Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1814
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,978 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1814 text/xml public 2026-03-19T15:49:56 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/445069 / JE RK 26-258 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1814 text/html public 2026-03-19T14:01:06 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/445069 / JE RK 26-258 Voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445069 / JE RK 26-258 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, feitelijk verblijvende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: het mondelinge verzoek van de Raad op 13 februari 2026; de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026. 2 De feiten 2.1. Voor zover uit de stukken nu bekend is, zijn beide ouders belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft sinds 6 februari 2026 in een crisisgroep, de [crisisgroep] van de [accommodatie] te [plaats] . 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Er zijn ernstige zorgen over de gedragsontwikkeling en het middelengebruik van [minderjarige] . Hij woonde in het [gezinshuis] . In de afgelopen maanden is binnen dit gezinshuis een duidelijke gedragsverandering zichtbaar geworden. Hij is herhaaldelijk weggelopen en als vermist opgegeven, er is sprake van schoolverzuim en hij is zijn stage kwijtgeraakt. Hij is erg beïnvloedbaar en gaat om met jongeren die een negatieve invloed op hem hebben. [minderjarige] is in korte tijd meerdere malen aangehouden voor winkeldiefstal. Daarnaast zijn er vermoedens van alcoholgebruik en het gebruik van softdrugs. Tevens is hij meerdere keren niet verschenen op afspraken met de hulpverlening (Open Door). Vanwege zijn gedrag is besloten dat [minderjarige] niet langer in [gezinshuis] kan verblijven. Plaatsing bij een van de ouders is op dit moment niet verantwoord. Bij vader bestaan aanhoudende zorgen over de veiligheid, pedagogische vaardigheden en het vermogen om [minderjarige] adequaat te begrenzen. Er zijn signalen van fysiek geweld, [minderjarige] ervaart angst voor de reactie van vader en de relatie met de stiefmoeder is verstoord. Daarnaast accepteert vader hulpverlening onvoldoende en is er geen aantoonbare verbetering in de opvoedsituatie sinds de eerdere uithuisplaatsing. Moeder kan de verzorging en opvoeding niet op zich nemen omdat zij in een AZC verblijft en onvoldoende beschikbaar en opvoedkundig belastbaar is. Zij heeft beperkt zicht op de problematiek van [minderjarige] en verwacht dat hij haar ondersteunt in praktische zaken en zorgtaken. Ook een plaatsing binnen het netwerk biedt onvoldoende waarborgen voor veiligheid en continuïteit. Het voorgestelde netwerk (neef) beschikt naar visie van de Raad over onvoldoende draagkracht, stabiliteit en beschikbaarheid om het noodzakelijke toezicht, structuur en intensieve hulpverlening te realiseren. [minderjarige] heeft gelet op zijn huidige gedragsproblematiek een gestructureerde, voorspelbare leefomgeving nodig met permanent toezicht, duidelijke begrenzing en de mogelijkheid tot behandeling en begeleiding. Een plaatsing in een passende woon- en behandelgroep is daarom noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en zijn ontwikkeling weer op gang te brengen. 4.2. Op grond van de informatie, zoals weergegeven in het verzoek, is de kinderrechter tot het oordeel gekomen dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW)). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen (artikel 1:257 BW). Ook is het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat hij uit huis wordt geplaatst. 4.3. Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . 4.4. In afwachting van de hierna te noemen zitting zal de voorlopige ondertoezichtstelling worden uitgesproken en zal de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend en wel voor de duur van twee weken. Het resterende verzoek zal worden aangehouden. Verdere beslissingen op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden. 4.5. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt dit in het belang van [minderjarige] . 4.6. De Raad, de vader, de moeder en de GI zullen alsnog binnen twee weken in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het deel van het verzoek dat nu wordt toegewezen en over het resterende verzoek. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, met ingang van 13 februari 2026 tot 27 februari 2026; 5.2. verleent een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 februari 2026 tot 27 februari 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor het overige aan tot de zitting van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw van de rechtbank aan Stationslaan 10 in Breda, op [datum] 2026 te [uur] . De kinderrechter die de zaak behandelt is mr. Sumner; 5.5. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad en de moeder en de vader; 5.6. vraagt de griffier de GI op te roepen en om [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek; 5.7. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.