Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:2206
Civiel recht
Rekestprocedure
3,077 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2206 text/xml public 2026-03-27T09:56:37 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-23 C/02/444889 / JE RK 26-228 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2206 text/html public 2026-03-27T09:12:41 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2206 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-02-2026 / C/02/444889 / JE RK 26-228 Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444889 / JE RK 26-228 Datum uitspraak: 23 februari 2026 (nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. M.S. Krol uit Rotterdam. de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de GI. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 10 februari 2026; - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 februari 2026; - de brief van de Raad met bijlagen van 11 februari 2026. 1.2. Op 23 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - de vader; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid haar mening te geven. 2 De feiten 2.1. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. 2.2. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder, maar verblijven bij de vader. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 februari 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 februari 2026 en een spoedmachtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen tot 24 februari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad, naar de kinderrechter begrijpt, een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van twee weken. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor diezelfde duur. Thans ligt aldus nog voor het resterende deel van het verzoek, te weten tot 10 mei 2026 4 De standpunten 4.1. Tijdens de zitting heeft de Raad naar voren gebracht dat een brede machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is, omdat de komende periode door de GI onderzocht moet worden waar de minderjarigen dienen te verblijven en wat het meest in hun belang is. De Raad heeft dit ook als zodanig bedoeld te verzoeken ondanks dat de schriftelijke weergave van het verzoek spreekt van een plaatsing in een pleeggezin, dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De Raad handhaaft het verzoek voor het overige. 4.2. Door en namens de moeder wordt gesteld dat thans geen verzoek voorligt om de minderjarigen bij de vader te plaatsen. De moeder voert verweer tegen de verzoeken. Zij is van mening dat zij goed voor de minderjarigen kan zorgen en er geen sprake is van een zorgelijke situatie. De moeder vraagt een bijzondere curator te benoemen die naast de minderjarigen kan gaan staan. 4.3. De vader stelt dat het goed gaat met de minderjarigen nu ze bij hem verblijven. Hij vindt dat dit zo moet blijven. Van een zorgelijke situatie is bij de vader geen sprake. 4.4. De GI geeft aan reeds korte tijd betrokken te zijn bij de ouders en de minderjarigen. Vast staat dat er de komende periode veel moet gebeuren om de zorgen weg te nemen. 5 De (verdere) beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. 5.2. De kinderrechter heeft in de beschikking van 10 februari 2026 haar zorgen beschreven. Deze zorgen zijn niet weggenomen en de kinderrechter maakt zich dan ook nog altijd grote zorgen over de minderjarigen. De minderjarigen hebben in hun korte leven al veel meegemaakt. Er is een ernstig vermoeden dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd in de opvoedingssituatie bij de moeder. Het ontbrak de minderjarigen bij de moeder structureel aan rust en emotionele veiligheid en de moeder slaagde er niet in in voldoende mate tegemoet te komen aan de behoeften van de minderjarigen. De minderjarigen verblijven op dit moment bij de vader. De kinderrechter is het, net als de Raad en de GI, met de moeder eens dat de komende periode goed onderzocht moet worden waar de minderjarigen op dit moment het meest op hun plek zitten. Ook over de opvoedsituatie van de vader bestaan namelijk zorgen. De vader is veel aan het werk en de vraag is of hij voldoende beschikbaar en aanwezig is voor de minderjarigen. Bovendien is er nog onvoldoende zicht op het eventuele middelengebruik door de vader. De GI heeft de afgelopen twee weken ingezet op het kunnen vormen van een beeld van beide opvoedsituaties, maar heeft hier meer tijd voor nodig. Hoewel de moeder dit anders ziet, is niet gebleken dat de acute veiligheid van de minderjarigen thans in het gedrang is, reden waarom de kinderen op dit moment nog altijd bij de vader verblijven. Of dit een geschikte en passende plek voor de minderjarigen voor langere duur is, is nog onduidelijk. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de komende periode door de GI verder ingezet wordt op het onderzoeken wat de meest veilige en passende verblijfplaats is voor de minderjarigen, zodat op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid zal gaan bestaan over waar de minderjarigen het best zullen gedijen. De kinderrechter is het met de moeder eens dat het terug thuisplaatsen van de minderjarigen bij de moeder ook tot de te onderzoeken mogelijkheden dient te behoren. De kinderrechter is het daarentegen na het advies van de Raad en de GI en op basis van de stukken niet met moeder eens dat kinderen nu terug naar huis kunnen. Anders dan de moeder maakt de kinderrechter zich namelijk nog altijd zorgen over de thuissituatie van de moeder. Daarbij speelt ook een rol dat de minderjarigen hebben aangegeven op dit moment niet naar de moeder te willen gaan en geen contact met de moeder te willen hebben. Ondanks dat de GI heeft ingezet op contactherstel, is dit contact niet tot stand gekomen. 5.3. Zoals reeds hiervoor is overwogen dient de GI in te zetten op het onderzoeken van een veilige verblijfsplaats voor de minderjarigen. Hiervoor is het van belang dat de GI goed zicht zal gaan krijgen op de opvoedsituaties van beide ouders, hun opvoedvaardigheden en de mogelijkheden van ondersteuning van het netwerk van beide ouders daarbij betrekt.
Volledig
Belangrijk hierbij is dat beide ouders hieraan meewerken. Helpend voor het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie van de vader is dat hij heeft aangegeven graag inzicht te geven in zijn thuissituatie en, indien nodig en zoals de moeder al enige tijd doet, wil meewerken aan testen op middelengebruik. Met de Raad acht de kinderrechter het essentieel dat de acute veiligheid van de minderjarigen voorop staat. Dit dient continu gemonitord te worden en hier zal, indien nodig, op geanticipeerd moeten worden. Voorts dient de komende periode gekeken te worden naar wat de minderjarigen nodig hebben. Het valt de kinderrechter op dat de ouders elkaar continu verwijten maken. Belangrijk is dat de ouders uit deze strijd stappen en focus gaan leggen op de behoeften en het welzijn van de minderjarigen Omdat dat de ouders op dit moment niet samen lukt, is het aan de GI hier regie in te voeren en te onderzoeken wat nodig is voor de minderjarigen, en of en welke hulpverlening hier voor moet worden ingezet. Het baart de kinderrechter bovendien zorgen dat de minderjarigen al lange tijd geen contact hebben gehad met de moeder. Gebleken is dat hier bij de minderjarigen weerstand tegen bestaat. Onderzocht zal moeten worden waar deze weerstand vandaan komt en op welke wijze toch gekomen kan worden tot contactherstel en vervolgens -opbouw en in welke vorm. 5.4. Gezien vorengaande stelt de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht tot 10 mei 2026. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen tot 10 mei 2026. 5.5. De kinderrechter zal thans niet overgaan tot benoeming van een bijzondere curator. Ondanks dat de moeder geen vertrouwen heeft in de (wachtlijsten van de) jeugdbescherming, is de kinderrechter van oordeel dat de GI aan de slag kan met de hiervoor genoemde zorgen en resultaten kan gaan behalen. De GI is nog maar zeer kort betrokken, maar heeft zich desalniettemin actief ingezet en zal de komende periode verder gaan werken aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen. Ook zal de GI gaan onderzoeken wat de minderjarigen nodig hebben, waarbij het tot de mogelijkheden behoort een vorm van hulpverlening in te zetten in het belang van de minderjarigen. Daarmee zal dan het door de moeder beoogde doel van benoeming van een bijzondere curator, namelijk iemand die naast de minderjarigen kan gaan staan, ook kunnen worden behaald. De kinderrechter ziet dan ook op dit moment geen noodzaak tot het benoemen van een bijzondere curator voor de minderjarigen, nu de belangen van de minderjarigen de komende periode door de GI zullen worden beschermd en behartigd. 5.6. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026; 6.3. verklaart de beslissing tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026 door mr Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink als griffier, en op schrift gesteld op 6 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).