Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:1838
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/5607 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. G.R.R. Knarren), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland , college. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] , vergunninghouder. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor de [adres] in [plaats] (perceel). Eiseres is het hier niet mee eens en voert een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep (deels) gegrond is, maar dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt dus slechts deels gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank onder andere in op de vraag of het college het oude beleid aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. 1.4. Tijdens de beroepsprocedure is de huidige derde-partij eigenaar van het perceel en dus ‘opvolgend’ vergunninghouder geworden. Procesverloop 2. Bij besluit van 14 december 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van een schuur en het vestigen van een Bed en Breakfast (B&B) op het perceel. Onder meer eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In de beslissing op bezwaar van 28 mei 2024 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Gedurende de beroepsprocedure van eiseres tegen het bestreden besluit I heeft het college dit besluit laten vervallen en daarvoor in de plaats de beslissing op bezwaar van 23 juni 2025 (het bestreden besluit II) genomen. Ook daarin is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Het college heeft in beroep een verweerschrift ingediend. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] . Vergunninghouder heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geschil 3. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van rechtswege mede gericht tegen een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Omdat de verleende omgevingsvergunning in zowel het bestreden besluit I als II in stand blijft, heeft eiseres nog voldoende belang bij het voortzetten van het beroep. 3.1. De rechtbank beoordeelt dan ook of het college in het bestreden besluit II op goede gronden de verleende omgevingsvergunning in stand heeft gelaten. Daarbij geldt dat eiseres tijdens de zitting heeft aangegeven dat zij, van de beroepsgronden die betrekking hebben op het Bouwbesluit 2012, alleen nog de grond die ziet op artikel 2.84 van het Bouwbesluit 2012 handhaaft. De rechtbank beoordeelt in beroep alleen nog deze beroepsgrond over het Bouwbesluit 2012. 3.2. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 6.3. Partijen zijn niet verdeeld over de door het college toegepaste grondslag om de omgevingsvergunning te verlenen. De discussie in de procedure beperkt zich tot de kwesties of voldoende aannemelijk is dat de aanvraag voldoet aan artikel 2.84 van het Bouwbesluit 2012 en of in het bestreden besluit II ex nunc aan de Beleidsregels B&B getoetst had moeten worden. De rechtbank zal hierna eerst over de laatst aangehaalde kwestie oordelen. Toetsing ex nunc of ex tunc 6.4. Voor wat betreft het ex nunc toetsen in het bestreden besluit II volgt uit de vaste rechtspraak van de AbRS dat (bij het nemen van een beslissing op bezwaar) het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt . In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De AbRS heeft in de uitspraak van 3 maart 2010 overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er tegen verzet dat – in het geval van een beleidswijziging ten nadele van de aanvrager ten tijde van de beslissing op bezwaar – in bezwaar wordt getoetst aan het beleid op grond waarvan de ontheffing niet meer verleend kan worden. In het verlengde daarvan heeft de AbRS in de uitspraak van 27 februari 2013 deze lijn doorgetrokken naar het geval dat een beslissing op bezwaar vernietigd wordt en – ten tijde van het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar – nieuw beleid ongunstig voor de aanvrager uitpakt. Daarnaast heeft de AbRS in de uitspraak van 7 september 2016 overwogen dat gedane investeringen ook kunnen nopen tot het toepassen van het oude beleid. 6.5. Het bestreden besluit II is materieel gelijk aan het bestreden besluit I (namelijk: het verbouwen tot en het gebruik als B&B zijn toegestaan), met als enige verschil dat in het bestreden besluit II nu ook de voorschriften voor de B&B zijn toegevoegd en wel op basis van de (inmiddels vervallen) Nota Recreatiebeleid. De voorschriften uit die Nota zijn één op één overgenomen in het bestreden besluit II en waren ook al in de bezwaarfase betrokken. Het college heeft ook in bezwaar toegezegd om deze voorschriften in het bestreden besluit I op te nemen. Dat is uiteindelijk niet gebeurd en dat gebrek is hersteld in het bestreden besluit II. Als het college in het bestreden besluit II ex nunc zou toetsen, dan zou hiermee de rechtszekerheid van de vergunninghouder worden doorkruist. De rechtbank acht dat een te zware consequentie voor het gebrek in het bestreden besluit I. Dat het bestreden besluit I nog niet onherroepelijk was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit II doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat gegeven nog niet dat het college daarom per definitie gehouden is het nieuwe beleid toe te passen. Ook het feit dat het perceel inmiddels aan een andere eigenaar is overgedragen, maakt het voorstaande niet anders. Dat geldt te meer nu zowel het bestreden besluit I als het bestreden besluit II zijn genomen voorafgaand aan de overdracht aan de nieuwe vergunninghouder. De beroepsgrond tegen de uitzondering op de toetsing ex nunc slaagt dan ook niet. 6.6. De beroepsgrond tegen het bestreden besluit I over de niet opgenomen voorschriften voor de B&B slaagt wel. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek, maar dat gebrek is met het nemen van het bestreden besluit II hersteld. Om die reden zal het beroep gegrond worden verklaard. Artikel 2.84 van het Bouwbesluit 2012 6.7. Ter zake de beroepsgrond van eiseres dat onvoldoende aannemelijk is dat de aanvraag voor verlening van de omgevingsvergunning aan artikel 2.84 van het Bouwbesluit 2012 voldoet, overweegt de rechtbank als volgt. Het is vaste rechtspraak van de AbRS dat de toets bij de beoordeling van artikel 2.10, eerste lid, sub a, van de Wabo een aannemelijkheidstoets is. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de