Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:2523
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,298 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2523 text/xml public 2026-04-09T14:00:27 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-02 26/919 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2523 text/html public 2026-04-08T13:50:12 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2523 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-04-2026 / 26/919 Verzoek om een voorlopige voorziening over een niet-ontvankelijk verklaard bezwaar dat was gericht tegen de spitssluiting in Prinsenbeek (gemeente Breda). Het verzoek is kennelijk ongegrond omdat geen sprake is van spoedeisend belang. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/919 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het verkeersbesluit van het college van 28 november 2025 over een geslotenverklaring (ook wel aangeduid als spitssluiting) in Prinsenbeek (gemeente Breda). 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het college heeft met het besluit van 28 november 2025 een geslotenverklaring ingesteld voor motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen, taxi's, landbouwvoertuigen en ontheffinghouders, van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00u en 09.00u op de Leursebaan, Strijpenseweg, Halseweg en Markweg in Prinsenbeek. Met het bestreden besluit van 11 februari 2026, heeft het college het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat het college verzoeker geen belanghebbende vindt. Verzoeker woont namelijk niet binnen 300 meter van een van de vier wegafsluitingen en hij woont niet aan een weg waar een toename van verkeersintensiteit wordt verwacht op grond van de rapportage van [adviesbureau] van 24 november 2025. 3. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en hij heeft ook om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak alleen op het verzoek en niet op het beroep. 4. Verzoeker voert aan dat sprake is van een spoedeisende situatie omdat hij voor zijn werk iedere dag moet rijden door het inmiddels afgesloten gebied. Door de wegafsluiting moet hij omrijden en dat leidt gemiddeld tot vijftien minuten extra reistijd per dag omdat hij nu over de A16 moet rijden en in de file staat. De extra reistijd leidt door de hogere benzineprijzen tot financiële schade van in ieder geval € 159,- per jaar. Dat is nog zonder het meerekenen van het extra benzineverbruik. Door de onzekere reistijd loopt verzoeker ten slotte een hoger risico op te laat komen op zijn werk. 5. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk, als daartoe aanleiding bestaat, na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 6. Uit de toelichting van verzoeker over het spoedeisend belang, begrijpt de voorzieningenrechter dat het verzoeker uitsluitend gaat om schade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestreden besluit. Daargelaten dat verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot het door hem gestelde schadebedrag is gekomen, heeft verzoeker niet met stukken onderbouwd dat hij in acute financiële nood verkeert of zal komen te verkeren en dat hij de hogere benzinekosten van € 159,- (over het gehele jaar) niet kan betalen in de periode totdat op zijn beroep is beslist. Mocht verzoeker in beroep in het gelijk worden gesteld, dan kan hij een verzoek om schadevergoeding doen. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter ook geen spoedeisend belang in de door verzoeker gestelde onzekere reistijd. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.