Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2333
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,995 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2333 text/xml public 2026-04-10T12:07:02 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 C/02/444146 / JE RK 26-99 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2333 text/html public 2026-04-10T12:06:45 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2333 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / C/02/444146 / JE RK 26-99 Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de RvdK naar de noodzaak van een gezagsbeëindiging. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444146 / JE RK 26-99 Datum uitspraak: 27 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , [geboorteland] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. In het procesdossier zit het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Bij die zitting is een vertegenwoordigster namens de GI verschenen en gehoord. 1.3. Bij aanvang van de zitting constateert de kinderrechter dat beide ouders niet zijn verschenen. Omdat de ouders zijn aangemerkt als belanghebbenden in deze procedure, dient de kinderrechter te controleren of zij correct zijn opgeroepen voor de zitting. De kinderrechter stelt vast dat de ouders afzonderlijk van elkaar op 19 februari 2026, daarmee met inachtneming van de minimale oproepingstermijn van een week, zowel per gewone als aangetekende post zijn opgeroepen voor de zitting op het adres waarmee zij bij de gemeente ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP). Ter zitting heeft de GI aangegeven dat de moeder vanochtend een appbericht heeft gestuurd waarin zij heeft aangegeven dat zij niet ter zitting zal verschijnen. De kinderrechter stelt derhalve vast dat de ouders correct zijn opgeroepen voor de zitting en dat de moeder kennelijk van de zitting op de hoogte was. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek daarom buiten aanwezigheid van de ouders voortgezet. 1.4. [minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om op 23 februari 2026 haar mening te geven tijdens een gesprek met de kinderrechter, maar zij is niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en zij verblijft met een machtiging tot uithuisplaatsing in [gezinshuis] in [plaats 2] . 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 augustus 2025 zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor het laatst verlengd tot 2 maart 2026. 3 De verzoeken van de GI en de onderbouwing daarvan 3.1. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 2 maart 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. Tijdens de zitting heeft de GI voormeld verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] mondeling gewijzigd, in die zin dat de GI thans verzoekt om een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van een jaar, dus tot 2 maart 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.3. [minderjarige] is sinds maart 2023 onder toezicht gesteld vanwege onder meer zorgen over de alcoholverslaving van de moeder, de afwezigheid van de vader en financiële problemen van beide ouders. In de afgelopen periode hebben de GI en de betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening] , in lijn met de opdracht van de kinderrechter zoals overwogen in de vorige beschikking, op verschillende manieren geprobeerd om meer zicht te verkrijgen op de (opvoed)situatie van de ouders en om de zorgen die er zijn, weg te nemen. Dit is echter niet gelukt. Zo zijn de ouders de zorg- en contactregeling met [minderjarige] niet (trouw) nagekomen. In verband daarmee heeft de GI de regeling aangepast tot eenmaal per twee weken. De GI vindt dat de ouders eerst moeten laten zien dat zij deze regeling wel kunnen en zullen nakomen alvorens er opnieuw kan worden gesproken over een eventuele uitbreiding van de regeling. Deze week heeft de moeder het omgangsmoment met [minderjarige] echter afgezegd, omdat zij voornemens zou zijn geweest om naar de zitting te komen en zij niet in staat is om de reiskosten voor zowel het omgangsmoment als de zitting te betalen. Maar de moeder is dus ook niet verschenen ter zitting. In januari 2026 heeft de GI de moeder voor het laatst gezien. Vanaf dat moment heeft de moeder alle afspraken met de GI en met de hulpverlening afgezegd. De vader is ook nog steeds onbereikbaar en onbeschikbaar voor de GI en de hulpverlening. Voor de GI is het niet duidelijk of de ouders niet willen meewerken, of dat zij niet willen laten zien hoe slecht het momenteel met hen gaat, of dat er sprake is van een combinatie daarvan. De GI sluit niet uit dat de moeder nooit is gestart met verslavingszorg en dat zij dus niet in behandeling is. Doordat de ouders de afspraken niet nakwamen, zoals het aanleveren van benodigde documenten, heeft de WMO-consulent de hulpverlening stopgezet. Het stopzetten van de WMO-hulp heeft diverse gevolgen (gehad), zoals het stopzetten van de financiële tegemoetkoming voor reiskosten met betrekking tot de omgangsregeling, het stopzetten van de ondersteuning bij financieel beheer en het stopzetten van de alcoholtests bij de moeder. De moeder wil ook geen bewindvoering accepteren. De GI stelt tot slot dat het regelen van allerlei belangrijke (gezags)zaken voor [minderjarige] nog steeds zeer moeizaam verloopt. Aangezien de ouders vanwege hun financiële problemen diverse aanvragen voor [minderjarige] niet kunnen bekostigen, heeft de GI hen hierbij geholpen door hen daarbij financieel tegemoet te komen en afspraken voor hen te maken bij bijvoorbeeld de Poolse ambassade voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] . Desondanks blijven de ouders uit contact en verschijnen zij niet op genoemde afspraken. Inmiddels heeft de GI, met vervangende toestemming daartoe van de kinderrechter, een afspraak gemaakt bij de ambassade voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] . Daarnaast heeft [minderjarige] mogelijk een beugel nodig en zij wil graag een bijbaantje, maar omdat de medewerking van de ouders voor het aanvragen van een bankrekening dan wel om internetbankieren toe te staan uitblijft, is dit vooralsnog niet gelukt. [minderjarige] is hier de dupe van. 3.4. Hoewel [minderjarige] zich momenteel goed ontwikkelt in het gezinshuis en op school, wordt gezien dat zij nog steeds klem zit tussen haar ouders en dat zij in een loyaliteitsconflict verkeert. Vanuit het gezinshuis wordt gezien dat [minderjarige] hierdoor wordt belemmerd in haar verdere ontwikkeling. Ook heeft [minderjarige] last van de bestaande onduidelijkheid over haar toekomstperspectief. De GI heeft daarom geprobeerd om een perspectiefonderzoek te laten starten vanuit Sterk Huis. Sterk Huis heeft echter aangegeven niet te kunnen starten vanwege de taalbarrière en de alcoholverslaving van de moeder.
Volledig
De Gezinsmanager heeft eerder een breed onderzoek uitgevoerd, maar vanwege de minimale inzet van de ouders was het onderzoek niet compleet en konden er geen verbanden worden gelegd. De GI heeft daarom inmiddels een verzoek ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel en om in dat kader een uitspraak te doen over het perspectief van [minderjarige] . [minderjarige] heeft tot slot een intakegesprek gehad bij OpenDoor voor het inzetten van een buddy. 4 De beoordeling Mondelinge wijziging van het verzoek 4.1. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] momenteel in een gezinshuis verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing die is toegespitst op een plaatsing en verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Tot 1 juli 2025 konden minderjarigen op basis van voormelde machtiging in een gezinshuis worden geplaatst. Vanaf die datum zijn de verschillende categorieën waarvoor de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing kan verlenen echter landelijk gelijkgetrokken, met als gevolg voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat voor een plaatsing van een minderjarige in een gezinshuis voortaan een machtiging nodig is die is toegespitst op een plaatsing en verblijf in een gezinsgerichte voorziening. In verband daarmee heeft de GI ter zitting haar verzoek betreffende de uithuisplaatsing van [minderjarige] mondeling gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van een jaar, dus tot 2 maart 2027. 4.2. Nu de GI met de mondelinge wijziging van haar verzoek beoogt om de huidige plaatsing en het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis voort te zetten, hetgeen zij eveneens heeft beoogd met haar oorspronkelijke verzoek, zal de kinderrechter deze mondelinge wijziging toestaan, ook al zijn de ouders niet ter zitting verschenen. De kinderrechter zal het mondeling gewijzigde verzoek daarom hierna inhoudelijk behandelen en vervolgens daarop beslissen. Wettelijk kader 4.3. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 4.4. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen. 4.5. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.6. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 4.7. De kinderrechter overweegt dat de volgende doelen zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] : [minderjarige] ontwikkelt emotionele banden met leeftijdsgenoten; zij kent de zwaktes en gebreken van de ouder(s). De inhoud van het doel is dat er sprake is van een veilige situatie; [minderjarige] wordt weerbaarder tegen haar sociaal netwerk; [minderjarige] is minder afhankelijk van de ouders en het bepaalt een eigen plaats binnen de veranderende relaties in het gezin en de familie. 4.8. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Vergeleken met de afgelopen zitting in augustus 2025 zijn de zorgen die hebben geleid tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] (over de alcoholverslaving van de moeder, de beperkte betrokkenheid van de vader en de praktische en financiële belemmeringen van de ouders) niet veranderd. De zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en haar ouders verloopt wisselend. De ouders zeggen voortdurend afspraken af, zij komen niet op tijd en/of zij brengen [minderjarige] niet op tijd terug, met als gevolg dat de regeling is teruggebracht tot eenmaal per twee weken. Daarnaast is de WMO-ondersteuning gestopt, ondanks dat het ouders zelf niet lukt om praktische zaken voor zichzelf en voor [minderjarige] te regelen. Ouders zijn hierin ook ambivalent. Tegelijkertijd worden belangrijke (gezags)zaken over [minderjarige] niet (tijdig) genomen, ondanks dat de GI en de betrokken hulpverlening vanuit [hulpverlening] op allerlei manieren (praktisch en financieel) hebben bijgesprongen. Het perspectiefonderzoek is niet van de grond gekomen omdat Sterk Huis daartoe geen mogelijkheden ziet vanwege de alcoholverslaving van de moeder en de taalbarrière. Een eerder onderzoek dat is uitgevoerd vanuit De Gezinsmanager heeft tot slot niet geleid tot duidelijke uitkomsten omdat de ouders onvoldoende hun medewerking daaraan hebben verleend. Gelet op al het voorgaande worden er geen mogelijkheden meer gezien om de zorgen die er zijn, weg te nemen en de gestelde doelen te behalen. De GI heeft daarom aan de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel en om in dat kader een uitspraak te doen over het perspectief van [minderjarige] . Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat, acht de kinderrechter het van belang dat de GI in het gedwongen kader betrokken blijft en dat [minderjarige] in het gezinshuis kan blijven wonen. 4.9. Daarmee wordt, naar het oordeel van de kinderrechter, nog steeds voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het (mondeling gewijzigde) verzoek daarom toewijzen in die zin dat zij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de (verzochte) duur van een jaar, met ingang van 2 maart 2026 en tot 2 maart 2027, en dat zij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening zal verlenen met ingang van 2 maart 2026 tot 2 maart 2027. 4.10. De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 maart 2026 en tot 2 maart 2027; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 2 maart 2026 en tot 2 maart 2027; 5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig.