Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:2573
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2573 text/xml public 2026-04-10T14:36:33 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-02 C/02/439460 / FA RK 25-4522 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2573 text/html public 2026-04-07T15:04:36 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2573 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-03-2026 / C/02/439460 / FA RK 25-4522 beschikking over gezag en regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/439460 / FA RK 25-4522 datum uitspraak: 2 maart 2026 beschikking over gezag en regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. M. Czarnota, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 2], advocaat: mr. D. de Heuvel, Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 28 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - het op 29 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - het F9-formulier van mr. Czarnota van 28 januari 2026 met bijlage. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] . 2.2. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 2.4. In de beschikking van deze rechtbank van 5 april 2023, verbeterd bij beschikking van 20 april 2023, is bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] . Verder is bepaald: - dat de man en [minderjarige] , totdat de man een andere woning heeft betrokken waar [minderjarige] een eigen kamer heeft, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar als volgt: de man haalt [minderjarige] op vrijdag om 8 uur op bij de vrouw en brengt [minderjarige] voor 19.00 uur terug bij de vrouw, [minderjarige] heeft dan bij de man gegeten; - dat de man en [minderjarige] , nadat de man de nieuwe woning heeft betrokken waar [minderjarige] een eigen kamer heeft, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar als volgt: van zaterdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en de man [minderjarige] weer terugbrengt naar de vrouw. Deze beschikking is bij beschikking van 29 februari 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd. 2.5. Partijen geven, in afwijking van de beschikking van 5 april 2013, uitvoering aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] om de week bij de man verblijft van zaterdag tot zondag, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en terugbrengt. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de verdeling van de vakanties en feestdagen tussen partijen te verdelen zoals omschreven in punt 10 van het verzoekschrift, althans een verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; - te bepalen dat de vrouw voortaan alleen het gezag zal hebben over [minderjarige] . 3.2. De man verzoekt zelfstandig, bij beschikking, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - een verdeling van de feestdagen vast te stellen zoals opgenomen in de bijlage bij het ouderschapsplan dat als productie 6 bij het inleidende verzoekschrift is verzocht. 4 De beoordeling Het gezag Het standpunt van de vrouw 4.1. De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. In voormelde beschikking van 5 april 2023 is bepaald dat partijen samen het gezag hebben over [minderjarige] . Die beschikking is op 29 februari 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd. Deze uitspraken zijn gegeven met de gedachte dat het allemaal wel los zal lopen tussen partijen als er maar duidelijkheid is over het gezag. Tijdens de laatste zitting over de ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter, dezelfde rechter als de rechter in de bodemprocedure, zelfs aan de man meegegeven dat hij hem het gezag heeft gegeven en dat de man wel iets met dit gezag moet doen. Er is echter nog steeds niks veranderd en het belemmert het leven van de vrouw en [minderjarige] . De man communiceert nog steeds niet of pas nadat de vrouw de man meermaals heeft gevraagd om een reactie. Hij wil ook geen één-op-één contact met haar. Daardoor is het onmogelijk om met de man overleg te voeren. Door deze slechte communicatie of gebrek aan het tijdig reageren wordt [minderjarige] de nodige hulp die voor hem nodig is ontzegd. Zo heeft de hulpverlening de man meermaals moeten vragen om zijn toestemming voor de aanmelding voor [behandelcentrum] en [zorgcentrum] . Dit heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] na de zomervakantie pas kon starten bij [behandelcentrum] . Een ander punt is de meivakantie. Omdat de man zo traag reageert, was kort voor de meivakantie pas duidelijk wanneer [minderjarige] bij de man kon zijn. Daardoor kon de vrouw [minderjarige] niet inschrijven voor activiteiten via school die samenwerkt met [stichting] . Deze stichting begeleidt kinderen tijdens de lessen op school, maar gaan ook door in de meivakantie. [minderjarige] had door hen meegenomen kunnen worden om even een uurtje te gaan voetballen, een wandeling te maken en dergelijke om ouders even te ontlasten. Bovendien is het voor de ontwikkeling van [minderjarige] goed om dergelijke activiteiten te ondernemen. Dit is echter niet mogelijk geweest omdat de vrouw geen data kon doorgeven wanneer [minderjarige] kon. Daarnaast toont de man geen enkele interesse in de ontwikkeling van [minderjarige] . Zo sluit hij niet aan bij bijeenkomsten waarin de progressie van [minderjarige] wordt besproken en heeft hij niet gereageerd op de uitnodiging voor een kennismakingsgesprek bij de [speciaal onderwijs] en voor een oudergesprek op school. Ook pakt de man de aanwijzingen van [behandelcentrum] voor [minderjarige] niet op, zoals het werken met pictogrammen, een time-timer en zindelijkheidstraining. Na al die tijd is er geen enkele verbetering en blijft de uitoefening van het gezamenlijk gezag onmogelijk. Het gezamenlijk gezag is daarom in strijd met het belang van [minderjarige] . Het standpunt van de man 4.2. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij voert aan dat de vrouw geen argumenten heeft aangedragen op grond waarvan de beschikking van de rechtbank van 5 april 2023 (die door het gerechtshof is bekrachtigd) moet worden gewijzigd. Daarnaast voert de man aan dat hij wel communiceert, maar dat de inhoud kennelijk niet naar de zin van de vrouw is. Hij bevestigt wel dat de communicatie tussen partijen voor verbetering vatbaar is. Verder betwist de man dat zijn houding en opstelling ertoe leiden dat [minderjarige] niet de hulp krijgt die hij nodig heeft. Hij acht het in het belang van [minderjarige] dat partijen samen beslissingen over hem nemen, juist ook om de oudercommunicatie te blijven stimuleren. Hij wil graag betrokken zijn en blijven als het gaat om beslissingen over [minderjarige] . Het advies van de Raad 4.3. De Raad ziet geen grond voor wijziging van het gezamenlijk gezag. Het gezamenlijk gezag werkt niet belemmerend en is ook niet anderszinds in strijd met de belangen van de minderjarige. Het enkele gegeven dat sprake is van een slechte onderlinge communicatie is onvoldoende om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De overwegingen van de rechtbank 4.4.
Volledig
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over de minderjarige krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.5. De rechtbank overweegt dat bij beschikking van 5 april 2023 is bepaald dat partijen samen het gezag hebben over [minderjarige] . Deze beslissing is door het gerechtshof bij beschikking van 29 februari 2024 nog bekrachtigd. Om deze beslissing te kunnen veranderen moet uit de stukken en de mondelinge behandeling blijken dat de omstandigheden daarna op relevante wijze zijn veranderd of dat bij die beslissing van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan. Geen van beide doet zich naar het oordeel van de rechtbank voor. Ter zitting is gebleken dat de vrouw er vooral tegenaan loopt dat de man niet tijdig reageert op haar berichten, waardoor zij met name problemen ervaart in de opvang van [minderjarige] tijdens de vakanties. Daarmee is onvoldoende gebleken dat het gezamenlijk gezag voor de vrouw belemmerend werkt. Dat er nauwelijks overleg tussen partijen is over (belangrijke beslissingen over) [minderjarige] en dat de onderlinge communicatie verbetering behoeft is onvoldoende reden om de eerdere beslissing(en) te wijzigen. Daar komt bij dat partijen tijdens een onderbreking van de zitting overleg hebben gehad en dat zij afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling tijdens de vakanties en over de wijze waarop zij in het vervolg met elkaar zullen communiceren. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezamenlijk gezag zal dan ook, in lijn met het advies van de Raad, worden afgewezen. De zorgregeling Het standpunt van de vrouw 4.6. Gedurende de eerdere procedure hebben partijen diverse hulpverleningstrajecten doorlopen. Eind 2023 hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld. De vrouw heeft het ouderschapsplan uiteindelijk niet ondertekend, in verband met een lopend hoger beroep, maar partijen hebben wel aangegeven zich aan de afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan te houden. De vrouw probeert voorafgaand aan ieder schooljaar tijdig afspraken te maken met de man over de verdeling van de vakanties, feestdagen en studiedagen. De man reageert echter niet, althans niet tijdig. Daardoor is vaak pas op het laatste moment duidelijk hoe de vakanties en feestdagen worden verdeeld (of niet) en is het voor haar vaak onmogelijk om, rekening houdend met haar werk, de planning rondom [minderjarige] rond te maken. Dit alles geeft haar veel stress en spanning. Zij kan geen onbeperkt beroep doen op bijzonder zorgverlof en de coulance van haar werkgever. Het opvangen van [minderjarige] moet evenrediger worden verdeeld en de verdeling moet vaststaan zodat partijen daarnaar kunnen handelen. Een vaste regeling is ook in het belang van [minderjarige] . Hij heeft behoefte aan structuur en duidelijkheid. Het standpunt van de man 4.7. De man voert als verweer aan dat het voor hem, in verband met zijn werk, niet mogelijk is om ruim van tevoren de (zomer)vakanties te verdelen. Hij verwijst naar een brief van zijn werkgever. Wel kan [minderjarige] de komende voorjaarsvakantie en in de eerste week van de meivakantie bij hem zijn. Overige toezeggingen kan hij niet doen. Daarnaast kan hij in de zomervakantie maximaal twee aaneengesloten weken vrij krijgen van zijn werk, zodat een verdeling van de vakanties bij helfte niet mogelijk is. Voor de feestdagen verzoekt de man deze te verdelen conform de bijlage van het concept ouderschapsplan (productie 6 van de vrouw). Overeenstemming 4.8. Nadat partijen ter zitting hun verzoeken en standpunten over en weer nader hebben toegelicht, is de zitting kort onderbroken voor overleg tussen partijen. Dit heeft geleid tot overeenstemming. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt over de zorgregeling tijdens de vakanties en feestdagen. 4.9. In het schooljaar 2025/2026 verblijft [minderjarige] tijdens de volgende vakanties en feestdagen bij de man: carnavalsvakantie: zaterdag 14 en zondag 15 februari 2026 en donderdag 19 en vrijdag 20 februari 2026 (zo mogelijk met overnachting), meivakantie week 1: van maandag 20 april 2026 tot en met woensdag 22 april 2026 18.00 uur (sluit aan bij regulier weekend), meivakantie week 2: van maandag 27 april 2026 14.00 uur tot en met donderdag 30 april 2026 18.00 uur, zomervakantie - week 1: van zondag 12 juli 2026 14.00 uur tot en met donderdag 15 juli 2026 15.00 uur, - week 2: van zondag 19 juli 2026 14.00 uur tot en met donderdag 22 juli 2026 15.00 uur, Koningsdag volgens de vakantieregeling, eerste en tweede pinksterdag tot 18.00 uur, Vaderdag. 4.10. Vanaf schooljaar 2026/2027 geldt tijdens de vakanties en feestdagen de volgende zorgregeling: Vakanties schoolvakanties beginnen zaterdag 09.00 uur en lopen tot en met vrijdag 18.00 uur, herfstvakantie: even vrouw, oneven man, kerstvakantie week 1: even vrouw, oneven man, kerstvakantie week 2: even man, oneven vrouw, carnavalsvakantie: even vrouw, oneven man, meivakantie week 1: even man, oneven vrouw, meivakantie week 2: even vrouw, oneven man, de zomervakantie wisselt niet in verband met het werk van de vrouw, zomervakantie week 1: man/vrouw, zomervakantie week 2: man, zomervakantie week 3: man/vrouw, zomervakantie week 4: vrouw, zomervakantie week 5: vrouw, zomervakantie week 6: vrouw. Voor de zomervakantie geldt daarbij het volgende: [minderjarige] verblijft in week 1, 2 en 3 (van regio zuid) gedurende twee aaneengesloten weken bij de man. Uiterlijk 31 december van het voorafgaande jaar geeft de man aan welke weken dat zijn en of [minderjarige] eventueel ook de derde week bij hem kan verblijven. Geeft de man dit niet of niet tijdig aan, dan verblijft [minderjarige] gedurende week 1 en 2 van zijn zomervakantie (regio zuid) bij de man. Feestdagen (10.00-18.00 uur) eerste kerstdag: even vrouw, oneven man, tweede kerstdag: even man, oneven vrouw, oudejaarsdag: even man, oneven vrouw, nieuwjaarsdag: even vrouw, oneven man, eerste en tweede paasdag: altijd bij vrouw, Koningsdag, als het niet in de meivakantie valt: even vrouw, oneven man, Moederdag: bij vrouw, indien Moederdag valt in het weekend dat [minderjarige] bij de man zou zijn, dan wordt het weekend omgeruild, Hemelvaart en aansluitende vrijdag: bij degene bij wie [minderjarige] het aankomende weekend is volgens de reguliere regeling zodat het aansluit aan het weekend, eerste en tweede pinksterdag: altijd bij man van zaterdag 9.00 uur tot en met maandag 18.00 uur, Vaderdag: bij man, indien Vaderdag valt in het weekend dat [minderjarige] bij de vrouw zou zijn, dan wordt het weekend omgeruild. NB: In de even jaren is [minderjarige] op oudejaarsdag vanaf 10.00 uur bij de man (tenzij hij daar al is) en wordt op nieuwjaarsdag om 10.00 uur thuis verwacht. In de oneven jaren is [minderjarige] op oudejaarsdag bij de vrouw en wordt op nieuwjaarsdag om 10.00 uur opgehaald. Studiedagen De studiedagen worden verdeeld aan het begin van het schooljaar rekening houdend met reguliere weekenden en feestdagen, zodat [minderjarige] zo min mogelijk wordt belast. In het weekend van de intocht van Sinterklaas is [minderjarige] altijd bij de vrouw. Indien dit samenvalt met het weekend van de man wordt dat weekend geruild met het opvolgende weekend totdat [minderjarige] niet meer gelooft. 4.11. Tijdens het laatste weekend van de vakanties is [minderjarige] altijd bij de vrouw.