Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2026:2473
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2473 text/xml public 2026-04-09T09:47:19 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-02 25/1615 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2473 text/html public 2026-04-09T09:46:48 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-04-2026 / 25/1615 Motorrijtuigenbelasting, beroep ongegrond RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/1615 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 februari 2025. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over het tijdvak 22 februari 2024 tot en met 15 juni 2024 van € 120 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van € 60 (de boetebeschikking). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2]. Feiten 2. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie vanaf 17 februari 2024 houder van een personenauto van het merk Renault, type Clio, met [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De geldigheid van het kentekenbewijs is van 22 februari 2024 tot 28 januari 2025 geschorst geweest. 2.1. Op 7 mei 2024 is door een medewerker van de Belastingdienst geconstateerd dat het motorrijtuig gebruik maakte van de openbare weg tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing. 2.2. Naar aanleiding van die constatering heeft de inspecteur met dagtekening 10 december 2024 de naheffingsaanslag en de verzuimboete opgelegd. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of in dit geval gebruik mocht worden gemaakt van de weg met een handelaarskenteken. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht opgelegd omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden om met het handelaarskenteken van de weg gebruik te mogen maken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 3.2. Voor het gebruik van een handelaarskenteken gelden specifieke voorwaarden. Een handelaarskenteken mag worden gebruikt voor voertuigen die behoren tot de bedrijfsvoorraad van degene aan wie het kenteken is opgegeven of ter bewerking of herstel aan degene aan wie het kenteken is opgegeven ter beschikking zijn gesteld. Een handelaarskenteken mag uitsluitend worden gebruikt indien met het motorrijtuig als hiervoor bedoeld gebruik van de weg wordt gemaakt in het kader van de bedrijfsactiviteiten van het erkende bedrijf of de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie het handelaarskenteken is opgegeven. Indien met een motorrijtuig van de weg gebruik wordt gemaakt, en geen of ten onrechte een handelaarskenteken wordt gebruikt, terwijl voor dit motorrijtuig een schorsing geldt, kan motorrijtuigenbelasting (mrb) worden nageheven. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. Indien blijkt dat de belasting over (een gedeelte van) de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor het motorrijtuig is betaald, wordt de belasting in zoverre verminderd. 3.3. Belanghebbende stelt dat het is toegestaan om met een motorrijtuig voorzien van een handelaarskenteken gebruik te maken van de openbare weg voor een test- of reparatierit. In het onderhavige geval was volgens belanghebbende sprake van een noodzakelijke verplaatsing van het motorrijtuig in verband met tijdelijk ruimtegebrek in de autogarage waar het voertuig was gestald en vanwege reparatiewerkzaamheden. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat het motorrijtuig, in opdracht van de garagehouder waar het motorrijtuig was gestald, is verplaatst door zijn zoon. De autogarage waar het motorrijtuig tot dan toe was gestald is volgens belanghebbende van een familielid. Het handelaarskenteken behoorde toe aan dezelfde autogarage. Volgens belanghebbende was het motorrijtuig aangeschaft om te worden opgeknapt door diens zoon als onderdeel van zijn opleiding tot schadehersteller. De reparatiewerkzaamheden zouden plaatsvinden door de schoonvader van belanghebbende samen met belanghebbendes zoon. Tot het moment van de verplaatsing waren enkel onderzoekswerkzaamheden naar de te repareren onderdelen verricht. 3.4. De inspecteur stelt dat in dit geval het motorrijtuig geen onderdeel uitmaakte van de handelsvoorraad van de autogarage. Daarom mocht geen gebruik worden gemaakt van het handelaarskenteken om het motorrijtuig te verplaatsen. Volgens de inspecteur mag enkel van een handelaarskenteken gebruik worden gemaakt indien het motorrijtuig is aangeboden ter reparatie of herstel aan de houder van het handelaarskenteken. In onderhavig geval was volgens de inspecteur geen sprake van een dergelijke reparatierit. De inspecteur stelt omdat het motorrijtuig ten tijde van de controle geschorst was en in onderhavig geval geen gebruik mocht worden gemaakt van het handelaarskenteken de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht zijn opgelegd. 3.5. Uit de stellingen van belanghebbende leidt de rechtbank af dat de rit werd gemaakt vanwege ruimtegebrek in de autogarage waar het motorrijtuig stond gestald en vanwege geplande reparatiewerkzaamheden aan het motorrijtuig. Tijdens de controle werd het motorrijtuig bestuurd door de zoon van belanghebbende en zou deze gestald gaan worden op een parkeerplaats die niet tot het bedrijf van de handelaarskentekenhouder behoorde. Het voertuig was aangeschaft, zoals belanghebbende stelt, in het kader van de opleiding van de zoon van belanghebbende en zou grotendeels door de zoon zelf hersteld gaan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een motorrijtuig dat is aangeboden aan de houder van het handelaarskenteken ter reparatie of herstel. De enkele stelling van belanghebbende dat aan het motorrijtuig onderzoekswerkzaamheden waren verricht ten behoeve van een latere reparatie is onvoldoende om te concluderen dat de desbetreffende rit een reparatie rit was. Het doel van de rit was, zoals belanghebbende ter zitting heeft verduidelijkt niet om het motorrijtuig te testen op gebreken maar om het motorrijtuig te verplaatsen. De naheffingsaanslag is daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd. De omstandigheden waaronder de zoon van belanghebbende is gecontroleerd (namelijk als onderdeel van een stiptheidsactie) doen daar niet aan af. Verzuimboete 3.6. Bij de constatering dat een motorrijtuig gebruik maakt van de openbare weg terwijl het kentekenbewijs is geschorst kan de inspecteur, naast de nageheven belasting, een verzuimboete opleggen. De inspecteur heeft de boete in dit geval in overeenstemming met de wettelijke bepalingen opgelegd. 3.7. Het beboetbare feit is begaan. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing en daardoor te weinig MRB voldaan. Dit enkele feit rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete van 50 procent. Opzet of schuld is geen vereiste voor een verzuimboete en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. Een verzuimboete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld of wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt. 3.8. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende op als een beroep op avas.