder in grotere en concrete stappen, mits er passende intensieve hulpverlening wordt ingezet om de veiligheid en stabiliteit in het gezin te waarborgen. Een gesloten setting is gezien het bovenstaande voor nu nog noodzakelijk. 4.2. De GI heeft het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van [minderjarige] op 27 februari 2026 bij de rechtbank ingediend. Gezien de afloopdatum van de huidige machtiging gesloten plaatsing, te weten 11 maart 2026 is het niet mogelijk gebleken om deze zaak tijdig mondeling te behandelen en de belanghebbenden te horen op het verzoek. Om deze reden heeft de GI heden een spoedverzoek ingediend. De kinderrechter ziet zich genoodzaakt om – in afwachting van een zitting waarin het verzoek besproken kan worden - de bestaande situatie ten aanzien van [minderjarige] te laten voortduren gezien de zorgen over [minderjarige] . De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die ze nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw)). De gedragswetenschapper die [minderjarige] op 4 maart jl. heeft onderzocht heeft ingestemd met de verzochte plaatsing. 4.3. De GI, [minderjarige] , haar advocaat, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 text/xml public 2026-04-17T10:47:19 2026-04-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-06 C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 text/html public 2026-04-15T12:14:54 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2605 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-03-2026 / C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) spoed PGJ RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummers: C/02/445728 / JE RK 26-377 (spoed PGJ) C/02/445730 / JE RK 26-379 (regulier PGJ) Datum uitspraak: 6 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI), betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] . De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedures 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoek van de GI met bijlagen van 6 maart 2026. 1.2. Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. N. Wouters te Middelburg. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Bij beschikking van 4 juli 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 juli 2025. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2024 en tot 4 januari 2025. 2.4. Bij beschikking van 23 december 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 23 december 2024 en tot 6 januari 2025. 2.5. Bij beschikking van 3 januari 2025 heeft de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee maanden, te weten met ingang van 3 januari 2025 tot 3 maart 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.6. Bij beschikking van 28 februari 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand toegewezen, te weten met ingang van 3 maart 2025 en tot 3 april 2025. 2.7. Bij beschikking van 2 april 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 april 2025 en tot 4 juli 2025. 2.8. Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 5 juni 2025 tot 19 juni 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.9. Bij beschikking van 11 juni 2025 is het resterende deel van de spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp afgewezen en is een (reguliere) machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juni 2025 en tot 4 juli 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.10. Bij beschikking van 25 juni 2025, hersteld bij beschikking van 31 juli 2025, is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 4 juli 2026. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar is aangehouden. 2.11. Bij separate beschikking van 25 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 4 juli 2025 en tot 11 september 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. 2.12. Bij tussenbeschikking van 4 september 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 september 2025 tot 11 december 2025. 2.13. Bij beschikking van 5 december 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 11 december 2025 tot 11 maart 2026. 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.2. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging voor gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van vier maanden. 4 De beoordeling 4.1. Uit de informatie van de GI volgt dat de voortgang van [minderjarige] binnen [accommodatie] is gestagneerd. Hiernaast zijn er zorgen over haar veiligheid binnen een open setting. Het is dan ook momenteel nog niet mogelijk voor [minderjarige] om terug naar huis te gaan. De afgelopen periode zou benut worden om vertrouwen te versterken, samenwerking te verbeteren en te onderzoeken welke vervolgstappen nodig waren voor een veilige thuissituatie. [minderjarige] is onvoldoende extern te motiveren om haar gedrag te veranderen en heeft regelmatig een beperkt reflectievermogen. Hoewel ze soms openheid kon tonen, zorgde de voortdurende onrust in haar omgeving ervoor dat zij zich emotioneel afsloot. Ze vermijdt gesprekken over haar gevoelens, trekt zich snel terug op haar kamer en kampt met depressieve gedachten. Deze patronen maken dat er momenteel nog onvoldoende draagkracht en veiligheid is om haar in een open setting of thuis te laten functioneren. Gezien dit gedragspatroon en de stagnatie in haar ontwikkeling acht de GI het noodzakelijk om gericht toe te werken naar de thuissituatie bij de moeder in grotere en concrete stappen, mits er passende intensieve hulpverlening wordt ingezet om de veiligheid en stabiliteit in het gezin te waarborgen. Een gesloten setting is gezien het bovenstaande voor nu nog noodzakelijk. 4.2. De GI heeft het verzoek tot verlenging van de gesloten plaatsing van [minderjarige] op 27 februari 2026 bij de rechtbank ingediend. Gezien de afloopdatum van de huidige machtiging gesloten plaatsing, te weten 11 maart 2026 is het niet mogelijk gebleken om deze zaak tijdig mondeling te behandelen en de belanghebbenden te horen op het verzoek. Om deze reden heeft de GI heden een spoedverzoek ingediend. De kinderrechter ziet zich genoodzaakt om – in afwachting van een zitting waarin het verzoek besproken kan worden - de bestaande situatie ten aanzien van [minderjarige] te laten voortduren gezien de zorgen over [minderjarige] . De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die ze nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw)). De gedragswetenschapper die [minderjarige] op 4 maart jl. heeft onderzocht heeft ingestemd met de verzochte plaatsing. 4.3. De GI, [minderjarige] , haar advocaat, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling.