Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2556
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,629 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2556 text/xml public 2026-04-08T16:48:30 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C-02-443820 - FA RK 26-137 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2556 text/html public 2026-04-03T10:42:55 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2556 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C-02-443820 - FA RK 26-137 beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/443820 / FA RK 26-137 datum uitspraak: 24 februari 2026 beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. D.W.L. Cloots in Bergen op Zoom, en [de man] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de man, advocaat mr. W.J. Jurgers in Bergen op Zoom. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 9 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; - het op 4 februari 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen. 1.2. Bij verzoekschrift ontvangen op 23 december 2025 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/443770 FA RK 25-6788. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag en een verzoek tot schorsing van de omgang ter beoordeling voor. 1.3. De zaak is, gezamenlijk met de verzoeken die in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/02/443770 / FA RK 25-6788 voorliggen, behandeld op de mondelinge behandeling van 9 februari 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Ook was aanwezig mr. Jurgers namens de man. De man is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen 1.4. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken betreffende de minderjarige te adviseren. 1.5. Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] geboren. 2.2 [minderjarige] verblijft bij de vrouw. 2.3 De man heeft [minderjarige] erkend. 2.4 Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2 Het verzoek 2.1. De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tijdelijk het ouderlijk gezag alleen aan haar toe te wijzen en de huidige omgangsregeling die tussen partijen loopt, stop te zetten. 3 De beoordeling De standpunten 3.1. De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Partijen zijn in 2015 uit elkaar gegaan. Ze zijn toen mondeling een zorgregeling overeengekomen op basis waarvan [minderjarige] drie weekenden per maand en de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft. De omgang tussen [minderjarige] en de man verloopt niet goed. De man is verslaafd, eerst aan ketamine en nu aan alcohol, en dit zorgt voor onveilige situaties als [minderjarige] bij de man is. In december 2024 heeft de man een auto-ongeluk veroorzaakt op de [plaats] waarvoor hij nog een straf moet uitzitten. De man rijdt zonder rijbewijs en met alcohol op, ook waar [minderjarige] bij is. De man straft [minderjarige] buitenproportioneel en treedt niet adequaat op in geval van medisch handelen. Op 17 oktober 2025 heeft de vrouw een melding gemaakt bij Veilig Thuis. De vrouw is al heel lang bang voor de man en de man communiceert op een agressieve manier met de vrouw. [minderjarige] zelf wil niet meer naar de man en er is al een aantal maanden geen contact meer tussen hen. Op de school van [minderjarige] zijn speciale veiligheidsmaatregelen genomen zodat [minderjarige] weet wat hij moet doen. Het is van groot belang dat [minderjarige] de juiste hulpverlening krijgt om de situatie te verwerken. De vrouw verzoekt (tijdelijke) wijziging van het gezag nu sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen. De vrouw kan niet met de man communiceren gelet op de heftige problematiek waar de man mee kampt. Zo lang de man niet beter wordt, is hij niet in staat om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Ook verzoekt de vrouw stopzetting van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] omdat contact tussen hen momenteel niet in het belang van [minderjarige] is. 3.2. Door en namens de man wordt in het verweerschrift en tijdens de zitting aangevoerd dat de man ziet en weet dat de verstandhouding met de vrouw niet goed is. [minderjarige] heeft duidelijk aangegeven geen contact met de man te willen en de man respecteert de wens van [minderjarige] . Hij wil hem niet nog verder in het loyaliteitsconflict laten belanden. De man hoopt dat door het brengen van rust er ruimte voor herstel komt bij [minderjarige] en op termijn de wens om contact met zijn vader te hebben. De man heeft een moeilijke jeugd gehad en heeft hulpverlening. Hij wil niet dat zijn negatieve patronen hun weerslag op [minderjarige] hebben. Het klopt dat de man negatief en agressief communiceert met de vrouw en daar heeft hij spijt van. De man voert geen verweer tegen de verzoeken van de vrouw en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. De Raad verklaart tijdens de zitting dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige] . [minderjarige] heeft heel veel meegemaakt en het feit dat de omgang met zijn vader nu is stopgezet, levert slechts schijnrust op. Er leeft nog steeds een bepaalde spanning bij hem rondom het contact met zijn vader. De Raad maakt zich ook zorgen over het feit dat als er zich een gezagskwestie voordoet moeder niet durft de communiceren met de vader. De Raad vindt het nodig dat er onderzoek wordt gedaan naar de vraag of omgang tussen [minderjarige] en de man in het belang van [minderjarige] is en of het in zijn belang is dat beide ouders gezamenlijk met het gezag over hem belast blijven. De Raad vraagt zich af of de ouders in staat zijn om in gezamenlijkheid beslissingen over [minderjarige] te nemen en kan zich voorstellen dat het gezag van de man over [minderjarige] tijdelijk geschorst gaat worden. Ook moet er meer zicht komen op [minderjarige] en op wat hij nodig heeft. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de omgang tussen hem en zijn vader tijdelijk wordt stopgezet in afwachting van het onderzoek in de bodemprocedure. De Raad vraagt zich daarbij wel af of het de man lukt om in gesprek te gaan met de Raad. De inhoudelijke beoordeling 3.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Ontvankelijkheid 3.5. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. 3.6. Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken van de vrouw omtrent het gezag en de omgang samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoeken. 3.7. De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. Gezag 3.8. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw omtrent het gezag oordeelt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de vrouw als grondslag voor haar verzoek tot het tijdelijk aan haar toewijzen van het ouderlijk gezag artikel 1:251a lid 1 BW aangevoerd.
Volledig
Dit wetsartikel biedt echter geen grondslag voor het tijdelijk toekennen van ouderlijk gezag aan één van de ouders. De vrouw heeft ook geen, althans onvoldoende, feiten of omstandigheden gesteld of onderbouwd die anderszins tot toewijzing van haar verzoek in het kader van deze procedure kunnen leiden. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht blijkt onvoldoende dat het op dit moment noodzakelijk is om vooruitlopend op de bodemprocedure een beslissing te nemen over de uitoefening van het gezag door de man. De enkele stelling dat er geen communicatie plaatsvindt tussen de ouders is daarvoor onvoldoende. Het verzoek van de vrouw om bij wijze van provisionele voorziening, vooruitlopend op de bodemprocedure, het gezag alleen aan de vrouw toe te wijzen, zal daarom worden afgewezen. De rechtbank onderschrijft evenwel de zorgen, die ook worden gedeeld door de Raad, omtrent de verdere uitoefening van het gezamenlijk gezag door de ouders in de gegeven omstandigheden. Om die reden zal de rechtbank de Raad reeds nu verzoeken om ten behoeve van de bodemprocedure onderzoek te doen naar de vraag of instandhouding van het gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is. Omgang 3.9. Op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststelling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben omvatten. 3.10. Net als de Raad maakt de rechtbank zich zorgen over de omgang tussen [minderjarige] en de man. In zijn gesprek met de rechter heeft [minderjarige] aangegeven door zijn ervaringen in het verleden grote angst voor de man te hebben en daardoor ook ernstige weerstand tegen contact met de man. Ook de gebeurtenissen aan de zijde van de man die de vrouw naar voren heeft gebracht en die zich gedeeltelijk in het bijzijn van [minderjarige] hebben voorgedaan vindt de rechtbank zorgelijk. De man heeft deze gebeurtenissen ook niet betwist. Vast staat dat de man [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten regelmatig in onveilige situaties heeft gebracht. Inmiddels vindt er al enkele maanden geen omgang meer plaats tussen [minderjarige] en de man. In zijn verweerschrift heeft de man ook erkend dat er al geruime tijd geen omgang meer plaatsvindt. De man heeft aangegeven dat hij zich in het belang van [minderjarige] refereert aan het oordeel van de rechtbank omtrent de omgang en dat hij hoopt dat [minderjarige] daardoor de rust mag krijgen die hij nodig heeft. Gelet op alle zorgen die er zijn rondom het contact tussen [minderjarige] en de man vindt de rechtbank het van belang dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man voorlopig wordt stopgezet in afwachting van de beslissing over de omgang in de tussen partijen aanhangig zijnde bodemprocedure. De rechtbank zal dan ook bepalen dat er voorlopig, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist, geen omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsvindt. De rechtbank hoopt dat deze beslissing [minderjarige] voorlopig rust zal brengen en een deel van de angst die hij ervaart rondom de man zal wegnemen. 3.11. De rechtbank vindt het van belang dat er meer zicht komt op wat [minderjarige] nodig heeft en welke (on)mogelijkheden er zijn in het contact tussen hem en de man. Ook vindt de rechtbank het belangrijk dat onderzocht wordt of gezamenlijk gezag tussen de ouders over [minderjarige] in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om, ten behoeve van de tussen partijen aanhangig zijnde bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/02/443770 / FA RK 25-6788 onderzoek te doen naar de volgende vragen: - Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Welke vorm van contact met de man past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? - Welke (zorg)regeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? - Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de verzoeken in de bodemprocedure worden aangehouden tot 25 augustus 2026 PRO FORMA . De rechtbank verzoekt de Raad uiterlijk op voornoemde pro formadatum het rapport in de bodemprocedure in te dienen. Uitvoerbaar bij voorraad 3.12. De rechtbank zal de beslissing omtrent de omgang uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. 4 De beslissing De rechtbank 4.1. bepaalt dat er voorlopig, totdat in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/02/443770 / FA RK 25-6788 zal zijn beslist omtrent het contact tussen de man en [minderjarige] , geen zorgregeling geldt tussen de man en [minderjarige] ; 4.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 4.3. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg ten behoeve van de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/02/443770 / FA RK 25-6788 een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in r.o. 3.10 vermelde vragen en daarover op uiterlijk 25 augustus 2026 PRO FORMA in de bodemprocedure te rapporteren; 4.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, en, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.