Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:228
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,882 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:228 text/xml public 2026-01-29T10:00:53 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 BRE 25/1930 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:228 text/html public 2026-01-28T15:49:06 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:228 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / BRE 25/1930 8:55; Verzet ongegrond. De rechtbank heeft binnen de gestelde termijn geen machtiging van de bevoegd bestuurder van belanghebbende ontvangen. De rechtbank heeft ook geen statuten ontvangen waaruit zou blijken dat de overgelegde machtiging voldoende is. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/1930 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende (gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels), tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen. Procesverloop 2. Bij brief van 8 april 2025 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging en uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te overleggen. Hierop heeft hij gereageerd bij brief. Mr. Bartels heeft verschillende uittreksels uit het handelsregister van 4 november 2024 overgelegd en een machtiging op naam van [naam 1]. 2.1. De griffier heeft mr. Bartels verzocht om een machtiging te overleggen ondertekend door de bevoegd bestuurder van belanghebbende, [naam 2]. Op 8 mei 2025 heeft mr. Bartels verschillende uittreksels uit het handelsregister van 22 april 2022 overgelegd met de opmerking dat de rechtbank zich vergist. 2.2. Bij brief van 18 augustus 2025 heeft de griffier mr. Bartels nogmaals in de gelegenheid gesteld een machtiging te overleggen die is ondertekend door de bevoegd bestuurder van belanghebbende, zoals dat volgt uit een recent uittreksel uit het handelsregister. 2.3. Mr. Bartels heeft op 3 september 2025 nogmaals dezelfde stukken ingediend als genoemd onder 2. 2.4. De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 september 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 3.1. Mr. Bartels voert in verzet aan dat hij wel de juiste stukken heeft overgelegd en bevoegd is namens belanghebbende op te treden. Ook heeft mr. Bartels in verzet nogmaals dezelfde machtiging van [naam 1] overgelegd. 3.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3.3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat (recente) uittreksels uit het handelsregister worden overgelegd. 3.4. Uit de uittreksels uit het handelsregister van 4 november 2024 blijkt dat [naam 2] uiteindelijk bevoegd bestuurder van belanghebbende is. Bij brieven van 24 april 2025 en 18 augustus 2025 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om de juiste machtiging te overleggen. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook zijn ontvangen blijkens de reactie van mr. Bartels op de brieven. Dat de gevraagde stukken niet worden ingediend is een omstandigheid die voor rekening van belanghebbende kan worden gelaten. 3.5. Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen machtiging van de bevoegd bestuurder van belanghebbende heeft ontvangen. De rechtbank heeft ook geen statuten ontvangen waaruit zou blijken dat de overgelegde machtiging voldoende is. Conclusie en gevolgen 4. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Immateriëleschadevergoeding 4.1. Nu niet is gebleken dat mr. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen, kan er ook geen sprake zijn van enige spanning of frustratie bij belanghebbende dat zou zijn te wijten aan het handelen of nalaten van de rechtbank of heffingsambtenaar. Mr. Bartels is tenslotte niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriëleschadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet ongegrond; wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).