Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1827
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,313 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1827 text/xml public 2026-03-19T12:12:59 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/444113 / JE RK 26-88 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1827 text/html public 2026-03-19T11:50:37 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1827 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/444113 / JE RK 26-88 Verlenging OTS en MUHP. De situatie van de moeder is nog maar recent wat stabieler, onderzoek Raad loopt, half jaar verlengen. Voorlopig perspectief niet bij moeder. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444113 / JE RK 26-88 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. M.S. Krol uit Rotterdam, [pleegouder 1] en [pleegouder 2] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende te [woonplaats] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: Het verzoekschrift van de GI van 9 januari 2026 met bijlagen; de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2026; het bericht van de GI van 21 januari 2026 met als bijlage de adresgegevens van de pleegouders en informatie over de toetsing door de Raad; het bericht van de GI van 22 januari 2026 met bijlagen de voortgangsverslagen en het plan van aanpak; 1.2. Op 6 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De pleegouders zijn – ondanks behoorlijke oproeping – niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 18 november 2020 is het toen nog ongeboren kind ( [minderjarige] ) voorlopig onder toezicht gesteld van de Jeugd- en Gezinsbeschermers met ingang van 18 november 2020 en tot 18 februari 2021. 2.3. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 7 februari 2025 met ingang van 16 februari 2025 en tot 16 februari 2026. 2.4. De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers is bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2024 vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. 2.5. Bij beschikking de rechtbank Midden-Nederland van 27 april 2024 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin. Deze machtiging is vervolgens verlengd, voor het laatst tot 16 februari 2026. 2.6. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2026 is de zaak doorverwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. 2.7. [minderjarige] verblijft in een pleeggezin. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI geeft aan dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en dat daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] moeten worden verlengd. Bij [minderjarige] is sprake van een verzwaarde opvoedvraag. Het is van belang dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen, dat het traject [pleegouder 2] gecontinueerd wordt en dat de omgang met zijn moeder een structureel karakter houdt. De GI is van mening dat dit vraagt om externe regie vanuit de jeugdzorgwerker. De GI verwijst ook naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 7 februari 2025 waarin de kinderrechter noemt dat de GI een perspectiefbesluit heeft genomen en hierbij benadrukt dat het belangrijk is dat de GI de vervolgstap richting de Raad zet. De GI heeft in de zomer van 2025 een verzoek tot onderzoek gezagsbeëindiging ingediend bij de Raad. 4.2. Namens en door de moeder wordt primair verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte duur van drie maanden te verlengen. Subsidiair verzoekt de moeder een nader onderzoek door de GI op grond van artikel 810a Rechtsvordering (Rv) om te onderzoeken wat de moeder en de minderjarige nodig hebben om [minderjarige] bij de moeder te laten opgroeien. 4.3. De Raad geeft aan dat zij het verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel van de GI ontvangen hebben. De Raad adviseert om de maatregelen gedurende het onderzoek door te laten lopen. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.3. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.4. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 5.5. De kinderrechter overweegt allereerst dat het niet aan haar is om een eventueel door de GI genomen perspectiefbesluit definitief te toetsen. De kinderrechter kan een eventueel perspectiefbesluit wel betrekken bij de beoordeling van andere aan haar voorgelegde verzoeken die in de wet zijn geregeld, zoals een machtiging tot uithuisplaatsing. Als de kinderrechter dit doet, heeft het oordeel over een perspectiefbesluit een voorlopig karakter. 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en voor een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.7. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Aan de zijde van de moeder is er nog maar kort sprake van meer stabiliteit.
Volledig
De laatste zorgmelding dateert van juni 2025, de moeder had toen onder invloed van drugs een conflict. De moeder erkent ook in juni nog een (volgens haar laatste) terugval te hebben gehad in drugsgebruik. De moeder heeft zich op 9 juli 2025 fysiek en verbaal dreigend opgesteld naar de jeugdbeschermer na een omgangsmoment. Daardoor is de omgang met [minderjarige] eind juli 2025 stil komen te liggen, vanwege onrust en spanningen in het leven van de moeder. Deze omgang is pas in november 2025 weer fysiek opgestart. Vanaf november 2025 zijn er weliswaar geen meldingen meer geweest vanuit de gemeente en de woningbouwvereniging en het lijkt er op dat de moeder meer rust in [plaats] heeft gevonden, maar deze, zeker positieve, ontwikkeling is gelet op de lange periode van grote onrust en instabiliteit in het leven van de moeder nog pril. De kinderrechter stelt vast dat het leven van de moeder zich in ieder geval tot de verhuizing naar [plaats] kenmerkte door een grote instabiliteit en dat de moeder hulp nodig had. De moeder heeft geen enkele inzage gegeven in het benaderen van nieuwe hulpverlenende instanties in haar nieuwe woonplaats, ook is er geen behandeling (DGT) of hulpverlening voor NAH ingezet door de moeder of is in ieder geval de GI hier niet over geïnformeerd. Het is nog onvoldoende gebleken dat de moeder haar leven structureel heeft kunnen verbeteren. 5.8. Daarnaast is er bij [minderjarige] sprake van een verzwaarde opvoedvraag vanwege hechtingsproblematiek. De eerdere stopzetting van de omgang, waarbij [minderjarige] de moeder enkele maanden heeft moeten missen, heeft daar mogelijk ook effect op gehad. 5.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vindt de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat hij op dit moment bij het pleeggezin blijft. Een terug thuisplaatsing bij de moeder is op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Zolang niet blijkt dat de situatie van de moeder structureel stabiel is, is er geen mogelijkheid om te werken naar een terug thuisplaatsing. Daar komt bij dat de moeder tijdens de zitting heeft aangegeven dat haar huis ook nog niet af is. Het gaat bovendien goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Er zijn dus wel zorgen over hechtingsproblematiek maar de pleegouders leren daar met behulp van een training op een goede manier mee om te gaan. Aan de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing wordt nog steeds voldaan. 5.10. De kinderrechter zal – nu het onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel door de Raad op korte termijn wordt opgepakt – de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor de duur van een half jaar. In de komende periode dient de GI verder te beoordelen hoe de omgangsmomenten verlopen en of er meer zicht op de (situatie van de) moeder komt. 5.11. De kinderrechter zal geen onderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv laten verrichten, zoals de moeder heeft verzocht. De kinderrechter overweegt dat een dergelijk verzoek al eerder door de moeder is gedaan en dat de moeder niet heeft laten zien dat zij inmiddels wel voldoet aan de vereisten die er eerder aan haar gesteld zijn in dit kader. Volledigheidshalve verwijst de kinderrechter naar rechtsoverweging 5.6. van de beschikking van 7 februari 2025. Uitvoerbaar bij voorraad 5.12. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 16 februari 2026 en tot 16 februari 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 16 februari 2026 en tot 16 augustus 2026; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aan tot 4 juli 2026 PRO FORMA , met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren over het verloop van de maatregelen met het verzoek aan zowel de GI als de (advocaat van de) moeder om uiterlijk deze datum de verhinderdata van de maanden juli 2026 en augustus 2026 door te geven aan de rechtbank. Deze beslissing is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.