Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1850
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,067 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 text/xml public 2026-03-23T16:13:31 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 BRE 25/6170 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032308 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 text/html public 2026-03-23T11:58:26 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / BRE 25/6170 8:54; De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. De rechtbank merkt op dat tot het dossier diverse e-mails tussen gemachtigde en de heffingsambtenaar behoren. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2024 te kennen gegeven dat er al uitspraak op bezwaar is gedaan. Gemachtigde heeft vervolgens meerdere keren verzocht de uitspraak op bezwaar voor dit object toe te zenden. In het beroepschrift voert gemachtigde aan dat hij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en de heffingsambtenaar in gebreke is te beslissen. Het ligt in dat geval op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar nog geen beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/6170 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan Het Nieuwe WOZ-bureau), en de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 23 februari 2024 tegen de WOZ-beschikking 2024, waardepeildatum 1 januari 2023, voor het object [adres] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 2.1. De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 23 februari 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen is inmiddels voorbij. 3.1. De rechtbank merkt op dat tot het dossier diverse e-mails tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar behoren. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2024 te kennen gegeven dat al uitspraak op bezwaar is gedaan. In een e-mail van 24 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar van de gemeente Alphen-Chaam toegestuurd en de gemachtigde geïnformeerd dat de uitspraken op bezwaar voor de gemeente Gilze en Rijen in een aparte e-mail wordt toegezonden. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 20 maart 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank begrijpt uit een e‑mail van 23 mei 2025 van de gemachtigde dat hij vervolgens diverse uitspraken op bezwaar heeft ontvangen, maar die van het object aan de [adres] nog niet. In een e-mail van 6 oktober 2025 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om de uitspraak op bezwaar voor dit object toe te zenden. In het beroepschrift voert de gemachtigde aan dat hij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en de heffingsambtenaar in gebreke is te beslissen. Het ligt in dat geval op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar nog geen beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd? 4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 6. Belanghebbende heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 6.1. De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de heffingsambtenaar al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 116,75 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Daarbij heeft de rechtbank een factor 0,25 toegepast. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 text/xml public 2026-04-03T12:41:41 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 BRE 25/6170 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032308 V-N Vandaag 2026/575 FutD 2026-0565 NDFR Nieuws 2026/514 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 text/html public 2026-03-23T11:58:26 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1850 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / BRE 25/6170 8:54; De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. De rechtbank merkt op dat tot het dossier diverse e-mails tussen gemachtigde en de heffingsambtenaar behoren. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2024 te kennen gegeven dat er al uitspraak op bezwaar is gedaan. Gemachtigde heeft vervolgens meerdere keren verzocht de uitspraak op bezwaar voor dit object toe te zenden. In het beroepschrift voert gemachtigde aan dat hij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en de heffingsambtenaar in gebreke is te beslissen. Het ligt in dat geval op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar nog geen beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/6170 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan Het Nieuwe WOZ-bureau), en de heffingsambtenaar van de gemeente Gilze en Rijen, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 23 februari 2024 tegen de WOZ-beschikking 2024, waardepeildatum 1 januari 2023, voor het object [adres] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 2.1. De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 23 februari 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De termijn waarbinnen de heffingsambtenaar moet beslissen is inmiddels voorbij. 3.1. De rechtbank merkt op dat tot het dossier diverse e-mails tussen de gemachtigde en de heffingsambtenaar behoren. De heffingsambtenaar heeft op 20 november 2024 te kennen gegeven dat al uitspraak op bezwaar is gedaan. In een e-mail van 24 december 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar van de gemeente Alphen-Chaam toegestuurd en de gemachtigde geïnformeerd dat de uitspraken op bezwaar voor de gemeente Gilze en Rijen in een aparte e-mail wordt toegezonden. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 20 maart 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank begrijpt uit een e‑mail van 23 mei 2025 van de gemachtigde dat hij vervolgens diverse uitspraken op bezwaar heeft ontvangen, maar die van het object aan de [adres] nog niet. In een e-mail van 6 oktober 2025 heeft de gemachtigde nogmaals verzocht om de uitspraak op bezwaar voor dit object toe te zenden. In het beroepschrift voert de gemachtigde aan dat hij nog steeds geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen en de heffingsambtenaar in gebreke is te beslissen. Het ligt in dat geval op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar nog geen beslissing heeft genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond. Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd? 4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast? 6. Belanghebbende heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 6.1. De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De maximale dwangsom is in dit geval verschuldigd en bedraagt € 1.442,-. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door de heffingsambtenaar al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 116,75 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Daarbij heeft de rechtbank een factor 0,25 toegepast. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; - bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W.