Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-25
ECLI:NL:RBZWB:2026:2167
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2167 text/xml public 2026-03-28T03:01:43 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-25 C/02/444358 / JE RK 26-134 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2167 text/html public 2026-03-25T12:02:48 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2167 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-02-2026 / C/02/444358 / JE RK 26-134 Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444358 / JE RK 26-134 Datum uitspraak: 25 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] , [oma] , hierna te noemen oma, wonende in [woonplaats 3] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026; het bericht van de GI d.d. 19 februari 2026 met bijlage. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; de moeder; oma; - een tweetal vertegenwoordigsters van de GI. Met bijzondere toestemming was tevens bij de zitting aanwezig de heer [persoon] , werkzaam bij [pleegzorg] . 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1 Het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2 Bij beschikking van 10 maart 2021 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 10 maart 2022. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma moederszijde, met ingang van 10 maart 2021 en tot 10 juni 2021. 2.3. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg zijn bij beschikking van 19 februari 2025 laatstelijk verlengd tot 10 maart 2026. 2.4. Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij oma moederszijde. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 19 februari 2026 een schriftelijk advies uitgebracht krachtens artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat ingestemd wordt met het voorgenomen besluit van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] na twee jaar te verlengen. Dit is volgens de Raad nodig om te zorgen dat in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel de huidige situatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geborgd blijft. 4 De standpunten 4.1. De GI stelt dat de Raad in januari 2026 heeft aangekondigd de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel te gaan onderzoeken. Het perspectiefbesluit is genomen, in die zin dat de kinderen verder zullen opgroeien bij oma. De kinderen ontwikkelen zich prima bij oma en er is sprake van een warme band tussen hen. Om de huidige situatie in afwachting van de bevindingen van de Raad te kunnen blijven borgen, zijn de onderhavige verzoeken ingediend. De GI betreurt de recente ontwikkelingen. Hoewel de kinderen de mening deelden dat zij bij oma willen blijven wonen, heeft [minderjarige 2] in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij per direct bij haar moeder wil gaan wonen. Zij is overstuur geraakt en heeft aangegeven niet meer te willen terugkeren bij oma. De GI vreesde ervoor dat dit zou gaan gebeuren, nu sinds kort is besloten dat de bezoeken van de moeder met de kinderen, die sinds december 2025 weer in contact staat met de kinderen, onbegeleid plaatsvinden. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij zich niet langer fijn voelt bij oma en dat zij per direct bij haar moeder wil gaan wonen. De GI stond hier nog niet geheel achter, omdat de moeder eerder wisselend en onbetrouwbaar in het contact is gebleken. De afspraak is gemaakt dat het de moeder vrij staat om in overleg met oma één keer per maand een bezoekmoment met de kinderen te plannen. Gezien wordt dat [minderjarige 2] er veel verdriet van heeft gehad dat zij haar moeder in de afgelopen jaren zo weinig heeft gezien. Zij wilde dan ook heel graag en heel snel dit contact verder opbouwen. [minderjarige 2] kent een belast verleden, functioneert goed zolang er sprake is van rust en stabiliteit en is gevoelig voor positieve aandacht. Dit maakt dat volgens de GI het contact voorzichtig aan zou moeten worden opgebouwd. [minderjarige 2] kan er niet mee omgaan als mensen druk op haar zetten en trachten haar over te halen. Zij raakt dan in conflict met zichzelf en dit is precies wat afgelopen maandag is gebeurd. Na het gesprek met de kinderrechter heeft er een gesprek tussen [minderjarige 2] , oma en de jeugdbeschermer plaatsgevonden. [minderjarige 2] heeft naar de jeugdbeschermer uitgesproken dat zij zich niet langer veilig voelt bij oma, maar kan dit niet duiden waarom zij dit vindt. Nadat naar [minderjarige 2] is uitgesproken dat bij mama wonen geen optie is, draaide [minderjarige 2] snel bij. Er is voor één nachtje een time-out geregeld bij de [accommodatie] om de volgende dag terug te keren bij oma. Ten aanzien van [minderjarige 1] stelt de GI dat zij minder beïnvloedbaar en meer consistent is in haar mening. Dit neemt niet weg dat de situatie die is ontstaan ook haar heeft geraakt. Beide kinderen hebben tijd nodig om dit te verwerken. De GI acht de omgang met de moeder in het belang van de kinderen, maar dit moet wel plaatsvinden op een emotioneel veilige manier. De GI heeft dan ook besloten om de bezoekmomenten weer onder begeleiding te laten plaatsvinden. Ambulante spoedhulp zal worden ingezet om zicht te krijgen op de dynamiek binnen het gezinssysteem. Daarbij heeft de GI de moeder uitdrukkelijk verzocht om het gesprek met [minderjarige 2] neutraal te houden. Met de inzet van intensieve hulpverlening zal getracht worden de situatie en de onderlinge verhoudingen binnen het gezin te repareren. De GI handhaaft de verzoeken zoals die zijn gedaan. 4.2. De moeder vertelt dat zij in het afgelopen jaar hard gewerkt heeft aan zichzelf. Inmiddels is duidelijk wat er lichamelijk met haar aan de hand is en wat hiervoor nodig is. De kinderen zijn met kerst bij haar op bezoek geweest en daarna zijn er nog een paar leuke bezoekmomenten geweest. Bij de moeder zijn er wel zorgen ontstaan over de situatie van de kinderen bij oma. Ook het contact tussen haar en oma verloopt moeizaam. Oma is vaak niet voor rede vatbaar als de moeder haar zorgen omtrent de kinderen probeert te bespreken. De kinderen voelen zich niet gehoord door oma en worden belast met informatie.
Volledig
Oma probeert de rol van moeder op te pakken, terwijl de moeder nog altijd de met het gezag belaste ouder is. Ook is het voor de moeder niet mogelijk gebleken om haar zorgen met de jeugdbeschermer te bespreken. De jeugdbeschermer laat al 3 jaar niets van zich horen, ook belt zij niet terug als de moeder daarom verzoekt. De moeder vindt het lastig dat [minderjarige 2] blijft vragen om meer tijd bij haar moeder te mogen doorbrengen. Zij weet niet goed hoe zij hierop moet reageren. De moeder staat achter de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] moet worden afgewezen. [minderjarige 2] kan weer bij haar wonen, al heeft zij ook het liefst dat [minderjarige 1] weer naar huis komt. De moeder beseft dat [minderjarige 1] erg trekt naar oma en de moeder kan zich er dan ook in vinden als het verblijf van [minderjarige 1] bij oma voorlopig nog wordt voortgezet. [minderjarige 2] beseft goed wat zij gemist heeft en voelt zich niet langer veilig bij oma. De moeder wil laten zien dat zij klaar staat voor [minderjarige 2] en dat zij in staat is om haar moederrol weer volledig te vervullen. 4.3. De vader benoemt dat hij in het afgelopen jaar geen informatie over de kinderen heeft ontvangen. Hij weet niet hoe het met hen gaat en heeft de kinderrechter dan ook niets te vertellen. 4.4. Oma is erg geschrokken van de recente ontwikkelingen. In de afgelopen jaren hebben de kinderen altijd geroepen dat zij het zo fijn hebben bij oma en dat zij bij haar willen blijven wonen. Oma was dan ook erg verbaasd van de uitspraken die [minderjarige 2] bij de kinderrechter heeft gedaan. Oma heeft altijd naar de kinderen uitgesproken dat zij het contact van de kinderen met beide ouders belangrijk vindt. Dit lukte niet, omdat de kinderen hier niet open voor stonden. Dat [minderjarige 2] zich onveilig voelt bij haar, herkent oma niet. Oma vermoedt dat [minderjarige 2] druk ervaart vanuit de moeder. Oma staat achter de verzoeken van de GI. Het incident van afgelopen maandag bevestigt helaas de noodzaak van de bestaande maatregelen. 4.5. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat zij het heel fijn heeft bij oma. Zij wil graag bij haar blijven wonen. [minderjarige 1] gaat inmiddels 1 keer per maand naar haar moeder en dit vindt zij prima. [minderjarige 1] benoemt dat haar moeder heeft geprobeerd haar over te halen om weer bij haar te komen wonen, maar [minderjarige 1] verandert niet zo snel van mening. [minderjarige 2] daarentegen wel. [minderjarige 1] vindt het prima om weer contact te hebben met haar moeder, maar wil niet meer bij haar wonen. [minderjarige 1] heeft geen contact met haar vader. 4.6. [minderjarige 2] heeft de kinderrechter verteld dat zij heel graag bij mama wil wonen, ondanks dat zij eerder heeft gezegd bij oma te willen blijven wonen. Op het moment dat zij dit vertelt, lopen de emoties hoog bij haar op. [minderjarige 2] merkt dat zij haar moeder erg mist en dat zij bij haar meer dan bij oma zichzelf kan zijn. Oma is erg streng en dit geeft vaak conflicten. Oma praat volgens [minderjarige 2] vaak negatief over mama en heeft moeite met enkele vrienden van haar. [minderjarige 2] heeft aan oma verteld dat zij naar mama wil en oma is toen erg boos geworden, waardoor zij naar de kinderrechter benoemt dat zij die middag niet meer naar huis wil. Ten aanzien van haar vader vertelt [minderjarige 2] dat zij hem niet meer spreekt of ziet. Zij wil dit ook niet meer. [minderjarige 2] heeft er spijt van dat zij op zijn verjaardag contact met hem heeft gezocht. 4.7. De heer [persoon] deelt de visie van de jeugdbeschermer, in die zin dat [minderjarige 2] erg blij was om weer contact te hebben met haar moeder en dat zij hierin erg hard van stapel liep. Gezien wordt dat er onder invloed van de voor [minderjarige 2] belangrijke personen er snel onrust kan ontstaan. Dit is gisteren tijdens en na het gesprek met de kinderrechter ook gebleken. De heer [persoon] heeft [minderjarige 2] na afloop van dit gesprek voor een time-out naar de [accommodatie] gebracht, waarbij hij merkte dat [minderjarige 2] opvallend snel wisselde in haar emoties en opvattingen. De heer [persoon] benoemt dat [minderjarige 1] meer consistent is in haar verhaal. Zij wil niet te hard van stapel lopen in het contact met haar moeder en kent dan ook niet dezelfde behoefte als [minderjarige 2] . 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de hiertoe strekkende verzoeken van de GI toewijzen voor de duur van een jaar en legt hieronder uit waarom. 5.2. De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Beide kinderen kennen verstrekkende problematiek, die niet alleen kindeigen is maar ook voortkomt uit de onrust in hun opvoedomgeving. De GI heeft het perspectiefbesluit genomen, in die zin dat de kinderen zullen opgroeien bij oma. Oma biedt hen een stabiele opvoedsituatie, die tegemoet komt aan hetgeen zij nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met hun vader. Met de moeder staan de kinderen sinds december 2025 weer in contact. De Raad heeft inmiddels aangekondigd een onderzoek te starten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. De kinderrechter is overeenkomstig het advies van de Raad van oordeel dat in afwachting van de bevindingen die uit dit onderzoek zullen voortkomen de sturing en de begeleiding van de GI vanuit het gedwongen kader noodzakelijk is. De doelstellingen die de GI voor ogen houdt in de uitvoering van deze maatregel en zoals die zijn genoemd in het verzoekschrift acht de kinderrechter juist. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de GI betrokken blijft en een strakke regie voert om zodoende ervoor te kunnen zorgen dat er beslissingen worden genomen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verder helpen in hun ontwikkeling. Daarbij is het belangrijk dat de rust en stabiliteit die de kinderen ervaren bij oma behouden blijft en niet doorbroken wordt door onderlinge conflicten en het leggen van druk op de kinderen. Meer dan [minderjarige 1] is [minderjarige 2] een kwetsbaar meisje, die beïnvloedbaar is. Zij heeft behoefte aan duidelijkheid en voorspelbaarheid en raakt met zichzelf in conflict op het moment dat er aan haar getrokken wordt. In dit kader schrikt de kinderrechter van de standvastigheid die de moeder laat zien wanneer zij benoemt dat zij nog altijd de ouder met gezag is en in dit kader een zelfbepalende houding laat zien. De kinderrechter benadrukt dan ook ten zeerste dat er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, welke tot gevolg heeft dat het gezag van een ouder wordt ingeperkt. Van de moeder wordt dan ook verwacht dat zij zich hieraan zal conformeren en dat zij in samenwerking met de GI en oma zal werken aan de gestelde doelen, zonder daarbij een eigen koers te varen. De jeugdbeschermer is degene die beslist en bepaalt of er omgang kan zijn en op welke manier dit vormgegeven kan worden. Daarbij is het van cruciaal belang dat alle betrokkenen dezelfde boodschap naar de kinderen zullen uitstralen voor wat betreft de afspraken die gelden . Wanneer dit niet op korte termijn verbetert, wordt van de GI verwacht dat zij de daartoe geëigende middelen die binnen het kader van de ondertoezichtstelling voorhanden zijn hiervoor zal inzetten. 5.3. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 maart 2026 en tot 10 maart 2027; 6.2.