Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2251
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,048 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2251 text/xml public 2026-03-27T11:40:05 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/444092 / JE RK 26-83 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2251 text/html public 2026-03-27T10:57:38 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2251 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/444092 / JE RK 26-83 Ondertoezichtstelling - geen contact tussen kind en vader - aanhoudende spanningen tussen de ouders - zorgen over de houding van vader ten opzichte van moeder en hulpverlening - geen vertrouwen in vrijwillig kader. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444092 / JE RK 26-83 Datum uitspraak: 24 februari 2026 beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Koҫak te Rotterdam, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal. De kinderrechter merkt als informant aan: STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoek van de Raad met bijlage, ingekomen op 16 januari 2026; - het stelbericht van mr. Koçak van 27 januari 2026; - het stelbericht van mr. Teusink van 27 januari 2026; - het bericht van de GI van 3 februari 2026, betreffende het verzoek om digitaal aan de zitting deel te mogen nemen; - het bericht van de griffier aan de GI van 12 februari 2026, betreffende een afwijzing van het verzoek van de GI om digitaal bij de zitting te mogen aansluiten; - het bericht met bijlage van mr. Teusink van 16 februari 2026. 1.2. Op 17 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabische taal; - een vertegenwoordigster van de Raad, - twee vertegenwoordigsters van de GI. 1.3. Gelet op de nauwe samenhang tussen het verzoek van de Raad in deze zaak en de resterende verzoeken van de ouders in de zaak met kenmerk C/02/428603 FA RK 24-5251 zijn deze zaken gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij separate beschikking van heden beslist. 2 De feiten 2.1. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank bij beschikking van 8 april 2025 in de voormelde zaak met kenmerk C/02/428603 / FA RK 24-5251 bepaald dat [minderjarige] voorlopig haar hoofdverblijf heeft bij de moeder. Tevens is bepaald dat er sprake is van een voorlopige zorgregeling waarbij [minderjarige] en de vader contact met elkaar hebben elke zondag van 13.00 tot 16.00 uur. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van negen maanden. 3.2. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de Raad 4.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Al vanaf de geboorte van [minderjarige] , in september 2023, is er sprake van spanningen, onrust en conflicten tussen haar ouders waarvoor op diverse momenten ook politiebemoeienis noodzakelijk is geweest. [minderjarige] is daar ook bij aanwezig geweest. Daarnaast heeft er van oktober 2024 tot april 2025 geen contact plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. Ook op dit moment hebben zij geen contact met elkaar. De moeder heeft de omgang in september 2025 stopgezet omdat er vermoedens waren dat de vader [minderjarige] wilde meenemen naar Syrië. De spanning tussen de ouders en het ontbreken van structureel contact met de vader, leidt tot een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . 4.2. De communicatie tussen de ouders is niet goed. Het lukt hen samen niet om afspraken over [minderjarige] te maken. Ook hebben er incidenten tussen hen plaatsgevonden. Zo heeft de moeder aangifte gedaan tegen de vader op basis van zijn dreigementen haar te zullen vermoorden. De familie van de moeder zou berichten hebben ontvangen met de strekking dat zij zou moeten worden vermoord. Ook zou de vader de moeder al langere tijd stalken. Voor de moeder is hierop ambulante Safegroup ingezet. Op dit moment is deze hulpverlening niet meer betrokken, omdat er geen acute dreigende situatie wordt gezien. 4.3. Bij het gezin was eerder ook [jeugdhulp] betrokken. Vanuit deze hulpverlening, die de omgang tussen de vader en [minderjarige] begeleidde, wordt gezien dat de vader geen reëel beeld heeft over de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] . Hij weet niet wat daarin leeftijdsadequaat is. Uit de rapportage van het traject van het Uniform Hulpaanbod volgen ook zorgen over de vader. Zo heeft hij geen zelfinzicht, wantrouwt en controleert hij de omgeving van de moeder en is hij veeleisend en onbehoorlijk tegen de hulpverlening. Hij kan richting hulpverlening dominant en dreigend worden als hij het gevoel heeft dat er niet naar hem wordt geluisterd. De Raad acht hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk, omdat hulpverlening in een vrijwillig kader eerder voortijdig is afgebroken en de vader het lastig vindt om zich aan afspraken te houden. 4.4. De Raad acht het van belang dat wanneer er een ondertoezichtstelling komt er MASIC wordt ingezet. Ook is het belangrijk dat de vader en [minderjarige] weer contact hebben met elkaar. Dit kan door het inzetten van omgangsbegeleiding. Verder is het nodig dat de ouders werken aan hun onderlinge communicatie en samenwerking. 4.5. Desgevraagd licht de Raad toe dat de verzochte duur van de ondertoezichtstelling te kort is; er is veel hulpverlening nodig en de verwachting is niet dat binnen negen maanden alle doelen zijn behaald en de zaak naar het vrijwillig kader kan worden overgedragen. Als de ouders daarmee instemmen is de Raad bereid het verzoek te wijzigen, in die zin dat de duur van de ondertoezichtstelling twaalf maanden wordt. Ter zitting is echter gebleken dat niet beide ouders daarmee instemmen. Daarom wordt het verzoek gehandhaafd voor de periode van negen maanden. 5 Het standpunt van belanghebbenden en informant 5.1. Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij een ondertoezichtstelling als een persoonlijk falen zal ervaren, terwijl het de vader is die deze situatie heeft veroorzaakt. De moeder heeft haar best gedaan met het begeleide omgangstraject. Dit traject heeft zij echter gestopt vanwege de houding van de vader. De moeder is bang voor de mogelijk verstrekkende consequenties die een ondertoezichtstelling kan hebben. Wanneer [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld, zal de moeder zorgen dat de hulpverlening voldoende zicht krijgt op haar situatie. Voor de moeder is daarbij belangrijk dat hulpverlening ziet wat de situatie met haar en met [minderjarige] doet. Anderzijds acht de moeder begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader nodig en is het goed als de GI daarop regie voert. De moeder is niet akkoord met een vermeerdering van het verzoek, zodat de totale duur van de ondertoezichtstelling twaalf maanden wordt. Zij ziet de ondertoezichtstelling niet als een oplossing, maar als een belasting. 5.2. Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat de vader akkoord is met een ondertoezichtstelling. De vader zou er geen bezwaar tegen hebben als de ondertoezichtstelling twaalf maanden zou duren. Voor de vader is contactherstel met [minderjarige] van het grootste belang. Hij heeft [minderjarige] sinds september 2025 niet meer gezien.
Volledig
Inmiddels heeft de gemeente een beschikking afgegeven voor hulpverlening van Care Forward in het kader van begeleide omgang. Dit kan direct worden opgepakt. De vader zal meewerken aan de hulpverlening en hij zal zich aan afspraken houden. De vader betreurt dat er in de stukken een negatief beeld over hem wordt geschetst. De vader voelde zich bij de hulpverlening niet gehoord. Hij ontkent de in de stukken, zoals in de eindevaluatie van [jeugdhulp] , omschreven wijze van bejegening door hem van hulpverleners. 5.3. Namens de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat het verzoek van de Raad wordt ondersteund. De GI is inderdaad voornemens om MASIC in te zetten. Duidelijk moet worden wat er precies tussen de ouders speelt. Wanneer het verzoek wordt toegewezen zal er niet direct een vaste jeugdbeschermer aan het gezin worden toegewezen. Eerst zal het monitoringsteam betrokken zijn. Een lid van dit team zal kennismaken met de ouders en voor zover mogelijk de eerste hulpverlening in gaan zetten. Dat de gemeente een beschikking voor begeleide omgang heeft afgegeven is daarbij helpend. De GI zal daarnaast aandacht hebben voor de culturele achtergrond van de ouders. De GI acht de verzochte duur van negen maanden te kort. Er is naar verwachting een langere periode nodig om aan de doelen te werken. Een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden is dan ook wenselijk. 6 De beoordeling Wat zegt de wet? 6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 6.2. Uit de overgelegde stukken en wat besproken is tijdens de zitting is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Hij neemt daarbij onder meer in aanmerking dat er sprake is van spanningen en onrust tussen de ouders. Het lukt hen niet om afspraken met elkaar te maken en gezamenlijk te handelen in het belang van [minderjarige] . Daarbij komt ook dat [minderjarige] en de vader al geruime tijd, en in meerdere periodes, geen contact met elkaar hebben, waardoor het niet lukt om een band met elkaar op te bouwen. Naar het oordeel van de kinderrechter brengt dit met zich mee dat [minderjarige] in haar sociaal-emotionele ontwikkeling wordt bedreigd. 6.3. Gelet op de bestaande problemen tussen de ouders heeft de kinderrechter er geen vertrouwen in dat het hen samen binnen afzienbare tijd in het vrijwillig kader zal lukken om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] af te doen nemen. De situatie is daarvoor simpelweg te complex; zo communiceren de ouders niet met elkaar, waardoor het hen niet lukt om afspraken met elkaar te maken. Ook is uit de overgelegde stukken gebleken dat de moeder angst heeft voor de vader. De vader zou haar stalken en bedreigen, waarvoor zij meermalen aangifte deed en politiebetrokkenheid nodig was. Samen met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de houding van de vader ten opzichte van de moeder, maar ook ten opzichte van de hulpverlening, zoals onder meer beschreven in de eindevaluatie van [jeugdhulp] . Hoewel de vader de in onder andere die eindevaluatie van [jeugdhulp] genoemde wijze van bejegening richting hulpverlening ontkent, heeft de kinderrechter geen reden om aan de inhoud van de stukken te twijfelen. Wanneer de vader de situatie ten goede wil keren, zal hij zijn houding moeten veranderen en zal hij ervoor open moeten staan om zijn aandeel in de problematiek onder ogen te komen. Elke grote verandering begint bij een kleine stap. Het is aan de vader om die kleine stap te gaan zetten. Ook van de moeder wordt verwacht dat zij de juiste stappen zet om tot herstel van de communicatie met de vader te komen. Daarnaast wordt van haar verwacht dat zij zich inzet voor herstel van het contact tussen [minderjarige] en haar vader. 6.4. Evenals de Raad ziet de kinderrechter dat de inzet van vrijwillige hulpverlening is gestopt door de houding van de vader. Dit in combinatie met het wantrouwen tussen de ouders en de angst van de moeder maakt dat hulpverlening in een gedwongen kader noodzakelijk is. Regievoering van de GI en het stellen van duidelijke kaders is noodzakelijk. De kinderrechter onderschrijft de noodzaak van het inzetten van MASIC, zodat onder meer duidelijk kan worden of er partnergeweld speelt of speelde en zo ja, in welke vorm. Daaruit zal ook duidelijk moeten worden of en in hoeverre er sprake is van veiligheidsrisico’s. Tegelijkertijd dient ook zicht te komen op de situatie van beide ouders en dient onderzoek te worden gedaan naar de mogelijkheid van contactherstel tussen [minderjarige] en haar vader en in welke vorm dit moet geschieden. De inzet van begeleide omgang is, in ieder geval in de herstartfase, daarin evident. De inzet van een derde is gezien de (recente) ontwikkelingen noodzakelijk geworden. Het is aan de GI, als derde, om alles weer vlot te trekken en vervolgens te monitoren en verder te evalueren wat hierin de vervolgstappen zijn. Daarnaast dienen de ouders te worden begeleid in het verbeteren van de communicatie. 6.5. Het voorgaande leidt ertoe dat voldoende grond aanwezig om, op grond van artikel 1:255 BW, [minderjarige] , in haar belang, onder toezicht van de GI te stellen. Het verzoek van de Raad zal dan ook worden toegewezen voor de verzochte duur. Doelen 6.6. Als doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling door de GI en de ouders gewerkt dient te worden, worden aangemerkt: - [minderjarige] wordt niet geconfronteerd met ruzies, spanningen en onrust tussen haar ouders; - [minderjarige] heeft een prettig, onbelast en structureel contact met haar beide ouders en haar halfbroers en halfzussen; - Ouders hebben een constructieve onderlinge communicatie en samenwerking met elkaar en maken afspraken met elkaar in het belang van [minderjarige] ; - Ouders uiten zich respectvol over elkaar en accepteren ieders rol in het leven van [minderjarige] ; - Er is via MASIC zicht gekomen op wat de situatie tussen de ouders is en of er sprake is van veiligheidsrisico’s. Tenslotte worden alle betrokkenen verwezen naar de heden gegeven beschikking in de voormelde zaak met kenmerk C/02/428603 / FA RK 24-5251. Een afschrift van deze beschikking zal aan de ouders, de Raad en ook de GI worden toegestuurd. 6.7. De kinderrechter acht strakke regievoering van de GI nodig. Hij verzoekt de GI dringend om op korte termijn een vaste jeugdbeschermer, met een stevige persoonlijkheid, aan het gezin toe te wijzen. De kinderrechter benadrukt dat hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders noodzakelijk is en deze niet kan wachten. In dit kader is mede relevant dat de periode van negen maanden niet voldoende lijkt om alles wat nodig is te realiseren. Deze periode dient dan ook maximaal te worden benut. Het verdient daarbij aanbeveling om hulpverlening in te zetten die rekening houdt met de culturele achtergrond van de ouders en [minderjarige] en om hulpverlening in te zetten van Care Forward, nu de gemeente hiervoor reeds een beschikking heeft afgegeven. 6.8. Gezien het onder 6.7 overwogene wordt nodig bevonden om aan de GI ook een afschrift deze beschikking toe te zenden. Uitvoerbaar bij voorraad 6.9. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6.10. Dit leidt tot de volgende beslissing. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1.