Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1813
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,044 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1813 text/xml public 2026-03-19T12:19:26 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/443626 / FA RK 26-21 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1813 text/html public 2026-03-19T11:49:26 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1813 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/443626 / FA RK 26-21 Toewijzing verzoek vervangende toestemming vaccinatie Rijksvaccinatieprogramma. Verzoek vervangende toestemming identiteitskaart ter zitting ingetrokken. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/443626 / FA RK 26-21 datum uitspraak: 13 februari 2026 beschikking vervangende toestemming identiteitskaart en vaccinatie Rijksvaccinatieprogramma in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. A.A. Broekman-De Feijter in Terneuzen, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] (België), over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. Informant in deze procedure is: de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg, 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 17 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de brief met bijlagen van mr. Broekman-De Feijter, ontvangen op 23 januari 2026. 1.2 Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de zaak met C/02/443755 / JE RK 26-29, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist. 1.3 Verschenen en gehoord zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder; - een vertegenwoordiger van de GI; - een vertegenwoordigster van de Raad. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 [minderjarige] verblijft bij de man. 2.3 Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.4 Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 februari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 26 februari 2024 en tot 26 februari 2025. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 januari 2026 met ingang van 26 februari 2026 en tot 26 februari 2027. 2.5 Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2025 is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man en is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar minimaal éénmaal per week gedurende 3 uur, zulks vooralsnog op de dinsdagen van 13:00 uur tot 16:00 uur onder begeleiding van [hulpverlening], waarbij de verdere uitbreiding en de vraag of en wanneer deze contacten onbegeleid kunnen plaatsvinden in handen van de GI wordt gelegd. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1 De man verzoekt: - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , te laten inenten overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma; - ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen voor de aanvraag tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart ten behoeve van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . 3.2 De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige] te laten inenten overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma en verzoekt dit verzoek af te wijzen. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Vervangende toestemming identiteitskaart 4.1 De vrouw heeft ter zitting alsnog haar toestemming gegeven voor de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige] en het bijbehorende formulier ingevuld, alsmede ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart van [minderjarige] een kopie van haar identiteitskaart aan de man verstrekt. De man heeft daarna zijn verzoek omtrent de vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart ingetrokken. Gelet op deze intrekking kan dit verzoek niet meer worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen. Vervangende toestemming vaccinaties Rijksvaccinatieprogramma 4.2 Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). 4.3 De rechtbank zal, nu zij een vergelijk tussen partijen heeft getroffen, maar is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, een beslissing nemen op het verzoek van de man om vervangende toestemming te verlenen tot vaccinatie van [minderjarige] in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma. 4.4 Door en namens de man is toegelicht dat hij al langer wenst dat [minderjarige] wordt gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma, vooral omdat [minderjarige] al langere tijd naar de kinderopvang gaat en binnenkort ook gaat starten op de basisschool. Daarnaast loopt [minderjarige] ook op andere momenten het risico om besmet te raken met (kinder)ziektes, die grote risico’s met zich kunnen meebrengen. De man acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat hij tegen deze risico’s wordt beschermd. De man is van mening dat als uitgangspunt geldt dat vaccineren in het belang van de kinderen is. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen hij gevaccineerd had kunnen zijn wordt blootgesteld. Dit geldt des te meer omdat [minderjarige] in zijn eerste levensjaar wel de vaccinaties volgens (een deel van) het Rijksvaccinatieprogramma heeft gekregen. Daar komt bij dat de man geen (medische) omstandigheden aan de zijde van [minderjarige] bekend zijn die maken dat het risico op bijwerkingen bij hem groter is dan bij andere kinderen. 4.5 De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij na de geboorte van [minderjarige] met de man heeft besproken dat [minderjarige] de meest belangrijke vaccinaties zou krijgen. [minderjarige] is toen gevaccineerd tegen een aantal ziektes. De vrouw vindt het goed als [minderjarige] opnieuw wordt gevaccineerd tegen deze ziektes, maar niet tegen ziektes waartegen hij nog niet eerder gevaccineerd is. Het merendeel van die ziektes bestaat namelijk niet meer in Nederland of in Europa, waardoor de kans erg klein is dat [minderjarige] deze zal krijgen terwijl vaccineren een negatief effect kan hebben op zijn gezondheid. 4.6 De Raad heeft tijdens de zitting verklaard dat zijn algemene standpunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. De Raad adviseert daarom het Rijksvaccinatieprogramma te volgen en aldus het verzoek van de man toe te wijzen. 4.7 De GI heeft naar voren gebracht dat zij geen standpunt kan innemen over het al dan niet vaccineren van [minderjarige] volgens het Rijksvaccinatieprogramma. 4.8 De rechtbank overweegt als volgt. De man en de vrouw verschillen van mening over de vraag of het in het belang van [minderjarige] is dat hij deelneemt aan het volledige Rijksvaccinatieprogramma. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van (jonge) kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn.