Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-07
ECLI:NL:RBZWB:2026:223
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,903 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:223 text/xml public 2026-02-13T13:32:37 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-07 11632749 CV EXPL 25-1583 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Tilburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:223 text/html public 2026-02-13T13:31:58 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:223 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 07-01-2026 / 11632749 CV EXPL 25-1583 (E) Vordering tot terugbetaling van € 5.000,00 aan betaalde dwangsommen wordt afgewezen. Het bedrag is terecht betaald wegens uitlatingen in een krantenartikel. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11632749 \ CV EXPL 25-1583 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , beiden wonende te [plaats 1] , eisende partijen, hierna samen te noemen: (in mannelijk enkelvoud) [eisers] , gemachtigde: mr. B.F. Elbé, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [plaats 2] , 2. de besloten vennootschap [gedaagde 2] B.V. , statutair gevestigd te [plaats 3] en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. T.M. ten Velde. 1 De zaak in het kort Het gaat in deze zaak om een vordering van [eisers] tot terugbetaling van € 5.000,00 aan dwangsommen die volgens hem ten onrechte zijn betaald na gelegd executoriaal beslag. [eisers] heeft bij akte vragen van de kantonrechter over de dwangsommen beantwoord en een leesbaar exemplaar van het krantenartikel – op grond waarvan de dwangsommen zouden zijn geïncasseerd – overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat [eisers] de gevorderde dwangsommen terecht betaald heeft wegens uitlatingen van [eiser 1] in het krantenartikel. De vordering zal daarom worden afgewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde processtukken; - de akte van [eisers] met producties; - de antwoordakte van [gedaagden] met producties. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De verdere beoordeling 3.1. Bij tussenvonnis van 15 oktober 2025 is [eisers] in de gelegenheid gesteld om de volgende vragen te beantwoorden: Wanneer is er beslag gelegd op de woning van [eisers] ? Voor welke vordering is er precies beslag gelegd? Welk deel ziet op proceskosten en welk deel ziet op dwangsommen? Indien het beslag (deels) ziet op verbeurde dwangsommen op welke overtreding(en) ziet/zien de dwangsommen precies en hoe zijn de dwangsommen berekend? Wanneer heeft [eisers] het bedrag van € 5.000,00 (waarvan nu terugbetaling wordt gevorderd) betaald aan [gedaagden] ? 3.2. [eisers] heeft die vragen bij akte beantwoord. [eisers] stelt dat: de deurwaarder op 5 april 2024 beslag heeft gelegd op zijn woning; het proces-verbaal van beslaglegging in algemene woorden vermeldt dat [eisers] zich aan het kort geding vonnis van 6 maart 2024 dient te houden; hij in totaal € 15.178,81 heeft betaald waarvan € 9.878,81 aan proceskosten, € 300,00 aan erkende dwangsommen en € 5.000,00 aan dwangsommen op grond van het verbod genoemd in 5.4 van het kort geding vonnis; de betaalde dwangsommen van € 5.000,00 zien op de publicatie in het [dagblad] op 12 maart 2024, die als productie 6a opnieuw wordt overgelegd; zowel op 23 mei 2024 als op 19 juli 2024 een bedrag van € 2.000,00 is betaald, dat op 2 oktober 2024 een bedrag van € 1.900,00 is betaald en op 23 december 2024 een bedrag van € 9.278,81 is betaald. 3.3. [gedaagden] voert bij antwoordakte aan dat: de deurwaarder op 5 april 2024 beslag heeft gelegd op de woning; het proces-verbaal van beslaglegging geen bedrag noemt, maar er beslag is gelegd in verband met de proceskosten en aanvankelijk niet vanwege de dwangsommen; [eisers] is volgens [gedaagden] voor die dwangsommen eerst op 28 juni 2024 aangemaand; de dwangsommen van € 5.000,00 zien op de publicatie van het krantenartikel van 12 maart 2024 en weigering tot rectificatie van de publicatie waardoor de maximale dwangsommen van € 5.000,00 opeisbaar zijn; de door [eisers] gestelde data van betalingen kloppen. 3.4. De kantonrechter stelt op basis van de aktes van partijen vast dat [eisers] een bedrag van € 5.000,00 heeft betaald aan dwangsommen wegens het gepubliceerde (online) artikel in het [dagblad] van 12 maart 2024. In geschil is of [eisers] zich in dat artikel bedreigend, beledigend, misleidend, diffamerend of benadelend heeft uitgelaten over [gedaagden] 3.5. [eiser 1] erkent de in het artikel vermelde citaten gedaan te hebben aan de journalist met betrekking tot de verkoop van zijn onderneming aan [gedaagde 1] . [eiser 1] heeft onder meer gezegd: “We zitten nu echt in zak en as.” (…) “We waren in een jubelstemming, maar zijn van de hemel in de hel beland.” (…) ”Ik vertrouwde hem volledig. (…) “Ik wist niet wat ik hoorde. Toen wij het bedrijf overdroegen, was het kerngezond.” (…) “Ja, ik ben naïef en dom geweest” . Of [eiser 1] ook letterlijk heeft gezegd dat [gedaagde 1] zijn bedrijf door list en bedrog heeft verworven, hetgeen [eisers] betwist, volgt niet uit het artikel en zal verder in het midden worden gelaten. De vermelde citaten in het artikel geven (gezamenlijk) namelijk duidelijk aan dat [eiser 1] zich met betrekking tot de verkoop van zijn onderneming bedrogen voelt door [gedaagde 1] . Met de uitlatingen heeft [eiser 1] [gedaagde 1] in een kwaad daglicht gesteld en heeft zich dus diffamerend en benadelend uitgelaten over [gedaagde 1] . [eiser 1] had dat achterwege moeten laten en heeft met zijn uitlatingen in het artikel het in het vonnis van 6 maart 2024 opgelegde verbod zich niet benadelend uit te laten over [gedaagde 1] overtreden. Die overtreding heeft voortgeduurd omdat het krantenartikel online stond en [eiser 1] weigerde over te gaan tot rectificering. 3.6. [eiser 1] beroept zich op zijn recht op vrije meningsuiting, maar die afweging heeft de voorzieningenrechter al in het vonnis van 6 maart 2024 gemaakt en zij is daarin tot het oordeel gekomen dat het belang van [gedaagde 1] bij een verbod zwaarder weegt dan het belang van [eisers] om het publiek te informeren over het geschil. Er zijn geen andere belangen gesteld aan de zijde van [eisers] die ervoor zorgen dat een belangenafweging (alsnog) in het voordeel van [eisers] dient uit te vallen. Door de uitlatingen in het artikel van 12 maart 2024 en het niet rectificeren van dat artikel, waartoe [eisers] actie had kunnen ondernemen, zijn de maximale dwangsommen van € 5.000,00 verbeurd. De dwangsom bedraagt namelijk € 100,00 voor uitlatingen in het artikel en € 100,00 voor elke dag dat de uitlatingen van [eiser 1] – zoals onder 3.5 genoemd – in het artikel na 12 maart 2024 gehandhaafd zijn gebleven. [eisers] heeft daarom geen recht op terugbetaling van dwangsommen. De vordering van [eiser 1] zal dan ook worden afgewezen. 3.7. [eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 677,50 (2,5 punt × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 812,50 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. wijst de vordering van [eisers] af, 4.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 812,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.