Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:2497
Strafrecht
Op tegenspraak
2,037 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2497 text/xml public 2026-04-03T08:39:39 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-23 02-115348-23 Uitspraak Op tegenspraak NL Middelburg Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2497 text/html public 2026-04-03T08:39:12 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2497 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2026 / 02-115348-23 Verlenging tbs met verpleging van overheidswege met twee jaar. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummer: 02-115348-23 Beslissing van de meervoudige kamer van 23 maart 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) [kliniek] te [plaats] , hierna: betrokkene, raadsvrouw: mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam. 1 De stukken Het dossier bevat onder meer de volgende stukken: - de vordering van de officier van justitie van 23 februari 2026, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met twee jaren; - de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van betrokkene tot en met 10 februari 2026; - het rapport van FPC [kliniek] (hierna: de tbs-instelling) van 14 januari 2026, waarin het advies van de tbs-kliniek is vermeld. 2 De procesgang Bij vonnis van deze rechtbank van 22 maart 2024 is betrokkene, wegens overtreding van de artikelen 266, 267, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een gemaximeerde tbs met verpleging van overheidswege. De rechtbank constateert dat het hier gaat om een tbs waarvan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar niet te boven gaat, nu deze niet is opgelegd ter zake van een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. De termijn van de tbs is aangevangen op 6 april 2024. De vordering is op de openbare terechtzitting van 23 maart 2026 behandeld. De officier van justitie, mr. I.M. Peters, is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam. Voorts is als deskundige gehoord [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog bij de tbs-instelling. 3 Adviezen 3.1. Advies tbs-instelling De tbs-instelling heeft in haar rapport geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar en heeft daartoe, samengevat, het volgende vermeld. Bij betrokkene is sprake van een licht verstandelijke beperking, schizofrenie en stoornissen in het gebruik van cannabis, amfetamine en alcohol. De psychotische klachten in combinatie met problemen op het gebied van het psychosociaal functioneren leiden tot forse spanningen en stress. Betrokkene staat momenteel midden in zijn behandeling alsook aan het begin van het opbouwen en uitbreiden van zijn vrijheden. Door zijn verblijf in een zeer gestructureerde setting met voldoende nabijheid en ondersteuning functioneert betrokkene relatief stabiel. Vooralsnog is het recidivegevaar onverminderd hoog. In een situatie zonder begeleiding, externe structuur, toezicht op medicatie en middelengebruik en zonder regulering van zijn gedrag is de inschatting dat betrokkene zichzelf niet staande kan houden. In een situatie zonder zorg zal betrokkene door een gebrek aan ziekte-inzicht geen medicatie innemen en wel middelen gebruiken, hetgeen een groot risico vormt voor een toename van psychotische klachten, waarbij betrokkene minder controle heeft over zijn impulsen en het risico op agressie en delictgedrag snel toeneemt. Gezien de complexe problematiek is de verwachting dat betrokkene levenslang een omgeving nodig heeft waarbij intensief wordt ingezet op het aansluiten bij het verstandelijk en emotioneel functioneren waardoor betrokkene niet overvraagd wordt. Ter zitting heeft de deskundige daaraan nog het volgende toegevoegd. De tbs-instelling constateert een positieve ontwikkeling in de behandeling van betrokkene. Betrokkene functioneert stabiel, vraagt vaker om hulp en breidt zijn cognitieve vaardigheden uit. Wel is hij nog steeds kwetsbaar voor overvraging. In april 2026 wordt onbegeleid verlof aangevraagd. Het voornemen is om het onbegeleid verlof een jaar te toetsen en betrokkene in 2027 in te bedden in een nieuwe omgeving. Gezien de fase van behandeling en het feit dat het huidige kader nog noodzakelijk wordt geacht om de delictrisico’s verder te doen afnemen wordt geadviseerd om de tbs-maatregel met twee jaar te verlengen. 4 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter zitting de vordering aangepast in die zin dat de tbs slechts verlengd dient te worden met één jaar. Een dergelijke verlenging maakt mogelijk dat de rechtbank voor afloop van de tbs de voortgang in de behandeling en de overgang naar een leven zonder tbs kan monitoren. 5 Het standpunt van de verdediging Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij wenst dat de tbs wordt verlengd voor de duur van één jaar. De verdediging heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de tbs met één jaar. Dit verzoek is enerzijds gebaseerd op de noodzaak dat betrokkene na afloop van de tbs op een juiste wijze in een vervolgomgeving wordt ingebed. Anderzijds is er sprake van een gemaximeerde tbs en heeft betrokkene momenteel uitsluitend recht op begeleid verlof. Door de verlenging van de tbs te beperken tot één jaar kan er naar verwachting met meer voortvarendheid gewerkt worden aan de inzet van zorg na de tbs. 6 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is bevoegd om van de vordering kennis te nemen, omdat zij in eerste aanleg kennis heeft genomen van de misdrijven ter zake waarvan de tbs is gelast. De vordering is tijdig ingediend, dat wil zeggen niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de tbs door tijdsverloop zou eindigen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering. De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Uit het advies van de tbs-instelling en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat bij betrokkene sprake is van een licht verstandelijke beperking, schizofrenie en stoornissen in het gebruik van cannabis, amfetamine en alcohol. Het recidivegevaar wordt momenteel onverminderd hoog ingeschat. Dat maakt dat aan de wettelijke criteria voor een verlenging van de tbs-maatregel is voldaan en dat de vordering van de officier van justitie in beginsel voor toewijzing gereed ligt. Als uitgangspunt geldt dat de tbs wordt verlengd met een termijn van twee jaar indien het aannemelijk is dat de behandeling en de resocialisatie van de betrokkene in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die nog resteert bij een verlenging van de tbs met een termijn van één jaar. Gelet op hetgeen de officier van justitie en de raadsvrouw hebben aangevoerd, bezien in het licht van de rapportage van de tbs-instelling, ziet de rechtbank in deze zaak bijzondere omstandigheden om van het uitgangspunt af te wijken. Door de gemaximeerde duur van de tbs resteert er een relatief korte tijd om betrokkene te behandelen en zijn opgebouwde vrijheden te toetsen, extra reden waarom het traject voortvarend dient te verlopen. De rechtbank acht het daarom van belang zicht te houden op de voortgang van de tbs, de ontwikkeling van betrokkene en de uitstroommogelijkheden. Voorgaande in acht genomen is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege van betrokkene moet worden verlengd met één jaar. Met die beslissing wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. 7 De beslissing De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van betrokkene met één jaar. Deze beslissing is genomen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, en mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. L.W.