Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:1928
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,474 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1928 text/xml public 2026-03-20T09:00:12 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-30 C/02/414295 / FA RK 23-4521 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1928 text/html public 2026-03-19T14:38:24 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1928 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-01-2026 / C/02/414295 / FA RK 23-4521 Partijen communiceren niet goed over de zorg voor minderjarigen. De rechtbank wijst hoofdverblijf toe aan de vrouw, wijst co-ouderschap af, en geeft de GI regie over verdere zorg- en contactregeling. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/414295 / FA RK 23-4521 Datum uitspraak: 30 januari 2026 Nadere beschikking over vaststelling hoofdverblijf en verdeling zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats] , advocaat: voorheen mr. A.J.J. van der Heiden te Den Helder (onttrokken per 10 juni 2025), nu mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof te Tilburg, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2013, hierna te noemen: [minderjarige 3] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen. De rechtbank merkt vanaf heden en voor het verdere verloop van deze zaak als belanghebbende aan: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het verdere procesverloop 1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken: de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 26 maart 2025 van de rechtbank en alle daarin genoemde stukken; de brief van 6 oktober 2025 van de GI, met bijlage; de brief van 21 oktober 2025 van mr. Van Hoof, met daarin een aanvullend zelfstandig verzoek; de brief van 21 oktober 2025 van mr. Groenhuis-Kools, met daarin een aanvullend verzoek; de brief van 9 december 2025 van mr. Groenhuis-Kools, met daarin een gewijzigd (aanvullend) verzoek; de brief van 15 december 2025 van mr. Van Hoof, met daarin een gewijzigd (aanvullend) zelfstandig verzoek. 1.2. Op 18 december 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast waren een vertegenwoordigster namens de Raad en twee vertegenwoordigsters namens de GI aanwezig. 1.3. De minderjarigen hebben, met het oog op hun leeftijd, het recht om hun mening in deze zaak te geven. Op 17 december 2025 hebben zij afzonderlijk van elkaar hun mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. 2 De nadere beoordeling Inleiding 2.1. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast: Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. De minderjarigen zijn tijdens deze relatie geboren. De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. Bij mondeling vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar zijn de minderjarigen voorlopig aan de man toevertrouwd. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 4 april 2024 van deze rechtbank is het hoofdverblijf van de minderjarigen voorlopig bij de man bepaald. De rechtbank heeft in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen bepaald, samengevat en voor zover hier nu van belang, dat de vrouw en de minderjarigen voorlopig eenmaal per twee weken van vrijdag 17.00/21.00 uur tot zondag 19.00 uur gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar. Daarnaast heeft de rechtbank partijen verwezen naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten voor het doorlopen van een zorgtraject in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA). In afwachting van het verloop en het resultaat daarvan, heeft de rechtbank de definitieve beslissing in deze zaak pro forma aangehouden tot 8 oktober 2024. Deze termijn is nadien steeds verlengd. Bij beschikking van 18 maart 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI tot 18 maart 2026. 2.2. De rechtbank verwijst vervolgens naar de inhoud van voormelde in deze zaak gegeven nadere beschikking van 26 maart 2025. Hierin staat onder andere het volgende overwogen. Aangezien het UHA-traject waar partijen naartoe zijn verwezen is mislukt en de in dat kader gestelde doelen niet zijn behaald, heeft de Raad een onderzoek verricht naar de in deze zaak voorliggende verzoeken. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad verzocht om de minderjarigen onder toezicht te stellen van de GI (welk verzoek bij voormelde beschikking van de kinderrechter van 18 maart 2025 is toegewezen) en geadviseerd om de definitieve beslissing over de in deze zaak voorliggende verzoeken aan te houden voor de duur van zes maanden, in afwachting van het verloop en het resultaat van die maatregel. De Raad heeft daarbij aangegeven dat de vrouw in [plaats 1] woonde op het moment dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voorlopig bij de man is bepaald, maar dat zij inmiddels, net als de man en de minderjarigen, in [plaats 2] woont. Hoewel de Raad in beginsel geen redenen ziet voor een wijziging van het (voorlopige) hoofdverblijf van de minderjarigen, biedt de verhuizing van de vrouw naar [plaats 2] wel mogelijkheden tot uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen haar en de minderjarigen. De Raad wil de nieuwe situatie een kans geven om zich verder te ontwikkelen, waarbij de jeugdbeschermer in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling zal bezien welke verdeling van de zorg- en contactregeling het meest in het belang van de minderjarigen te achten is. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist en de beslissing pro forma aangehouden voor de duur van zes maanden. 2.3. Aan de orde zijn nu nog de verzoeken van de vrouw, na aanvulling en wijziging daarvan, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen; in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen te bepalen dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens een door de GI geadviseerde regeling, althans op basis van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling, en tussen de man en [minderjarige 1] geen regeling te bepalen. 2.4. Daarnaast zijn nog aan de orde de zelfstandige verzoeken van de man, na aanvulling en wijziging daarvan, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen; de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen te verdelen waarbij de minderjarigen steeds om en om gedurende een week bij de man dan wel de vrouw verblijven, met als wisselmoment zondag om 18.00 uur, alsmede de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen door partijen in onderling overleg nader in te vullen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- en contactregeling. 2.5. In voormelde brief van 6 oktober 2025 heeft de GI gerapporteerd over de actuele stand van zaken. Partijen hebben via hun advocaten schriftelijk daarop gereageerd en aanvullende/gewijzigde verzoeken geformuleerd. De rechtbank heeft partijen daarop opgeroepen voor de zitting op 18 december 2025. Het standpunt van de vrouw 2.6. Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Volledig
De vrouw verzoekt om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen, omdat het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen al langere tijd bij de vrouw is gelegen. De vrouw stelt daarnaast dat zij in staat is om het contact tussen de minderjarigen en de man te stimuleren. Andersom lijkt dit niet het geval te zijn. Over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, heeft de vrouw aangegeven dat de minderjarigen inmiddels een jaar volgens een week-op-week-af-verdeling bij de vrouw dan wel de man verblijven. Aangezien de onderlinge communicatie en samenwerking tussen partijen nog steeds niet goed verloopt, verloopt deze verdeling niet goed. Daarbij komt dat de minderjarigen in de week dat zij bij de man horen te zijn vaak uit school tot het avondeten bij de vrouw verblijven. [minderjarige 2] komt ook vaak in het weekend dat zij bij de man hoort te zijn bij de vrouw. De vrouw is daarom van mening dat het aantal dagen per twee weken dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man zullen zijn, beduidend moet worden verminderd. [minderjarige 1] verblijft sinds september 2025 volledig bij de vrouw. Bij [minderjarige 1] is er op dit moment geen ruimte voor contact(herstel), althans niet zonder inzet van hulpverlening. Als de regeling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet wordt aangepast, dan vreest de vrouw dat zij op een gegeven moment ook niet meer naar de man toe willen gaan. De vrouw verzoekt daarom om de regie om te komen tot een definitieve regeling tussen de minderjarigen en de man, en dus ook om te komen tot herstel van het contact tussen de man en [minderjarige 1] , bij de GI te beleggen. Nu deze gerechtelijke procedure al lang duurt en de minderjarigen hierdoor worden belast, verzoekt de vrouw om voormelde beslissingen te nemen in een eindbeschikking. Het standpunt van de man 2.7. Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De man wijst erop dat de Raad tijdens de zitting op 18 maart 2025 (bij de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen) heeft gezegd dat er met de hulpverlening moet worden ingezet op het bereiken van solo parallel ouderschap tussen partijen, waarbij er sprake is van duidelijke afspraken over de minderjarigen en minimale communicatie tussen partijen. De communicatie tussen partijen is echter nog onvoldoende verbeterd en afspraken worden voortdurend niet nagekomen. Dit leidt bij de minderjarigen en bij beide ouders tot veel spanningen en onrust. De man vindt het vooralsnog het meest in het belang van de minderjarigen dat hun hoofdverblijf bij hem wordt bepaald en dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap wordt vastgelegd. Het hoofdverblijf van de minderjarigen is al voorlopig bij hem bepaald en de minderjarigen ervaren bij hem stabiliteit. Maar nu het solo parallel ouderschap nog niet is bereikt en de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn nog niet aanwezig zijn, vindt de man dat daar eerst verder op moet worden ingezet alvorens de rechtbank definitief kan beslissen over de verzoeken. Nu er al jarenlang hulpverlening betrokken is zonder positief resultaat, heeft de man tot slot weinig vertrouwen in het inzetten van hulpverlening om te komen tot contact(herstel) tussen hem en [minderjarige 1] . Tegelijkertijd denkt de man niet dat partijen hier zelf uit kunnen komen. De mening van de minderjarigen 2.8. [minderjarige 3] heeft, samengevat, aangegeven dat het wisselmoment van de week-op-week-af-regeling momenteel op vrijdag is, maar dat hij dit liever op zondag wil hebben. Dit omdat hij op vrijdag sportactiviteiten heeft en hij zich daarom altijd moet haasten. 2.9. [minderjarige 2] heeft, samengevat, aangegeven dat zij in plaats van de week-op-week-af-regeling liever doordeweeks bij de vrouw wil wonen en in de weekenden bij de man. 2.10. [minderjarige 1] heeft, samengevat, aangegeven, nu hij bij zijn moeder woont, dat hij meer tot rust is gekomen en dat hij zich prettiger voelt. Dit wil hij dan ook graag zo houden. Hij wil graag zelf beslissen of en zo ja, wanneer hij naar zijn vader toe gaat. Op dit moment zou [minderjarige 1] het ingewikkeld vinden om contact met zijn vader te hebben. Maar hij wil dit op zich wel proberen als daar een neutraal persoon bij aanwezig is. Het standpunt van de GI 2.11. De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Hoewel het lang heeft geduurd voordat de uitvoering van de ondertoezichtstelling is opgepakt, acht de GI zich inmiddels in staat om te adviseren in deze zaak. De GI heeft allereerst niet de indruk dat de minderjarigen door de vrouw bij de man worden weggehouden. Hoewel de mening van de minderjarigen niet beslissend is, krijgen zij naar mate zij ouder worden daarin wel meer een stem. De GI vindt het van belang dat beide ouders blijven aansluiten bij de wensen en behoeften van de minderjarigen. In de afgelopen jaren zijn de minderjarigen steeds verder klem geraakt tussen hun ouders, met als gevolg dat zij op een gegeven moment zelf keuzes zijn gaan maken. De GI is van mening dat de vrouw beter dan de man kan aansluiten bij wat de minderjarigen nodig hebben en gezien wordt dat zij de meeste zorg- en opvoedingstaken op zich neemt. Daarnaast zijn er zorgen of de man voldoende in staat zal zijn om het contact tussen de minderjarigen en de vrouw te bevorderen. De GI adviseert daarom om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen. 2.12. Over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, heeft de GI aangegeven dat de huidige regeling op basis van co-ouderschap in ieder geval niet in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. Dit omdat een vereiste voor co-ouderschap is dat de ouders in staat zijn om op ouderniveau met elkaar te communiceren en afspraken te maken, terwijl daarvan bij partijen geen sprake is. De GI vindt een weekendregeling daarentegen mogelijk ook niet passend, omdat de ouders dicht bij elkaar wonen. De GI denkt daarom aan een regeling op basis waarvan de minderjarigen 30 dan wel 40 procent van de tijd bij de man verblijven en de resterende tijd bij de vrouw. Dan is de vrouw duidelijk de hoofdopvoeder van de minderjarigen en is er een ruime zorg- en contactregeling tussen de minderjarigen en de man. De GI kan hierover echter nog niet definitief adviseren, omdat de hulpverlening vanuit Maatschappelijke Hulp Met Daadkracht (MHMD) pas recentelijk is gestart en de GI haar bevindingen van belang vindt voor de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen. De GI adviseert daarom om de regie over de verdere vormgeving van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen bij de GI te beleggen, met als doel om samen met de hulpverlening te onderzoeken welke verdeling het meest in het belang van de minderjarigen te achten is. Bij [minderjarige 1] zal bovendien moeten worden ingezet op het op een goede manier herstellen van het contact tussen hem en de man. 2.13. De GI ziet op dit moment nog geen mogelijkheden om in te zetten op het bereiken van solo parallel ouderschap, omdat de huidige situatie tussen partijen op dit moment nog te onrustig is en er nog geen duidelijke afspraken zijn gemaakt dan wel regelingen zijn overeengekomen dan wel vastgesteld over de minderjarigen. De GI hoopt, als de rechtbank over bepaalde geschilpunten de nodige duidelijkheid biedt, dat partijen in het komende jaar alsnog kunnen starten met een traject gericht op het bereiken van solo parallel ouderschap. Alleen dan kan de huidige impasse naar de mening van de GI worden doorbroken. Het advies van de Raad 2.14. De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad vindt het verrassend dat partijen momenteel uitvoering geven aan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap. Een dergelijke verdeling kan namelijk alleen werken als er sprake is van onderlinge communicatie en afstemming over verblijfsoverstijgende zaken, terwijl daarvan geen sprake is.
Volledig
De Raad adviseert, op dezelfde gronden als de GI, om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen en om de regie over de verdere vormgeving van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen bij de GI te beleggen. De Raad vindt wel dat de GI daarbij zo snel als mogelijk en per kind afzonderlijk moet bezien welke regeling het meest passend is. De Raad vindt het ook van belang dat het contact tussen de man en [minderjarige 1] spoedig wordt hersteld. De Raad is het eens met de man dat hij, als hij zorgen heeft over de minderjarigen met betrekking tot het tandenpoetsen of hun hygiëne, dat de man de minderjarigen daarop moet kunnen aanspreken zonder daarbij het risico te moeten lopen op contactverlies. Inhoudelijke beoordeling vaststelling hoofdverblijf en verdeling zorg- en opvoedingstaken 2.15. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken; de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar om het ontstane geschil tussen hen weg te nemen. 2.16. De rechtbank overweegt, gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen, dat een overeenstemming tussen partijen over het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende de minderjarigen op dit moment niet mogelijk is. De rechtbank zal de verzoeken van partijen daarom hierna inhoudelijk beoordelen. 2.17. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat partijen niet in staat zijn om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken over de minderjarigen. De man stelt dat hij rust wil bereiken door in te zetten op het bereiken van solo parallel ouderschap en de huidige, gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen op basis van co-ouderschap waarbij er sprake is van een week-op-week-af-regeling (vooralsnog) voort te zetten. Bij co-ouderschap is echter vereist, zoals de Raad en de GI hebben aangegeven, dat partijen in staat zijn om op ouderniveau op een goede manier met elkaar te communiceren en (verblijfsoverstijgende) afspraken te maken over de minderjarigen. De rechtbank is het met de GI en de Raad eens, nu partijen daartoe niet in staat zijn, dat een verdeling op basis van co-ouderschap niet in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. De rechtbank acht het het meest in het belang van de minderjarigen dat zij bij één ouder hun thuisbasis hebben en dat zij van daaruit contact hebben met de andere ouder. De rechtbank overweegt dat gezien wordt dat de vrouw het beste bij de zorg- en opvoedingsbehoeften van de minderjarigen kan aansluiten en dat zij, in tegenstelling tot de man, in staat wordt geacht om het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder te blijven bevorderen. Gelet hierop acht de rechtbank het op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen om hun hoofdverblijf bij de vrouw te bepalen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom dienovereenkomstig op onderstaande wijze toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de man om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, zal dan ook worden afgewezen. 2.18. Hoewel de GI en de Raad duidelijk aangeven dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen waar partijen momenteel uitvoering aan geven niet in het belang van de minderjarigen moet worden geacht, kunnen zij niet aangeven welke verdeling dan wel het meest in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. Duidelijk is dat de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van alle drie de minderjarigen moet veranderen, maar niet welke regeling daar dan voor in de plaats moet komen. Daarbij komt dat er op dit moment feitelijk geen sprake is van contact tussen de man en [minderjarige 1] , waardoor er ten aanzien van hen eerst op een verantwoorde manier zal moeten worden ingezet op herstel van het contact. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich op basis van de haar beschikbare informatie onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing over de zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarigen te nemen. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de Raad en de GI, de regie over de verdere vormgeving van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen bij de GI beleggen. De rechtbank vindt wel dat dit binnen een afzienbare termijn moet gebeuren. De minderjarigen en beide ouders ervaren immers al een te lange tijd onduidelijkheid hierover. De rechtbank zal de regie daarom voorlopig bij de GI beleggen en de beslissing voor het overige pro forma aanhouden voor de duur van zes maanden, tot de hierna te noemen datum, zodat er binnen een afzienbare termijn sprake zal zijn van een nieuw beslismoment. De GI wordt verzocht om in de komende periode een zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen die het meest tegemoetkomt aan de belangen van de minderjarigen. Het contact tussen de man en [minderjarige 1] zal uiteraard eerst op een goede manier moeten worden hersteld, al dan niet met behulp van hulpverlening. De GI wordt verzocht om haar bevindingen uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten. Partijen zullen vervolgens via hun advocaten in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren. Indien nodig zal het verzoek dan eerst mondeling worden besproken op een nader te bepalen zitting bij de rechtbank. In verband met voormelde regieopdracht aan de GI en het verzoek om te rapporteren, zal de rechtbank de GI in deze nadere tussenbeschikking en voor het vervolg van deze procedure aanmerken als belanghebbende in deze zaak. 2.19. Gezien de belasting die de minderjarigen en de ouders ervaren vanwege de bestaande onduidelijkheid over onder andere de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en omdat deze rechtszaak al meerdere jaren loopt, is het de intentie van de rechtbank om naar aanleiding van de te ontvangen schriftelijke informatie van de GI en de reacties van partijen daarop, indien mogelijk en in het belang van minderjarigen, een definitieve regeling vast te stellen. De rechtbank vindt het van belang om daarbij te benoemen dat de minderjarigen steeds ouder worden en dat hun wensen en behoeftes rondom de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (daarom) blijven veranderen. Ook een definitieve verdeling is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in beton gegoten. Het moet in ieder geval een verdeling zijn die als basis kan dienen om het traject dat is gericht op het bereiken van solo parallel ouderschap succesvol te doorlopen en af te ronden. De rechtbank vindt dan ook dat de GI in de komende periode dient te starten met voormeld traject, zoals de Raad eerder al heeft geadviseerd. 2.20. De rechtbank overweegt verder dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zich kennelijk momenteel ook vrijelijk bewegen tussen hun ouders, nu zij vaak in de weken dat zij volgens de huidige verdeling bij de man horen te zijn vanuit school en tot het avondeten bij de vrouw verblijven. Dit is praktisch mogelijk omdat partijen dicht bij elkaar wonen. De rechtbank vindt dit op zichzelf niet verkeerd. Het zou juist mooi zijn als de kinderen zich vrijelijk kunnen blijven bewegen tussen beide ouders en dat zij het gevoel hebben dat hun beide ouders het goed vinden als zij even naar de andere ouder toe gaan wanneer zij daar behoefte aan hebben (mits dit voor beide ouders op dat moment praktisch haalbaar is).
Volledig
De rechtbank vraagt zich dan ook af in hoeverre de vrees van de vrouw is gerechtvaardigd dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , net als [minderjarige 1] , het contact met hun vader volledig zullen verbreken als de onduidelijkheid over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voortduurt. Dit neemt niet weg dat de rechtbank het aldus van belang vindt dat er voortvarend zal worden gehandeld en dat de minderjarigen spoedig duidelijkheid ervaren. 2.21. De rechtbank overweegt tot slot dat de huidige ondertoezichtstelling van de minderjarigen loopt tot 18 maart 2026. Gezien de huidige stand van zaken, gaat de rechtbank ervan uit dat de GI binnen afzienbare termijn een verzoek tot verlenging van die maatregel bij de kinderrechter zal indienen. Een zitting in die zaak zal naar verwachting dan ook over zes tot acht weken plaatsvinden. De rechtbank vindt het in ieder geval te vroeg om de verzoeken in deze zaak al gelijktijdig met dit nog in te dienen verzoek van de GI tot verlenging ondertoezichtstelling mondeling te behandelen . 2.22. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben tijdens hun gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij de uitspraak in deze zaak willen horen van respectievelijk de vrouw en de man. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat zij de uitspraak graag wil horen van de rechter via een brief. De rechtbank zal daarom een brief sturen aan [minderjarige 2] met de volgende inhoud: Beste [minderjarige 2] , Onlangs ben je op gesprek geweest in de rechtbank en hebben wij gesproken over de rechtszaak tussen je ouders. Daarna heb ik ook met je ouders en hun advocaten gesproken. Daar waren ook vertegenwoordigers bij aanwezig van Jeugdbescherming Brabant en van de Raad voor de Kinderbescherming. Ik heb goed naar iedereen geluisterd. Jouw beide ouders hebben gevraagd om het hoofdverblijf van jou en van je broers bij hen te bepalen. Dit betekent dat zij hebben gevraagd om te beslissen bij welke ouder jullie officieel op papier wonen. Daarnaast hebben je ouders gevraagd om de contactregeling tussen jou en je beide ouders te veranderen. Die regeling bepaalt op welke dagen je bij welke ouder bent en op welke dag je wisselt. Omdat ik het belangrijk vindt dat het voor jullie nu duidelijk is waar jullie wonen, heb ik bepaald dat jullie hoofdverblijf bij jullie moeder komt te liggen. Bij jullie moeder wordt dan jullie thuisbasis. Ik vind het op dit moment moeilijk om te bepalen op welke dagen jullie dan naar jullie vader gaan, omdat jullie hierover alle drie andere wensen hebben en omdat de jeugdbeschermer vanuit Jeugdbescherming Brabant en de hulpverlening vanuit Maatschappelijke Hulp Met Daadkracht jullie nog niet zo lang kennen om hierover een goed advies aan mij te kunnen geven. Zij zullen jullie eerst nog wat beter moeten leren kennen. In de tussentijd zal de jeugdbeschermer beslissen hoe vaak en op welke manier jij en je broers contact zullen hebben met jullie vader. Over ongeveer zes maanden zal de jeugdbeschermer aan mij laten weten wat zij vindt. Het kan zo zijn dat ik dan je ouders, jou en je broers opnieuw zal uitnodigen voor een gesprek. Je bent dan niet verplicht om te komen. Je mag ook een brief of een e-mail schrijven. Je mag ook niet reageren als je dat liever niet wilt. Ik wens je in ieder geval het beste. Met vriendelijke groeten, mr. Van Gessel, kinderrechter. 2.23. De rechtbank zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals in het dictum verwoord onder 3.1. en 3.2. Dit betekent dat die beslissingen per direct van kracht zijn en dat een eventueel hoger beroep die beslissingen niet schorst. 2.24 . . Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 1] 2011; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2012; [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2013, vanaf heden bij de vrouw is gelegen; 3.2. bepaalt dat de regie over de vormgeving (in frequentie, vorm en duur) van de zorg- en contactregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen voorlopig bij de GI wordt belegd; 3.3. verklaart deze beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. houdt de definitieve beslissing over de zorg- en contactregeling tussen de man en voornoemde minderjarigen aan tot dinsdag 28 juli 2026 PRO FORMA , in afwachting van schriftelijk bericht van de GI over de actuele stand van zaken en haar standpunt over het verdere procesverloop van deze zaak, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 2.18. tot en met 2.22. is overwogen; 3.5. behoudt zich iedere (verdere) beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor; 3.6. wijst het zelfstandige verzoek van de man om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen, af. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 door mr. Van Gessel, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.