Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:2589
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,673 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2589 text/xml public 2026-04-10T15:22:32 2026-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-04 C/02/444398 / JE RK 26/144 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2589 text/html public 2026-04-08T11:43:12 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2589 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-03-2026 / C/02/444398 / JE RK 26/144 Verlenging ots om over te dragen naar vrijwillig kader RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444398 / JE RK 26/144 Datum uitspraak: 4 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , gevestigd te Tilburg, namens deze het LANDELIJK EXPERTISETEAM JEUGDBESCHERMING, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026; het op 4 februari 2026 van mr. Nelemans ontvangen stelbericht; het op 19 februari 2026 van de GI ontvangen volmacht en mandaat; het op 4 maart 2026 van mr. Nelemans ontvangen onttrekkingsbericht. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder; de vader; - de vertegenwoordigers van de GI. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. De situatie van [minderjarige] is inmiddels positief veranderd. [minderjarige] komt weer bij de vader en ze geeft zelf ook aan hier graag naartoe te willen. [minderjarige] wil graag dat [persoon] tijdens die contacten ook bij de vader is. De ouders hebben samen een ouderschapsplan opgesteld en getekend. De situatie is echter nog pril en onzeker. [minderjarige] zal op korte termijn gaan starten met speltherapie. Zij heeft veel last gehad van de heftige buien van [persoon] tijdens zijn verlof. Hierbij heeft zij gezien dat [persoon] hun moeder heeft aangevallen. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij op die momenten heel angstig is. De ouders hebben met elkaar afgesproken dat zij [minderjarige] en [persoon] uit elkaar halen als de spanningen oplopen. De komende maanden wil de GI met de ouders kijken in hoeverre de speltherapie aanslaat bij [minderjarige] en hoe de verloven in aanwezigheid van [persoon] voor haar rustiger kunnen verlopen. Daarbij vindt de GI het belangrijk dat beide ouders achter het ouderschapsplan blijven staan. De GI is van mening dat als deze positieve lijn zich voortzet, de ondertoezichtstelling afgesloten kan worden en de hulpverlening overgedragen kan worden naar het vrijwillig kader. 4.2. De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Volgens haar doet [minderjarige] het goed op school. Zij heeft daar vriendjes en vriendinnetjes gemaakt. De moeder geeft aan dat zij en de vader goed met elkaar kunnen overleggen. Haar partner heeft het op zijn werk kunnen regelen dat hij vrij is, als [persoon] thuis is. 4.3. De vader is het eens met het verzoek van de GI. Hij geeft aan dat de ouders er wel op moeten letten dat [minderjarige] hen niet tegen elkaar uit speelt. 5 De beoordeling 5.1. In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen. In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, blijkt dat de ouders van [minderjarige] hard hebben gewerkt om samen tot goed ouderschap te komen. Hierdoor kent de ontwikkeling van [minderjarige] inmiddels een positief verloop en kan zij genieten van het contact met haar beide ouders. De kinderrechter is het met de GI en de ouders eens, dat het in het belang van [minderjarige] nog noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling met zes maanden wordt verlengd. In die periode kan de GI werken aan de overdracht van de casus naar het vrijwillig kader. 5.3. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 7 maart 2026 tot 7 september 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.