Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:2574
Strafrecht
Wraking
2,035 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2574 text/xml public 2026-04-10T16:08:04 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/446260 HA RK 26-53 (E) Uitspraak Wraking NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2574 text/html public 2026-04-03T15:45:45 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/446260 HA RK 26-53 (E) wraking kennelijk ongegrond, wrakingsverbod. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446260 HA RK 26-53 beslissing van 31 maart 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker. 1 Het procesverloop Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende: de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met parketnummer 02169121-24; het wrakingsverzoek van verzoeker, ontvangen op 20 maart 2026; het e-mailbericht van 20 maart 2026 van de griffier waarin zij namens de gewraakte rechters mr. Combee, mr. Hoekstra en mr. De Jong laat weten dat de rechters niet in het wrakingsverzoek berusten; het e-mailbericht van 20 maart 2026 van de griffier aan verzoeker waarin een nadere onderbouwing van zijn wrakingsgrond wordt verzocht; het e-mailbericht van 24 maart 2026 van mr. Combee waarbij zij verwijst naar de bijgevoegde schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek namens de rechters; het e-mailbericht van verzoeker van 25 maart 2026 waarin hij de wrakingskamer wraakt; het e-mailbericht van verzoeker van 27 maart 2026 waarin hij reageert op de schriftelijke reactie van de rechters. 2 Het verzoek 2.1. Het verzoek strekt tot wraking van mr. Combee, mr. Hoekstra en mr. de Jong (hierna: de rechters), belast met de behandeling in de zaak met parketnummer 02-169121-24 op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek. 3 De gronden van het verzoek Door verzoeker is, kort weergegeven, aangevoerd dat een schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechters bestaat door het navolgende. Door verzoeker is meermaals verzocht om de namen van de behandelend rechters kenbaar te maken. Daar is geen gehoor aan gegeven. Hierdoor wordt het recht op een eerlijk proces, artikel 6 EVRM, geschonden. Daarnaast heeft verzoeker kenbaar gemaakt verhinderd te zijn om bij de zitting aanwezig te zijn en heeft hij een aanhoudingsverzoek gedaan dan wel herhaaldelijk verzocht om op afstand te worden gehoord. Dit verzoek is door de rechters afgewezen. Tot slot voert verzoeker aan dat de hele gang van zaken bij een zorgvuldige behandeling door de rechtbank reeds tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had moeten leiden. 4 De reactie van de rechters 4.1. De rechters berusten niet in het wrakingsverzoek. In hun schriftelijke reactie concluderen zij dat geen sprake is van de schijn van partijdigheid. Dit lichten zij als volgt toe. Door verzoeker is voor het eerst op 2 maart 2026 een aanhoudingsverzoek gedaan, wat vervolgens is voorgelegd aan de officier van justitie. Op 3 maart 2026 is van verzoeker een aanvulling op het verzoek ontvangen. Ook dit is voorgelegd aan de officier van justitie. De reactie van de rechters dat zij geen aanleiding zien om de behandeling van de zaak op voorhand aan te houden is op 4 maart 2026 aan verzoeker meegedeeld. Op 4 maart 2026 is door verzoeker een nieuw aanhoudingsverzoek gedaan. Omdat daarin geen nieuwe informatie is aangeleverd is op 5 maart 2026 meegedeeld dat de zaak niet op voorhand zou worden aangehouden en dat zijn verzoek tot aanhouding op de zitting besproken zal worden. Op 19 maart 2026 is een nieuw aanhoudingsverzoek gedaan door verzoeker en daarbij gevraagd om de namen van de zittingscombinatie. Dit verzoek heeft hij gedurende de dag meermaals herhaald. Aan verzoeker is meegedeeld dat hij een reactie hierop de volgende ochtend voor 09:00 uur zou ontvangen. Op 20 maart 2026 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend om 07:00 uur. Rond 09:00 uur zijn aan verzoeker alsnog de namen van de zittingscombinatie verstrekt. Tussen het moment dat de namen van de rechters zijn verstrekt en het tijdstip van de zitting (14:00 uur) was er voor verzoeker voldoende tijd om de rechterlijke onafhankelijkheid te toetsen. De conclusie van de rechters is dan ook dat er geen sprake is van de schijn van partijdigheid. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 5.2. Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Verstrekken van de namen van de rechters 5.3. Verzoeker heeft op donderdag 19 maart 2026 voor het eerst om de namen van de zittingscombinatie gevraagd. Verzoeker heeft deze namen op 20 maart 2026 rond 09:00 uur ontvangen zoals aan hem op 19 maart 2026 is bericht. Dit was enkele uren nadat hij zijn wrakingsverzoek heeft gedaan. De wrakingskamer heeft op 20 maart 2026 een e-mailbericht aan verzoeker gestuurd waarin is vermeld dat de wrakingskamer heeft begrepen dat de namen van de rechters diezelfde ochtend aan hem bekend zijn gemaakt, met de vraag of hij deze wrakingsgrond nog wenst te handhaven en als dat het geval is, de wrakingskamer een nadere onderbouwing hiervan wil ontvangen. Van verzoeker is geen reactie ontvangen. 5.4. De wrakingskamer overweegt ten aanzien van deze grond als volgt. Uit de reactie van de rechters volgt dat zij, zoals verzoeker op 19 maart 2026 is bericht, op 20 maart 2026 hun namen bekend hebben gemaakt. Gelet daarop kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoeker vooringenomen zijn of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Afwijzen van het aanhoudingsverzoek 5.5. De beslissing van een rechter om de hoofdzaak niet verder aan te houden is een procesbeslissing. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen. 5.6. Dit kan alleen anders zijn als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is niet onderbouwd en hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet gebleken. 5.7. Gelet op het voorgaande kan ook ten aanzien van deze grond niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoeker vooringenomen zijn, of dat de vrees van verzoeker daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 5.8. De stelling van verzoeker dat de hele procedure onzorgvuldig is verlopen, is niet nader onderbouwd en kan daarom evenmin slagen. 5.9. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Wrakingsverzoek gericht tegen de wrakingskamer 5.10. Verzoeker heeft op 25 maart 2026 het volgende e-mailbericht gestuurd: “De wrakingskamer is gewraakt omdat wederom geweigerd wordt om de samenstelling daarvan – ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe – daarvan kenbaar te maken.” 5.11.