Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1831
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,292 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1831 text/xml public 2026-03-19T15:44:57 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/441940 / JE RK 25-2022 verlenging ondertoezichtstelling en Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1831 text/html public 2026-03-19T12:26:59 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/441940 / JE RK 25-2022 verlenging ondertoezichtstelling en Opheffing ondertoezichtstelling en afwijzing restverzoek machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/441940 / JE RK 25-2022 verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing C/02/444422 / JE RK 26-151 opheffing ondertoezichtstelling Datum uitspraak: 13 februari 2026 (Nadere) beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en opheffing ondertoezichtstelling in de zaken van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] (Bulgarije) hierna te noemen [minderjarige] , advocaat mr. M.M.W. Essenstam te Tilburg. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda . 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de in deze zaak gegeven beschikking van 30 december 2025 en alle daarin genoemde stukken; de brief van mr. M.M.W. Essenstam van 26 januari 2026 met als bijlage een plan van aanpak; het op 26 januari 2026 van de GI ontvangen nadere verzoek opheffing ondertoezichtstelling met bijlage; het op 12 februari 2026 door de GI ingediende document “wijziging bijzondere voorwaarden” van 30 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de minderjarige [minderjarige] , ook afzonderlijk gehoord, met zijn advocaat; de vader met zijn advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI. 2 De feiten 2.1. De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft op de [hybride groep] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2026 en een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang 5 januari 2025 tot 5 juli 2025. 2.4. Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 1 juli 2025 tot 1 december 2025 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juli 2025 tot 5 januari 2026. 2.5. In de zaak C/02/441945 / JE RK 25-2023 heeft de kinderrechter bij beschikking van 24 november 2025 een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 1 december 2025 tot 5 januari 2026 en is het verzoek voor het overige aangehouden. 2.6. Bij beschikking van 30 december 2025 heeft de kinderrechter in de zaak C/02/441945 / JE RK 25-2023 de voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 5 januari 2026 verlengd tot 1 maart 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] eerder in het plan van aanpak van [hybride groep] van 19 november 2025 zijn gesteld. Daarnaast heeft de kinderrechter in deze zaak (C/02/441940 / JE RK 25-2022) de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en diens machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 januari 2026 verlengd tot 1 maart 2026. De kinderrechter heeft de resterende delen van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] ([geboortedag] 2026) aangehouden tot deze zitting van 26 januari 2026. 3 De (resterende) verzoeken C/02/441940 / JE RK 25-2022 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging om hem gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, aldus tot [geboortedag] 2026. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. C/02/444422 / JE RK 26-151 3.2. De GI verzoekt (nader) de aan haar opgedragen ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De (nadere) standpunten 4.1. De GI legt aan haar (nadere) verzoek om de ondertoezichtstelling op te heffen ten grondslag, dat de kinderrechter in zijn laatste beschikking had toegestuurd naar een situatie dat [minderjarige] weer bij de vader zou gaan wonen. Zowel [minderjarige] als de vader hebben die wens. [minderjarige] is niet gemotiveerd voor plaatsing op een open groep, dan wel een traject richting zelfstandigheid. Gezien de naderende meerderjarigheid van [minderjarige] , zijn standvastige overtuiging en de denkrichting van de kinderrechter in deze, moet volgens de GI worden geconstateerd dat een ander plan/andere lijn dan waarbij [minderjarige] bij de vader zal wonen op dit moment niet haalbaar is. Naar de mening van de GI zal [minderjarige] zich zonder gesloten machtiging gaan onttrekken aan zijn verblijf bij een jeugdhulpaanbieder. De GI is van mening dat een verlenging van de (voorwaardelijke) gesloten machtiging en een machtiging voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan weinig inhoudelijke meerwaarde hebben, wanneer duidelijk is dat [minderjarige] vanaf zijn 18e verjaardag bij zijn vader gaat wonen. Er blijven zorgen over het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] , in combinatie met het gebrek aan grenzen en sturing vanuit de vader. De GI acht dit geen reden om niet te kunnen instemmen met wonen bij vader. Dit wordt volgens de GI bevestigd door het gegeven dat [minderjarige] de afgelopen periode tijdens zijn verlof veelvuldig bij zijn vader heeft verbleven en er toen geen meldingen waren van overlast, criminaliteit etc. Daarbij heeft de woningbouw aangegeven dat er geen “harde” voorwaarde ligt dat [minderjarige] niet bij de vader mag verblijven. Volgens de GI heeft de gedragswetenschapper van [hybride groep] ook aangegeven het wonen van [minderjarige] bij de vader te ondersteunen. Dit betekent dat de GI vanuit het civielrechtelijk kader geen inhoudelijke meerwaarde ziet om de machtiging tot uithuisplaatsing, de voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing en de ondertoezichtstelling te continueren. Concluderend trekt de GI deze drie verzoeken in. Naar de mening van de GI kunnen de zorgen die er zijn over [minderjarige] afdoende worden gemonitord en bijgestuurd vanuit de nog (tot 20 november 2027) lopende jeugdreclasseringsmaatregel, waarin aan [minderjarige] bijzondere voorwaarden zijn gesteld. Daarbij kan de JIM van [minderjarige] ook zonder een ondertoezichtstelling blijven doorlopen. 4.2. [minderjarige] geeft aan dat hij erg graag weer bij zijn vader wil wonen en dat hij blij verrast is met de wending die de GI maakt. [minderjarige] laat de kinderrechter daarbij een door hemzelf opgesteld (gedetailleerd) plan van aanpak zien waaruit blijkt op welke wijze hij in de eerstkomende periode een positieve draai aan zijn leven wil gaan geven. Met het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling stemt [minderjarige] in. 4.3. De advocaat van [minderjarige] , de vader en diens advocaat verklaren, ieder voor zich maar eensluidend, dat zij geheel instemmen met de nadere visie, het standpunt en het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van de GI.
Volledig
De advocaat van de vader acht het daarbij van belang dat aan [minderjarige] goed duidelijk en helder wordt gemaakt aan welke voorwaarden hij zich dient te gaan houden om het verblijf bij zijn vader succesvol te laten verlopen. In die zin verzoekt de advocaat om de door de officier van justitie opgestelde (bijzondere) voorwaarden ook op te nemen in de ten deze te geven beschikking. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. 5.2. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd door hen worden geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn. 5.3. Gelet op artikel 1:261 BW kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW, niet langer is vervuld. 5.4. De kinderrechter is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat niet langer aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter overweegt hierbij dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat [minderjarige] per direct weer bij zijn vader kan gaan wonen. Weliswaar blijven er dan nog zorgen bestaan over het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] , in combinatie met het gebrek aan grenzen en sturing vanuit de vader. Echter blijkt ook dat de verloven in de afgelopen periode van [minderjarige] vanuit [hybride groep] naar de thuissituatie bij de vader goed zijn verlopen. Van belang is bovendien dat [minderjarige] over zo’n half jaar reeds meerderjarig wordt. Positief is dat hij, zoals de kinderrechter ter zitting van 30 december 2025 aan hem heeft verzocht, een duidelijk plan van aanpak heeft opgesteld om een positieve draai te kunnen gaan geven aan zijn leven en het verblijf bij zijn vader goed te laten verlopen. De ontwikkelingen daarin zijn ongewis, maar [minderjarige] weet zich voorlopig nog gesteund door zijn JIM en de jeugdreclasseerder. Immers loopt de jeugdreclasseringsmaatregel nog tot in november 2027 door. 5.5. Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling met ingang van heden worden toegewezen. Daarmee komt voor de lopende voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp de grondslag te ontvallen, alsook voor het nog lopende verzoek machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Laatstgenoemd verzoek zal daarom voor het overige worden afgewezen. 5.6. Zoals ter zitting afgesproken zal de kinderrechter, en zoals door de advocaat van de vader is verzocht, bepalen dat het door de GI na afloop van de zitting ingediende document “wijziging bijzondere voorwaarden” (gedateerd 30 januari 2026) onderdeel zal uitmaken van de beschikking, zodat [minderjarige] weet aan welke voorwaarden hij zich dient te gaan houden om het verblijf bij zijn vader succesvol te laten verlopen. 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing opheffing ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van heden op; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. bepaalt dat het document “wijziging bijzondere voorwaarden”, gedateerd 30 januari 2026, als in de beschikking opgenomen moet worden beschouwd, zulks onder verwijzing hiervan naar de als bijlage ingevoegde scan; 6.4. wijst het verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor het overige af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.