Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2316
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,179 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2316 text/xml public 2026-04-01T14:18:32 2026-03-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-26 C/02/444464 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2316 text/html public 2026-03-31T11:24:41 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2316 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-02-2026 / C/02/444464 Machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. Er is sprake van parentificatie. De moeder moet eerst aan zichzelf gaan werken voordat minderjarige terug kan worden geplaatst. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444464 / JE RK 26-156 Datum uitspraak: 26 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. N. Schiettekatte uit Rotterdam, ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. M.S. Krol, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026; het verzoek van de GI van 27 januari 2026 inhoudende de vraag het verzoek met spoed in behandeling te nemen; het stelbericht van mr. N. Schiettekatte van 5 februari 2026; het bericht van de vader van 24 februari 2026 inhoudende dat hij het eens is met het verzoek tot uithuisplaatsing bij de grootouders (vz) en dat hij niet aanwezig zal zijn; het bericht van de GI van 24 februari 2026 inhoudende het verzoek [minderjarige] digitaal aanwezig te laten zijn bij het kindgesprek. 1.2. Van de vader heeft de kinderrechter vernomen dat hij niet naar de rechtbank kon komen in verband met fysieke omstandigheden. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten zonder de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar. 1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover (via teams) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij de grootouders (vz). 2.3. Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 13 oktober 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 juli 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij haar grootouders voor de duur van de ondertoezichtstelling voert de GI, samengevat, het volgende aan. [praktijk 1] geeft aan dat [minderjarige] voor haar moeder zorgt op het moment dat het niet goed gaat met de moeder. Dat is niet alleen het geval wanneer sprake is van een terugval bij de moeder. [minderjarige] maakt zich veel zorgen om de moeder. Dit vindt de GI zorgelijk. [minderjarige] vindt het fijn bij haar opa en oma. Zij geeft aan wel het liefste bij haar moeder te wonen. Ook koppelt [minderjarige] hoe het met haarzelf gaat aan hoe het met haar moeder gaat. In de periode dat het goed gaat met de moeder heeft [minderjarige] het heel fijn bij haar en gaat het goed op school, maar afgelopen jaren heeft het erg gewisseld in hoe het gaat. Zo ook de recente flinke terugval van de moeder. De moeder was onder invloed en daardoor is een gevaarlijke situatie op de weg ontstaan. [minderjarige] was daarbij aanwezig en heeft daar nog steeds veel last van. De GI heeft voorwaarden voor de moeder gesteld. Een daarvan is dat sprake moet zijn van fijn contact tussen [minderjarige] en de moeder. Er is afgesproken dat de moeder iedere zaterdag naar [minderjarige] gaat. In de praktijk blijkt dat lastig. [minderjarige] is daardoor teleurgesteld. De GI ziet dat de moeder heel graag wil, maar dat het haar niet altijd lukt. Dat uit zich in het afzeggen van afspraken, het niet houden van het overzicht en het niet geven van prioriteit aan haar behandeling. Daarnaast is een van de voorwaarden dat de moeder haar leven op orde maakt zonder [minderjarige] . Pas als dat gelukt is, kan worden gekeken of [minderjarige] terug kan naar de moeder. Een andere belangrijke voorwaarde is dat de moeder moet meewerken aan urinecontroles. De moeder wordt getriggerd in haar trauma door momenten van stress. Na zes weken zullen de voorwaarden worden geëvalueerd. De moeder is eerder klinisch opgenomen geweest. Zij heeft dus alle kennis en handvatten om ervoor te zorgen dat zij niet opnieuw terugvalt, maar het is lastig dit in de praktijk toe te passen. Bij [praktijk 2] wordt de focus gelegd op het vermijden van stressvolle situaties en er wordt toegewerkt naar een EMDR-traject. De moeder is er op dit moment nog aan niet toe om met een EMDR-traject te starten. Het lijkt erop dat de persoonlijke problematiek van de moeder op de voorgrond staat en dat dit dus eerst aangepakt moet worden. Er is onvoldoende vertrouwen dat het de moeder in een ambulante setting lukt om deze hulpverlening in te zetten. Bovendien zou dat een herhaling van zetten zijn. Daarom is een aanmelding gedaan bij [hulpverlening] . Er is een wachttijd van vier maanden. In de tussentijd kan de moeder laten zien dat zij clean is en blijft. In het moeder-kind huis kan aan haar opvoedvaardigheden worden gewerkt en kan een observatietraject worden ingezet. [praktijk 2] kan het EMDR-traject overdragen aan [hulpverlening] . Het observatietraject en het EMDR-traject zullen niet tegelijkertijd lopen. Het zal veel tijd en energie van de moeder vragen om alles op de rails te krijgen. Daarom is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk voor de duur van de ondertoezichtstelling. 5 De standpunten van belanghebbenden 5.1. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de uithuisplaatsing, maar dat zij zich niet kan vinden in de invulling daarvan. De moeder heeft spijt van wat er is gebeurd, maar de trigger die heeft geleid tot de afgelopen terugval was juist de mogelijke opname bij [hulpverlening] . De GI pusht op een gezinsopname, terwijl de moeder duidelijk aangeeft dat niet te willen omdat zij verwacht dat zij getriggerd zal worden door de andere ouders en kinderen. Zo’n opname is eerder al eens fout gegaan. Bovendien kan een observatie ook in een minder zwaar kader plaatsvinden. Het probleem is niet dat de moeder niet over de juiste opvoedvaardigheden beschikt. Uit een eerdere beschikking van uw rechtbank – die niet bij de stukken zit – blijkt dat wanneer de moeder getriggerd wordt of gestrest is zij haar opvoedvaardigheden niet in acht neemt. Er staat in die beschikking dus niet dat de moeder die vaardigheden niet heeft. De moeder heeft inzicht in haar triggers en weet wanneer ze in middelengebruik terugvalt. Zij gaat daaraan werken in haar behandeling. De moeder heeft een hulpvraag en vindt het fijn om hulpverlening en ondersteuning te ontvangen. Er is stabiliteit en rust nodig. Ze mist [minderjarige] , maar ze heeft op dit moment wel rust. De moeder vindt het fijn dat de vader meer contact heeft met [minderjarige] . Dat geeft de moeder rust.
Volledig
De komende periode moet gericht zijn op de terugplaatsing van [minderjarige] en wat er nodig is voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder heeft de contactmomenten op sommige momenten afgezegd omdat het emotioneel niet haalbaar voor haar was en zij [minderjarige] daar niet mee wilde belasten. 6 De beoordeling Wettelijk kader 6.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid Inhoudelijke beoordeling 6.2. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Er bestaan zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Er is sprake van parentificatie. Zeker gelet op de leeftijd van [minderjarige] zou zij zich met andere zaken moeten bezig kunnen houden dan met de problemen van de moeder en het zorgen voor haar moeder. Ook moet [minderjarige] niet geconfronteerd worden met de trauma’s van de moeder. De moeder is van ver gekomen, maar er moet ook nog veel gedaan worden. De moeder is gestart bij [praktijk 2] en zal toewerken naar een EMDR-traject. Dat is een heftig traject dat veel teweeg kan brengen bij haar. De moeder kan dit pas aangaan als sprake is van een stabiele en rustige situatie. Als daar geen sprake van is, is een EMDR-traject niet zinvol. De moeder moet dus met zichzelf aan de slag. Zij moet haar triggers opruimen en voor zichzelf kunnen zorgen voordat zij weer de volledige opvoedingsverantwoordelijkheid voor [minderjarige] kan dragen. Wel is het belangrijk dat er goed contact blijft tussen moeder en dochter. Zij houden veel van elkaar. [minderjarige] mist haar moeder. Er moet echter wel sprake zijn van zorgeloos contact. [minderjarige] moet weer het kind kunnen zijn in de relatie met haar moeder. 6.3. De kinderrechter benadrukt dat de machtiging die wordt verleend een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is, in dit geval bij de opa en oma (vz) van [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt de zorgen van de moeder over een gezinsopname en een observatietraject bij [hulpverlening] . Het is aan de GI deze zorgen van de moeder en haar eigen visie op hoe zij zal reageren op een opname bij [hulpverlening] , mee te nemen in het onderzoek naar wat er nodig is om te komen tot een thuisplaatsing van [minderjarige] . Het belangrijkste daarin is dat de moeder stabiel wordt en dat sprake is van een veilige hechting tussen de moeder en [minderjarige] . Mogelijk zijn er andere hulpverleningstrajecten in te zetten om dit te bereiken. Het is aan de GI om dit te onderzoeken. Ondertussen is het belangrijk dat [minderjarige] veilig is en de dingen kan doen die passen bij haar leeftijd. Daarom acht de kinderrechter het in haar belang dat zij voorlopig bij haar opa en oma (vz) woont. Het verzoek van de GI zal dus worden toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 6.4. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar grootouders blijft wonen en dat zij niet vanwege een hoger beroep weer moet verhuizen. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootouders (vz)), met ingang van 26 februari 2026 tot 15 juli 2026; 7.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.