Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:1927
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,527 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1927 text/xml public 2026-03-24T10:19:09 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-17 25/2228 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1927 text/html public 2026-03-24T10:18:53 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1927 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-03-2026 / 25/2228 De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 26 februari 2025. In dit besluit heeft het college het besluit van 25 maart 2024, waarin een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van (onder meer) zes bomen op het terrein van voetbalvereniging, onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2228 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, het college. Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Gemeente Rucphen, uit Rucphen, vergunninghouder en [voetbalvereniging 1] uit [plaats 2] , belanghebbende. Samenvatting 1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 26 februari 2025. In dit besluit heeft het college het besluit van 25 maart 2024, waarin een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van (onder meer) zes bomen op het terrein van [voetbalvereniging 1] , onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden verleend heeft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 16 januari 2024 heeft de gemeente Rucphen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van bomen op het terrein van [voetbalvereniging 1] gelegen aan de [adres 1] in [plaats 2] en op het terrein van [voetbalvereniging 2] gelegen aan de [adres 2] in [plaats 1] . In totaal ziet de aangevraagde omgevingsvergunning op negen bomen. 2.1. Het college heeft op 25 maart 2024 de omgevingsvergunning verleend (het primaire besluit). 2.2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning. Eiseres heeft het bezwaar enkel toegespitst op het gedeelte van de omgevingsvergunning dat ziet op de zes bomen op het terrein van [voetbalvereniging 1] . 2.3. Het college heeft op 26 februari 2025 in de beslissing op bezwaar het bezwaar overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie gegrond verklaard (het bestreden besluit). In afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft het college het primaire besluit echter niet herroepen. Wel heeft het college in het bestreden besluit de motivering aangevuld. De rechtsgevolgen zijn in stand gelaten. 2.4. Eiseres heeft op 8 april 2025 beroep ingesteld. 2.5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. L. Stroek namens het college en vergunninghouder en [persoon 1] en [persoon 2] als vertegenwoordigers van belanghebbende. 2.7. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 3. Het beroep richt zich alleen op het gedeelte van de omgevingsvergunning dat ziet op het kappen van de bomen bij [voetbalvereniging 1] . Het bestreden besluit is immers een beslissing op bezwaar en het bezwaar van eiseres richtte zich alleen op deze zes bomen. Wettelijk kader Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Dat betekent dat in deze zaak de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. 3.1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Het bestreden besluit 4. In artikel 5.1, eerste lid onder a, van de Ow staat dat een omgevingsvergunning is vereist voor een omgevingsplanactiviteit. In de bijlage bij de Ow is gedefinieerd wat een omgevingsplanactiviteit is. In artikel 4.11a, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rucphen 2025 (APV) is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning beschermde houtopstanden te kappen of te doen kappen die vermeld zijn op de door het college vastgestelde groene kaart. De Groene Kaart wordt vastgesteld door het college ingevolge artikel 4.11a, eerste lid, van de APV. De lokale regels van de APV zijn in de overgangsfase naar het nieuwe omgevingsplan geen onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Artikel 22.8 van de Ow bepaalt namelijk dat voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, onder a, van de Ow. Zolang deze vergunningen nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, wordt de desbetreffende regeling van artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud) feitelijk gecontinueerd. 4.1. Voor het kappen van de zes bomen op het terrein van [voetbalvereniging 1] is een omgevingsvergunning nodig. De bomen staan namelijk vermeld op de Groene Kaart. 4.2. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 4:11b, tweede lid, onder c, van de APV. Op basis van deze bepaling kan het college een omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand verlenen indien een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. Beroepsgronden 5. Eiseres voert aan dat het college in strijd met het Boombeleid gemeente Rucphen (het Boombeleid) een omgevingsvergunning heeft verleend voor het kappen van de bomen in kwestie. 5.1. Verder begrijpt de rechtbank de stellingen van eiseres aldus dat eiseres vindt dat door zowel de gemeente (als vergunninghouder) als [voetbalvereniging 1] te weinig rekening is gehouden met de eventuele aanwezigheid van bomen in relatie tot aanvaardbare rendementskansen bij de keuze van de locatie voor de plaatsing van zonnepanelen. Daarnaast is aangevoerd dat [voetbalvereniging 1] andere keuzes had moeten maken in de keuze van zonnepanelen en in verduurzaming van de voetbalclub. Locatie zonnepanelen 6. De rechtbank overweegt dat de omvang van het geding bepaald wordt door de aanvraag om de kapvergunning. In die aanvraag is bepaald welke bomen op welke locatie gekapt moeten worden. De kap van de bomen hangt samen met de keuze van de locatie voor de plaatsing van de zonnepanelen. Deze locatie was al bepaald was voordat de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen werd aangevraagd. De omvang van de aanvraag is leidend voor het besluit van het college. Dit betekent dat het college alleen kan beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Aangezien de omvang van het geding bij de rechtbank ook bepaald wordt door de aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond buiten de omvang van geding valt. De vraag of de zonnepanelen op een andere plaats hadden moeten worden geïnstalleerd zal de rechtbank dus niet beantwoorden.
Volledig
Dit geldt ook voor de vraag of [voetbalvereniging 1] andere zonnepanelen had moeten aanschaffen en andere verduurzamingsmaatregelen had moeten treffen. Strijd met paragraaf 7.6 van het Boombeleid? 6.1. Eiseres stelt dat alleen economische motieven een rol hebben gespeeld bij de omgevingsvergunningverlening. Dit is in strijd zijn met paragraaf 7.6 van het Boombeleid. 6.2. De rechtbank stelt vast dat het college de verlening van de omgevingsvergunning gemotiveerd heeft door te wijzen op het algemeen maatschappelijk belang: het belang van verduurzaming van [voetbalvereniging 1] . Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen een economisch belang, namelijk kostenbesparing, maar ook het belang van minder CO2-uitstoot wordt hiermee gediend. Het college heeft ter zitting verder toegelicht dat het college wil inzetten op verduurzaming binnen de gemeente en dat [voetbalvereniging 1] met haar plannen voor verduurzaming daarbij een voortrekkersrol heeft in de omgeving. 6.3. Dat [voetbalvereniging 1] wil verduurzamen wordt onderbouwd door het verduurzamingsplan. Het plaatsen van zonnepanelen maakt deel uit van een plan om [voetbalvereniging 1] verder te verduurzamen. Dat het verduurzamingsplan pas bij de heroverweging van het bezwaar is aangeleverd, doet daar niet aan af. In het kader van de volledige heroverweging die plaatsvindt op de grondslag van het bezwaar kan de motivering van het besluit worden aangevuld op basis van de feiten en omstandigheden van dat moment. 6.4. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende gemotiveerd heeft waarom het belang van het behoud van bomen niet zwaarder weegt dan het algemeen maatschappelijk belang. De rechtbank betrekt daar ook bij dat er een herplantplicht is opgelegd. Er worden na de kap van de bomen nieuwe bomen geplaatst. 6.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet enkel op grond van economische motieven verleend heeft en dat het college de omgevingsvergunning dus mocht verlenen. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ze krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant) Omgevingswet Artikel 5.1, eerste lid, onder a Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: een omgevingsplanactiviteit. Artikel 22.8 Voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rucphen 2025 Artikel 4:11a Het college stelt de Groene Kaart vast waarop de beschermde houtopstanden zijn vermeld. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college beschermde houtopstanden te kappen of te doen kappen die staan vermeld op de Groene Kaart. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: - Een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet, spoedeisend belang voor de openbare orde, direct gevaar voor personen of goederen of krachtens een aanschrijving van het college; - Het periodiek afzagen van hakhout als noodzakelijke beheermaatregel, waarbij eventuele over- staanders gehandhaafd blijven ter uitvoering van het reguliere onderhoud; - Het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; - Het uitvoeren van reguliere bosbouwkundige werkzaamheden welke gericht zijn op een duurzame instandhouding van het bos. 4. Het college kan de omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand zoals opgenomen in de Groene Kaart weigeren, dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. 5. Omtrent de belangenafweging en de voorschriften of beperkingen kan het college nadere regels opstellen. Artikel 4:11b 1. Een omgevingsvergunning voor het kappen van een beschermde houtopstand op de Groene Kaart wordt geweigerd op grond van: de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; en / of de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand; en / of de boomstructuurwaarde; en / of e maatschappelijke waarde van een particuliere houtopstand. 1. In afwijking van lid 1 kan het college de omgevingsvergunning voor het kappen van een bescherm- de houtopstand verlenen indien: behoud van de houtopstand leidt tot beperking voor de concrete uitvoering van een vastgesteld bestemmingsplan, omgevingsplan of omgevingsvergunning, waarin alternatieven voor behoud zijn onderzocht of; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade of; een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. 2. Het college kan een herplantplicht of een financiële herplantplicht ten gunste van het groenfonds opleggen. Boombeleid gemeente Rucphen Paragraaf 7.6 […] Enkel economische motieven en/of natuurlijke verschijnselen van de bom zijn geen reden tot kap. […]