Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:225
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,169 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:225 text/xml public 2026-02-12T15:14:38 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 BRE - 23/11555, 23/11556, 23/11557 en 23/11558 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012808 FutD 2026-0193 NDFR Nieuws 2026/212 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:225 text/html public 2026-01-28T12:58:35 2026-01-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:225 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / BRE - 23/11555, 23/11556, 23/11557 en 23/11558 Navorderingsaanslag IB/PVV 2013 vernietigd, aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 verminderd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 23/11555, 23/11556, 23/11557 en 23/11558 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 januari 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2023, 17 november 2023, 23 november 2023 en 24 november 2023. 1.1. De inspecteur heeft over het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) aan belanghebbende opgelegd. Voor de jaren 2014 tot en met 2016 heeft de inspecteur aanslagen IB/PVV aan belanghebbende opgelegd. De inspecteur heeft gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen IB/PVV ook belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen). Het voorgaande kan als volgt worden samengevat: Zaaknr. Jaar Soort Dagtekening Aanslagnummer Belasting Rente 23/11555 2013 IB/PVV 14-01-2020 [BSN] .H.37.01 € 16.965 € 4.187 23/11556 2014 IB/PVV 27-09-2018 [BSN] .H.46.01 € 40.310 € 5.410 23/11557 2015 IB/PVV 15-03-2019 [BSN] .H.56.01 € 44.458 € 5.291 23/11558 2016 IB/PVV 26-11-2019 [BSN] .H.66.01 € 28.342 € 2.856 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikking ongegrond verklaard en de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard. Het voorgaande kan als volgt worden samengevat: Zaaknr. Jaar Soort Dagtekening Aanslagnummer Belasting Rente 23/11555 2013 IB/PVV 14-01-2020 [BSN] .H.37.01 € 16.965 €4.187 23/11556 2014 IB/PVV 27-09-2018 [BSN] .H.46.01 € 18.045 € 2.421 23/11557 2015 IB/PVV 15-03-2019 [BSN] .H.56.01 € 35.251 € 3.913 23/11558 2016 IB/PVV 26-11-2019 [BSN] .H.66.01 € 28.235 € 2.845 1.3. De rechtbank heeft de zaken op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Gelijktijdig zijn ook de zaken van [persoon 1] , de echtgenoot van belanghebbende, met nummers 22/1764, 22/2096, 22/5536 en 23/1899 tot en met 23/1903, 24/7689, 24/7690, 24/7701, 24/7702, 24/5730, 24/5731, 25/1402 en 25/1403, behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] , [inspecteur 6] en [inspecteur 7] . Van hetgeen ter zitting is besproken is één proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal wordt gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen verzonden. 1.4. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De griffier heeft op 9 september 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende voor de onderhavige zaken is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 9 september 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De rechtbank leidt overigens uit het verdagingsverzoek van de echtgenoot van belanghebbende af dat ook belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat zij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek van haar echtgenoot niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder de aanwezigheid van belanghebbende. Feiten 2. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1975 en is sinds 13 juli 1998 in gemeenschap van goederen gehuwd met [persoon 1] . 2.1. [bedrijf 1] BV ( [bedrijf 1] ) is opgericht op 17 juni 2010. Sinds de oprichting houdt belanghebbende alle aandelen in de vennootschap en is haar echtgenoot enig bestuurder van de vennootschap. Belanghebbende heeft haar aandelen in [bedrijf 1] op 4 september 2015 verkocht aan de Luxemburgse vennootschap [luxemburgse vennootschap] SA. Op 19 juli 2017 is [bedrijf 1] ontbonden door een beschikking daartoe van de Kamer van Koophandel. 2.2. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 heeft belanghebbende gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.904, volledig bestaande uit loon van [bedrijf 1] . De aanslag IB/PVV 2013 is conform de ingediende aangifte vastgesteld. 2.3. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 heeft belanghebbende gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 7.380, bestaande uit een loon van [bedrijf 1] van € 6.904 en hypotheekrenteaftrek van € 14.284. 2.4. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft belanghebbende gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 7.377, bestaande uit een loon van € 6.904 en een hypotheekrenteaftrek van € 14.281. 2.5. De aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 heeft belanghebbende gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.366, volledig bestaande uit loon. 2.6. De inspecteur heeft bij brief van 31 augustus 2015 een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 van de echtgenoot van belanghebbende. Bij brief van 3 februari 2017 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek wordt uitgebreid naar de aangiften IB/PVV 2014 en 2015 van de echtgenoot van belanghebbende. Bij brief van 18 oktober 2017 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek nog verder wordt uitgebreid naar (onder meer) de aangiften IB/PVV 2016 van de echtgenoot van belanghebbende. 2.7. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport dat op 19 december 2017 aan de echtgenoot van belanghebbende is toegezonden. 2.8. De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport correcties op de door haar echtgenoot in de aangiften IB/PVV vermelde belastbaar inkomen uit werk en woning aangebracht en is bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2013, 2014, 2015 en 2016 afgeweken van de ingediende aangiften. Ter behoud van rechten zijn door de inspecteur (nagenoeg) dezelfde correcties op de aangiften IB/PVV van belanghebbende aangebracht, waarbij de correcties bij belanghebbende als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking zijn genomen. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 afgeweken van de ingediende aangiften en hij heeft een navorderingsaanslag IB/PVV 2013 aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1). 2.9. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben samen met de inspecteur een mediationtraject doorlopen vanaf 1 november 2018. Het mediationtraject is zonder succes beëindigd op 3 februari 2020. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het recht van belanghebbende om te worden gehoord in de bezwaarfase is geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht van belanghebbende niet geschonden. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 moet worden vernietigd en dat de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 moeten worden verminderd.
Volledig
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf De dossiers 4. De rechtbank heeft een groot aantal zaken van belanghebbende en haar echtgenoot gelijktijdig op zitting behandeld. Voor deze zaken zijn verschillende dossiers aangelegd, die bestaan uit een veelheid aan stukken. De rechtbank heeft ter zitting medegedeeld dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast zullen worden beschouwd. Dat betekent dat de rechtbank in haar beoordeling van de zaken alle stukken die zijn gewisseld in ieder dossier zal betrekken. Geen schending van het hoorrecht 4.1. Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet zelf door de inspecteur is gehoord in de bezwaarfase. Belanghebbende wijst erop dat haar echtgenoot en zijn toenmalig gemachtigde [persoon 2] weliswaar zijn gehoord en dat toen ook haar zaken zijn besproken, maar dat zij hen nooit een machtiging heeft gegeven om namens haar op te treden. 4.2. De inspecteur stelt dat hij ervan uitging dat de echtgenoot en de heer [persoon 2] gemachtigd waren om namens belanghebbende op te treden. Daarbij wijst de inspecteur er in het bijzonder op dat belanghebbende op 20 januari 2017 bij aanvang van de controle een schriftelijke machtiging heeft ondertekend voor de heer [persoon 3] van [bedrijf 2] BV, dat tussendoor een aantal wisselingen van gemachtigde hebben plaatsgevonden, dat met belanghebbende persoonlijk nooit is gecommuniceerd over haar zaken behalve bij het inleidend gesprek en dat belanghebbende nimmer heeft aangegeven zich niet (meer) te willen laten bijstaan door een gemachtigde of haar echtgenoot. De inspecteur is daarom van mening dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht niet geschonden. Vaststaat dat de echtgenoot van belanghebbende en [persoon 2] in de bezwaarfase door de inspecteur zijn gehoord over de zaken van belanghebbende. Uit het dossier blijkt duidelijk dat de echtgenoot van belanghebbende voorafgaand aan het hoorgesprek steeds namens belanghebbende is opgetreden. Belanghebbende heeft op geen enkel moment te kennen gegeven dat zij dit niet (meer) wil. Op grond daarvan heeft de inpsecteur naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs mogen aannemen dat de echtgenoot over een (toereikende) machtiging beschikte voor het voeren van het hoorgesprek. De echtgenoot van belanghebbende heeft met zijn handelen ten minste de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid opgeroepen. (Navorderings)aanslagen IB/PVV 2013 tot en met 2016 5. De inspecteur heeft ter zitting toegezegd dat de correcties die op de aangiften IB/PVV 2013 tot en met 2016 van belanghebbende zijn aangebracht volledig kunnen vervallen als de rechtbank tot het oordeel komt dat de correcties die op de aangiften IB/PVV 2013 tot en met 2016 van de echtgenoot van belanghebbende zijn aangebracht volledig aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank doet op dezelfde dag uitspraak in de zaken over de jaren 2013 tot en met 2016 van de echtgenoot van belanghebbende (zaaknummers 23/1899 tot en met 23/1903) en komt in die uitspraak tot het oordeel dat de correcties als loon worden belast en daarom volledig aan de echtgenoot worden toegerekend. Dat betekent dat de correcties die aan belanghebbende zijn opgelegd – conform de toezegging van de inspecteur – komen te vervallen. De rechtbank gaat daarom om proceseconomische redenen niet meer in op alle beroepsgronden van belanghebbende. 5.1. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikking moeten worden vernietigd. De aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen moeten worden verminderd. 5.2. Bij de vermindering van de aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende en haar echtgenoot in de stukken – ieder afzonderlijk – hebben verzocht om herverdeling van de hypotheekrenteaftrek voor de jaren 2014 en 2015. Dit merkt de rechtbank als uitgangspunt niet aan als een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank heeft ter zitting echter afgestemd dat alle stukken in alle zaken over en weer onverkort als ingelast kunnen worden beschouwd (zie 4). Om die reden zal de rechtbank de afzonderlijke verzoeken van belanghebbende en haar echtgenoot aanmerken als een gezamenlijk verzoek tot herverdeling van de hypotheekrenteaftrek. De inspecteur heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij zich voor dat geval daarin kan vinden. Dat betekent dat de rechtbank de hypotheekrenteaftrek bij belanghebbende – conform het verzoek daartoe – zal vaststellen op € 0 (2014) respectievelijk € 0 (2015). 5.3. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de aanslag IB/PVV 2014 zal verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.904, de aanslag IB/PVV 2015 zal verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.904 en de aanslag IB/PVV 2016 zal verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.366. Bij alle aanslagen wordt niet langer een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. De belastingrentebeschikkingen zullen dienovereenkomstig worden verminderd. Belanghebbende heeft verder geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de belastingrentebeschikkingen. Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn 6. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 6.1. Er bestaat als uitgangspunt recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. 6.2. Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende en haar echtgenoot over de jaren 2013 tot en met 2018 (zaaknummers 22/1764, 22/2096 22/5536, 23/1899 tot en met 23/1903, en 23/11555 tot en met 23/11558) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken bovendien in de beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld en daarbij tussen belanghebbende en haar echtgenoot nagenoeg geen onderscheid is gemaakt, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De omstandigheid dat in de bezwaarfase de behandeling niet gelijktijdig is geweest doet daar niet aan af. 6.3. Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. 6.4. De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift op 18 januari 2018 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 21 januari 2026, en dus afgerond, 97 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank 73 maanden langer geduurd dan de 24 maanden die, in beginsel, als een redelijke termijn kunnen worden beschouwd voor behandeling in bezwaar en beroep. 6.5. De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn met (afgerond) 6 maanden te verlengen in de bezwaarfase. Deze verlenging heeft te maken met de complexiteit en omvang van de zaken en het doorlopen mediationtraject. Voor een verdere verlenging van de redelijke termijn ziet de rechtbank geen aanleiding. 6.6. Rekening houdende met voornoemde verlenging van de redelijke termijn met 6 maanden bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 67 maanden. Dit leidt tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 6.000.
Volledig
Omdat de rechtbank samenhang tussen de zaken van belanghebbende en haar echtgenoot heeft aangenomen, zal de rechtbank de toegekende immateriëleschadevergoeding evenredig over belanghebbende en haar echtgenoot verdelen. Dat betekent dat belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van € 3.000 krijgt. Deze komt voor 59/67e deel (€ 2.642) voor de rekening van de inspecteur en voor 8/67e deel (€ 358) voor rekening van de Staat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de laatste uitspraak op bezwaar is gedaan op 24 november 2023. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn gegrond. De navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen moeten worden vernietigd. De aanslagen IB/PVV 2014, 2015 en 2016 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen moeten worden verminderd. Verder krijgt belanghebbende een immateriëleschadevergoeding van € 3.000 vanwege de lange duur van de procedure. 7.1. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Het totaal door de inspecteur te vergoeden griffierecht bedraagt € 50. 7.2. Verder heeft belanghebbende als uitgangspunt recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat belanghebbende geen kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van de bezwaarfase komen alleen voor vergoeding in aanmerking als daarom in de bezwaarfase ook is verzocht. Dat is niet gebeurd. Verder heeft belanghebbende in beroep geen kosten gesteld die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar; vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de bijbehorende belastingrentebeschikking; vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van 6.904 en vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.904 en vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.366 en vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 2.642; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 358; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 50 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. A.H.W. Steijn, rechters, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1. Artikel 7:15 van de Awb. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.