Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:2031
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,516 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2031 text/xml public 2026-03-24T09:09:36 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-16 C/02/437712 / FA RK 25-3642 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2031 text/html public 2026-03-24T09:08:30 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2031 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-02-2026 / C/02/437712 / FA RK 25-3642 voorlopige begeleide zorgregeling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/437712 / FA RK 25-3642 datum uitspraak: 16 februari 2026 beschikking betreffende een zorgregeling in de zaak van [de man] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. R. Joosen te Oosterhout en [de vrouw] , wonende op een bij de rechtbank bekende verblijfplaats, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 11 juli 2025 namens de man ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het F-formulier met bijlage van mr. Garib van 24 juli 2025; - het F-formulier met bijlage van mr. Joosen van 6 augustus 2025; - het F-formulier met bijlagen van mr. Joosen van 11 augustus 2025; - het F-formulier met bijlage van mr. Joosen van 10 oktober 2025; - het F-formulier met bijlagen van mr. Joosen van 13 januari 2026; - het op 19 januari 2026 namens de vrouw ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen. 1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 23 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3. De hierna vermelde minderjarigen zijn in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn geboren: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, - [minderjarige 2] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: de minderjarigen. 2.2. De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen. 2.3. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025 is bij provisionele voorziening bepaald dat de man en de minderjarigen, totdat in de hoofdzaak is beslist, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact (door een professional) met elkaar eenmaal per week, op een nader vast te stellen dag en tijdstip gedurende twee uur per keer, waarbij het contact zal worden uitgebreid wanneer de betrokken hulpverlening dit geraden acht. 3 Het verzoek 3.1. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de volgende zorg- en contactregeling vast te stellen tussen hem en de minderjarigen: - in de oneven weken vanaf vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19:00 uur (na de avondmaaltijd), waarbij de man de minderjarigen op vrijdag uit school ophaalt en waarbij de vrouw de minderjarigen op zondag bij de man ophaalt; - op woensdag waarbij hij de minderjarigen uit school ophaalt en waarbij de vrouw diezelfde woensdagavond om 19:00 uur (na de avondmaaltijd) de minderjarigen bij de man ophaalt; - drie weken (aaneengesloten) tijdens de zomervakantie alsmede de overige vakanties bij helfte te verdelen door partijen: - verdeling van de feestdagen over partijen volgens een roulerend schema op jaarbasis, waarbij de minderjarigen beurtelings om het jaar op nieuwjaarsdag, eerste paasdag, Hemelvaartsdag, eerste pinksterdag, eerste kerstdag bij de vrouw dan wel bij de man zullen verblijven en op oudejaarsdag, tweede paasdag, tweede pinksterdag, tweede kerstdag bij de vrouw dan wel bij de man zullen verblijven; - dan wel een regeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen. 3.2. De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en heeft als zelfstandig verzoek verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de navolgende zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen: - de minderjarigen hebben begeleide omgang met de man via een derde partij, waarbij deze derde partij de frequentie en duur vaststelt; - uitbreiding van de begeleide omgang is mogelijk op advies en na evaluatie van de begeleide omgangsmomenten; - onbegeleide omgangsmomenten zijn pas aan de orde als de man kan aantonen dat hij een veilige en stabiele thuissituatie kan bieden aan de minderjarigen, zoals een eigen woonplek voorzien van de benodigde faciliteiten voor de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. 4 De standpunten 4.1. De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoeken het volgende aangegeven. Twee jaar geleden hebben partijen afgesproken dat de minderjarigen om het weekend en iedere woensdag bij hem zullen verblijven. De man heeft zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw, gericht op de veiligheid, hygiëne, haar opvoederschap en het mogelijke alcoholgebruik door de vrouw. De vrouw laat de minderjarigen ook wel eens achter bij de onderburen. De man vindt dit geen passende omgeving. Dit heeft eerder tot een escalatie tussen hem en de onderburen geleid, waarvoor de man nog bij de strafrechter moet voorkomen. De man heeft daardoor een gebiedsverbod. Dit incident heeft ertoe geleid dat de zorgregeling tussen hem en de minderjarigen medio januari 2025 is stopgezet. [zorgverlener 1] heeft daarna [ggz hulpverlening] ingeschakeld. Tot april 2025 heeft er begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsgevonden. Daarna is bepaald dat het vrijwillig kader niet afdoende was en is het traject stopgezet. [zorgverlener 1] heeft de Raad verzocht een beschermingsonderzoek te doen. De Raad heeft in het rapport van 15 juli 2025 aangegeven het onderzoek af te sluiten onder verwijzing van de ouders naar de reeds betrokken vrijwillige hulpverlening, namelijk [zorgverlener 1] . [zorgverlener 1] is vervolgens op zoek gegaan naar een zorgverlener om de omgang tussen de man en de minderjarigen weer te begeleiden. Beide ouders hebben aangegeven hun medewerking te zullen verlenen hieraan. Dit heeft ook geleid tot de provisionele voorziening bij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2025. 4.2. [zorgverlener 1] heeft aangegeven dat [zorgverlener 2] de wekelijkse omgang vanaf januari 2026 zal begeleiden. Wegens aanhoudende zorgen heeft [zorgverlener 1] daarnaast besloten de zaak terug te gaan verwijzen naar de Raad voor nader onderzoek. Dit zou half januari 2026 zijn gebeurd. De man vindt het van belang dat er door de rechtbank vinger aan de pols wordt gehouden. De eerste twee begeleide wekelijkse omgangsmomenten hebben inmiddels plaatsgevonden; ieder kind afzonderlijk gedurende een uur op donderdag bij [zorgverlener 2] . Deze momenten zijn goed verlopen. De man vindt de begeleider van de omgang een prettig persoon. De man verzoekt de rechtbank op dit moment deze begeleide omgangsregeling voorlopig vast te stellen en te bepalen dat [zorgverlener 2] de regie heeft om de omgang in tijd en plaats uit te breiden. 4.3. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verweer en verzoeken het volgende naar voren gebracht. De man heeft eerder de door partijen afgesproken zorgregeling niet volgehouden. De begeleide omgangsmomenten met [ggz hulpverlening] verliepen niet goed. De minderjarigen raakten overstuur, de man had onvoldoende aansluiting met de minderjarigen en reageerde ongepast. Deze begeleide omgangsmomenten zijn dus niet zomaar maanden geleden stopgezet. Het was niet verantwoord en de minderjarigen raakten ervan ontregeld. De vrouw kan daarom op dit moment alleen instemmen met begeleide omgang tussen de man en de minderjarigen.
Volledig
De vrouw heeft veel zorgen over het gedrag van de man. Veilig Thuis is betrokken geraakt doordat de man onder andere de ruiten bij de vrouw heeft ingegooid. Hij is veroordeeld tot een taakstraf en heeft een gebiedsverbod gekregen in verband met een mishandeling met letsel van de onderbuurman van de vrouw. De vrouw heeft zorgen over het drugsgebruik door de man. De vrouw is het niet eens met de zorgen die de man over haar benoemt. Zij heeft nooit de diagnose borderline gehad en er is geen sprake van problematisch drankgebruik. In het raadsrapport van 15 juli 2025 is ook aangegeven dat er geen sprake is van een onveilige of onstabiele thuissituatie bij de vrouw. Inmiddels hebben er door [zorgverlener 2] begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden tussen de man en de minderjarigen. Aangezien dit net is gestart, vindt de vrouw dat deze regeling voorlopig kan worden vastgesteld en dat de beslissingen op de verzoeken verder moeten worden aangehouden in afwachting van het verloop hiervan. De contactmomenten met de man hebben effect op de minderjarigen, maar de vrouw vindt het begrijpelijk dat het spannend is voor de minderjarigen om de man na maanden weer te zien. De minderjarigen gaan met plezier naar de omgangsmomenten. De vrouw heeft vertrouwen in het traject bij [zorgverlener 2] . Zij is het ermee eens als [zorgverlener 2] een regiefunctie krijgt en kan bepalen wanneer de omgangsregeling in tijd, frequentie en plaats kan worden uitgebreid. 4.4. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat de terugmelding van [zorgverlener 1] nog niet intern is opgepakt. De Raad zal een aanvullend beschermingsonderzoek moeten gaan doen vanwege de zorgen over de minderjarigen, hetgeen zal leiden tot een briefrapportage. De Raad adviseert om de zaak hiervoor voor vier maanden aan te houden. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.2. Met de partijen acht de rechtbank het op dit moment in het belang van de minderjarigen wenselijk dat de wekelijkse begeleide omgangsregeling wordt vastgesteld als voorlopige (basis)zorgregeling. Daarnaast zal de rechtbank vaststellen dat partijen hebben afgesproken dat [zorgverlener 2] deze omgangsregeling mag uitbreiden in tijd, frequentie, plaats en/of mate van begeleiding indien [zorgverlener 2] dat in het belang van de minderjarigen acht. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarigen is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 5.3. De beslissing op de verzoeken zal worden aangehouden voor de duur van vier maanden in afwachting van een nader beschermingsonderzoek door de Raad op verzoek van [zorgverlener 1] . In het rapport van de Raad van 15 juli 2025 staat weliswaar aangegeven dat op dat moment een kinderbeschermingsmaatregel nog niet noodzakelijk werd gehad, maar is ook beschreven dat de minderjarigen in hun ontwikkeling worden bedreigd, dat er sprake is van een kwetsbaar gezinssysteem en dat beide ouders kampen met individuele problematiek en beperkte pedagogische vaardigheden. Aangezien de zorgregeling onderdeel is van de problematiek in het gezinssysteem verzoekt de rechtbank aan de Raad om uiterlijk twee weken voor de nog te plannen zitting de rechtbank op de hoogte te brengen van de resultaten van een (mogelijk) aanvullend beschermingsonderzoek. 5.4. Op dit moment kan de rechtbank de volgende zitting nog niet plannen, omdat het zittingsrooster nog niet gereed is. De rechtbank houdt daarom de beslissing op de verzoeken aan tot dinsdag 3 maart 2026 pro forma, waarna de rechtbank de zitting zal plannen in juni of juli 2026. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. bepaalt dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per week gedurende één uur per minderjarige, begeleid door [zorgverlener 2] ; 6.2. stelt vast dat partijen hebben afgesproken dat de onder 6.1 vermelde basisregeling door [zorgverlener 2] mag worden uitgebreid in tijd, frequentie, plaats en/of mate van begeleiding indien [zorgverlener 2] dat in het belang van de minderjarigen acht; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. houdt de beslissing op de verzoeken aan tot dinsdag 3 maart 2026 pro forma en verzoekt de griffier van de rechtbank deze zaak dan te plannen op een zitting in juni of juli 2026 en partijen en de Raad daarvoor op te roepen; 6.5. verzoekt aan de Raad om uiterlijk twee weken voor de te plannen zitting de rechtbank op de hoogte te brengen van de resultaten van een (mogelijk) aanvullend beschermingsonderzoek; 6.6. houdt verder iedere beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. Sumner, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.