Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:230
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,033 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:230 text/xml public 2026-01-29T10:00:37 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 BRE 24/2024 t/m 24/2028 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:230 text/html public 2026-01-28T12:49:32 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:230 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / BRE 24/2024 t/m 24/2028 8:55 Verzet gegrond voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling in beroep. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/2024 tot en met 24/2028 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., belanghebbende (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert in verzet aan dat de handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL van de herinneringsnota van 4 april 2024 niet zijn handtekening is. Gemachtigde heeft geen herinneringsnota ontvangen. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Algemene betwisting track-and-trace gegevens PostNL 2.3. Gemachtigde ontkent (in meerdere procedures) dat hij aangetekende zendingen heeft ontvangen en dat de geplaatste handtekening op de track-and-trace informatie van PostNL de zijne is en verwijst naar de door hem ingediende processtukken. 2.4. Alle correspondentie aan gemachtigde wordt verzonden naar het door hem opgegeven [postbusadres]. Deze postbus bevindt zich op een PostNL-punt in een winkel van Primera aan het [adres] in [plaats]. Gemachtigde heeft in 2023 in meerdere verzetzaken met dezelfde argumenten de ontvangst van in die zaken door de rechtbank aangetekend verzonden stukken betwist. Na de zitting in die zaken heeft de heffingsambtenaar in één van die zaken gemeld dat hem bij navraag was gebleken dat de eigenaar en medewerkers van de Primera toegang hebben tot (een afschrift van) het identiteitsbewijs van gemachtigde en dat de afspraak geldt dat zij namens gemachtigde voor ontvangst van de aangetekende brieven tekenen. Deze werkwijze zou volgens die melding zijn ontstaan omdat gemachtigde veel aangetekende post ontvangt en het zowel de eigenaar van de Primera als gemachtigde het op deze manier veel tijd bespaart. De (betwisting van de) ontvangst van aangetekende brieven in deze zaak 2.5. De brief van 4 april 2024 is aangetekend verzonden en volgens de track-and-trace informatie van PostNL is op 9 april 2024 voor ontvangst getekend. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook is ontvangen. Het is immers in de eerste plaats gemachtigde zelf die voor alle correspondentie een postbusnummer opgeeft. De rechtbank acht het onaannemelijk dat gemachtigde de brief van 4 april 2024 niet heeft ontvangen. De ontkenning van gemachtigde dat de handtekening op het afhaalbericht de zijne is, is in dit geval een onvoldoende betwisting van de ontvangst. Er zijn verder, behoudens de ontkenning van de gemachtigde, geen aanwijzingen dat hij de brief niet zou hebben ontvangen. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank voldoende vaststaan dat gemachtigde de brief heeft ontvangen. Belanghebbende was dan op de hoogte van de verplichting om het griffierecht te betalen en heeft geen goede reden gegeven waarom dit niet tijdig is gebeurd. Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 19 september 2025 is dan ook juist. Immateriële schade en proceskostenvergoeding 2.6. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien het beroep niet-ontvankelijk is wegens niet betalen van griffierecht, er als uitgangspunt geen recht bestaat op immateriëleschadevergoeding, tenzij de beroepsprocedure meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. Indien de rechtbank na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard. 2.7. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 7 februari 2024. De beroepsprocedure, inclusief de verzetprocedure, heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. In dat geval moet de rechtbank een beslissing nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar. 2.8. Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat het (pro forma) bezwaarschrift op 26 mei 2023 is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 29 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond acht maanden is overschreden. Deze overschrijding is voor een half jaar toe te rekenen aan de rechtbank. Belanghebbende heeft in de uitspraak 19 september 2025 een vergoeding gekregen van € 500,- per halfjaar termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft daarom niet nogmaals recht op een (aanvullende) immateriëleschadevergoeding. Proceskostenvergoeding 2.9. Gemachtigde voert in verzet aan dat de proceskostenvergoeding in de uitspraak van 19 september 2025 niet juist is berekend. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en daarom factor 1,5 dient te worden toegepast, omdat de beroepen zien op meerdere objecten. Deze grond slaagt. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 35,03. Conclusie en gevolgen 3. Het verzet is gegrond voor zover het ziet op de proceskostenveroordeling in beroep. Om die reden ziet de rechtbank ook aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de verzetprocedure. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 35,03. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling in beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van 19 september 2025 voor zover deze ziet op de beslissing omtrent de proceskosten; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor zover het ziet op de beroepsprocedure tot een bedrag van € 35,03; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor zover het ziet op de verzetprocedure tot een bedrag van € 35,03. wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.