Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2369
Strafrecht
Wraking
1,894 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2369 text/xml public 2026-04-01T11:49:10 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 C/02/446449 HA RK 26-58 (E) Uitspraak Wraking NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2369 text/html public 2026-04-01T11:48:59 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2369 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / C/02/446449 HA RK 26-58 (E) Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Wrakingskamer Locatie: Breda Procedurenummer: C/02/446449 HA RK 26-58 beslissing van 26 maart 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van: [verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, gemachtigde: mr. L. de Leon. 1 Procesverloop Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit: de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met parketnummer 02-811160-13; het wrakingsverzoek, ontvangen via e-mail, van 24 maart 2026; de e-mail van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 25 maart 2026 waarin staat dat zij niet in de wraking berust. 2 Het verzoek 2.1 Het verzoek strekt tot wraking van mr. Kok (hierna: de rechter), optredend als voorzitter van de meervoudige strafkamer in de voornoemde hoofdzaak. Het verzoek rust op de gronden zoals die namens verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 24 maart 2026. 2.2 De rechter berust niet in het verzoek tot wraking. 3 De feiten 3.1 Op 5 maart 2026 heeft er een zitting plaatsgevonden in de hoofdzaak. Tijdens deze zitting heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter, alsmede de rechters mr. Dekker en mr. Collombon , vanwege het niet horen van een getuige. 3.2 In de mondelinge uitspraak van 5 maart 2026 (zaaknummer C/02/445736 HA RK 26-39) heeft de wrakingskamer, na een wrakingszitting, dit wrakingsverzoek ongegrond verklaard omdat de beslissing om een getuige niet te horen een procesbeslissing is en een dergelijke beslissing, mede gelet op het ontbreken van bijkomende omstandigheden, nooit een grond voor wraking kan zijn. 3.3 Verzoeker heeft op 6 maart 2026 bericht dat volgens hem een gedeelte van het verkorte proces-verbaal van de zitting van 5 maart 2026 niet juist is. Namens de rechter is verzoeker op 9 maart 2026 bericht dat dit verkorte proces-verbaal inderdaad niet geheel juist is en dat deze omissie bij het opmaken van het volledige proces-verbaal van die zitting zal worden gerectificeerd. 3.4 Vervolgens heeft verzoeker op 21 maart 2026 de rechter gevraagd om een verschoningsverzoek in te dienen. De rechter heeft op 23 maart 2026 meegedeeld dit niet te zullen doen. Vervolgens heeft verzoeker de rechter opnieuw gewraakt. 4 De gronden van het wrakingsverzoek 4.1 Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag. 4.2 Volgens verzoeker is de schijn van vooringenomenheid gewekt doordat de rechter zich tijdens de wrakingszitting niet heeft willen uitlaten over de (on)juistheid van het verkorte proces-verbaal. 4.3 Dit wordt volgens verzoeker versterkt door de omstandigheid dat de rechter zich niet heeft willen laten verschonen. 4.4 Hierbij speelt volgens verzoeker een rol dat de onjuiste passage in het verkorte proces-verbaal tijdens de wrakingszitting in het openbaar is uitgesproken terwijl deze voor hem gevaarzettend is, hetgeen de rechter volgens hem niet onderkent. 4.5 Hierdoor geeft de rechter er volgens verzoeker blijk van dat zij zich op voorhand al een oordeel heeft gevormd over de hoofdzaak en niet meer in staat kan worden geacht om de hoofdzaak op een onpartijdige wijze te behandelen. 5 De beoordeling 5.1 Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 5.2 Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. 5.3 Het niet willen ingaan op de vraag om een verschoningsverzoek in te dienen, kan niet als een dergelijke aanwijzing worden aangemerkt. Het is namelijk niet mogelijk om rechters te verzoeken zich te laten verschonen. Dit is een instrument dat alleen door rechters zelf kan worden ingezet wanneer zij na de toedeling van een zaak ontdekken dat het hen niet vrij staat om die zaak te behandelen op grond van feiten of omstandigheden die raken aan de rechterlijke onpartijdigheid. 5.4 Ook het zich tijdens de wrakingszitting niet willen uitlaten over de (on)juistheid van het verkorte proces-verbaal ziet de wrakingskamer niet als een zwaarwegende aanwijzing zoals hiervoor bedoeld. Bovendien is van belang dat de rechter vóór de indiening van dit tweede wrakingsverzoek al heeft onderkend dat dit verkorte proces-verbaal niet geheel juist is en gerectificeerd zal worden bij het volledig uitgewerkte proces-verbaal. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert, noch dat verzoekers vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. Er is in het verlengde hiervan evenmin aanleiding om aan te nemen dat de rechter onvoldoende oog heeft voor de persoonlijke veiligheid van verzoeker. 5.5 Dit brengt mee dat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. De wrakingskamer laat een mondelinge behandeling daarom achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbanken, rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol). 5.6 Ten slotte ziet de wrakingskamer aanleiding om met toepassing van artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen. Hiervoor is het volgende redengevend. Na een eerder wrakingsverzoek dat enkel was gebaseerd op een procesbeslissing, dient verzoeker nu opnieuw een wrakingsverzoek in dat gestoeld is op twee redenen die eveneens evident geen grond zijn voor wraking. Hieruit kan niet anders worden afgeleid dan dat verzoeker het wrakingsinstrument inzet voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld. Beslissing De wrakingskamer: verklaart het verzoek tot wraking van de rechter kennelijk ongegrond; bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met parketnummer 02-811160-13 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek; bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek door of (mede) namens verzoeker in deze hoofdzaak jegens de rechter of één van de andere rechters die de hoofdzaak behandelen niet in behandeling zal worden genomen. Deze beslissing is genomen op 26 maart 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Van Kralingen en mr. Tempel, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.