Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1797
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,454 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1797 text/xml public 2026-03-19T14:37:56 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/440684 / FA RK 25/5203 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1797 text/html public 2026-03-19T09:27:31 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1797 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/440684 / FA RK 25/5203 Toewijzen verzoek aan moeder en stiefmoeder gezamenlijk. Voldaan aan wettelijke criteria. Natuurlijk kind, Surinaams recht, erkend door vader. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/440684 / FA RK 25/5203 datum uitspraak: 12 februari 2026 beschikking over wijziging gezag in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, en [de partner van de vrouw] , beiden wonende in [woonplaats] , hierna: de partner van de vrouw, advocaat: mr. R.G. Groen in Den Haag, tegen [de man] , hierna: de man, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans verblijvende in de Penitentiare Inrichting te [locatie] , advocaat: mr. H. Plantenga in Amsterdam, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , Suriname op [geboortedag] 2015, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 8 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Groen van 28 januari 2026 met bijlagen; - het op 4 februari 2026 van de advocaat van de man ontvangen stelbericht; - de verklaring niet voorkomen in gezagsregister. 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op 5 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de verzoeksters met hun advocaat en de advocaat namens de man (via teams). Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. 1.3 De kinderrechter heeft de minderjarige naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat hij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1 De vrouw en de man hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 [minderjarige] woont bij de vrouw en haar partner. 2.3 De man heeft [minderjarige] erkend. 2.4 De vrouw en de partner van de vrouw hebben de Surinaamse nationaliteit. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 Het verzoek en de standpunten 3.1 De vrouw verzoekt om haar en haar partner voortaan gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] . Zij verwijst voor de onderbouwing van het verzoek naar het verzoekschrift. Volgens de vrouw voldoen zij aan de wettelijke criteria voor gezamenlijk gezag. De partner van de vrouw vervult feitelijk al jaren een ouderrol voor [minderjarige] . Het is voor [minderjarige] fijn als zij ook in juridische zin mede bevoegd is om beslissingen over hem te nemen. Volgens de vrouw speelt de man feitelijk geen rol in het leven van [minderjarige] . Het uitoefenen van het gezag door de vrouw en haar partner gezamenlijk heeft geen effect op zijn juridisch vaderschap. De vrouw begrijpt de terughoudendheid van de Raad niet, nu de wetgever gemotiveerd heeft bepaald dat, om in aanmerking te komen voor gezamenlijk gezag, de vrouw gedurende drie jaar het gezag alleen moet hebben uitgeoefend en gedurende één jaar samen met degene die ook met het belast wenst te worden, de zorg voor de minderjarige hebben gehad. Hier voldoen zij aan. De vrouw vermeldt nog dat de man daags voor de zitting telefonisch contact met haar heeft gezocht. Hij heeft in het telefoongesprek aangegeven dat hij op dit moment in detentie verblijft en dat hij niets voor [minderjarige] kan betekenen. 3.2 De partner van de vrouw staat achter het verzoek van de vrouw. Zij vormt samen met haar eigen kinderen een gezin met de vrouw en [minderjarige] . Inmiddels heeft zij [minderjarige] als een eigen kind in haar hart gesloten. Zij zou dan ook graag zien, dat zij samen met de vrouw de beslissingen over hem kan nemen. 3.3 De advocaat van de man voert namens hem geen verweer tegen dit verzoek. De advocaat van de man sluit aan bij het standpunt van de vrouw. Er moet vooral gekeken worden naar de bestendigheid van de relatie tussen de vrouw en haar partner. Zij hebben al ruim drie jaar een relatie en zijn samen verhuisd van Suriname naar Nederland. De advocaat van de man hoort niets, wat zich tegen het belang van [minderjarige] zou verzetten. 3.4 [minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld, dat hij het goed vindt, als de vrouw en ‘tante’ de beslissingen over hem voortaan samen nemen. Hij weet zich nog maar weinig te herinneren van de man die hij in zijn herinnering jaren geleden een keer heeft gezien. 3.5 Volgens de vertegenwoordigster van de Raad is het fijn dat partijen ten aanzien van het verzoek op één lijn zitten, maar zij plaatst hier nog wel een kanttekening bij. In de ogen van de Raad is de relatie van de vrouw en haar partner nog pril. Zij vindt een relatie, welke nog maar drie jaar duurt, vrij kort om al over te gaan tot wijziging van het gezag. 4 De beoordeling Rechtsmacht 4.1 De vrouw en haar partner hebben beiden de Surinaamse nationaliteit en de vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Dit betekent dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen. 4.2 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. [minderjarige] had op het moment van het indienen van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Hierdoor komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. 4.3 Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast. Het gezag van rechtswege na de geboorte 4.4 Voor de beantwoording van de vraag wie er met het gezag over [minderjarige] is belast, overweegt de rechtbank het volgende. 4.5 Uit de feiten leidt de rechtbank af dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van zijn geboorte in Suriname was. Op grond van het bepaalde in artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is voor de vraag wie destijds het gezag over [minderjarige] heeft verkregen daarom Surinaams recht van toepassing. 4.6 De ouders van [minderjarige] zijn nooit gehuwd geweest. Volgens Surinaams recht is een kind dat: - niet binnen het huwelijk is geboren; - niet is gewettigd door het huwelijk; - niet is geadopteerd; een natuurlijk kind. Een natuurlijk kind staat enkel onder voogdij. De voogdij wordt uitgeoefend door een voogd. De voogd is de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige en verricht namens hem of haar rechtshandelingen. De voogd is verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. 4.7 Een ongetrouwde meerderjarige vrouw die een kind krijgt, wordt automatisch voogdes over dat kind. Dat blijft zo, ook al wordt het kind na de geboorte erkend door de vader. De vader krijgt door de erkenning niet van rechtswege de voogdij over het kind. De moeder van het kind dat erkend is, blijft in dat geval – alleen – de wettelijke vertegenwoordiger van het kind. 4.8 Dit brengt mee dat de vrouw na de geboorte van [minderjarige] van rechtswege de voogdij over hem uitoefende en dat zij dus naar Nederlandse terminologie het gezag over hem heeft. Het gezag na de erkenning en verhuizing 4.9 De man heeft [minderjarige] op 1 juni 2022 in Nederland erkend.
Volledig
[minderjarige] verbleef op dat moment, voor zover de rechtbank bekend, nog in Suriname. De man heeft door de erkenning niet van rechtswege de voogdij of het gezag over [minderjarige] gekregen. Na de erkenning was de vrouw daarom nog steeds van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . 4.10 [minderjarige] is in oktober 2023 naar Nederland verhuisd, zo blijkt uit zijn inschrijving in het BRP. In dat kader is artikel 16 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 relevant. Uit lid 3 van voornoemd artikel volgt dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind, bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dit brengt mee dat de verhuizing naar Nederland geen wijziging in het gezag van de vrouw heeft gebracht. 4.11 Voor de positie van de man is artikel 16, lid 4, van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 relevant. Volgens die bepaling wordt, indien de gewone verblijfplaats van het kind wordt verplaatst, het van rechtswege ontstaan van ouderlijke verantwoordelijkheid van een persoon die deze verantwoordelijkheid niet reeds heeft, beheerst door het recht van de staat van de nieuwe gewone verblijfplaats. 4.12 Dat betekent dat naar Nederlands recht dient te worden bezien of de man mogelijk gezag heeft over [minderjarige] heeft gekregen. Op grond van artikel 1:253b lid 1 BW berust het gezag over een kind alleen bij de moeder, als de ouders van het kind niet met elkaar gehuwd (geweest) zijn en zij niet in het gezagsregister hebben doen opnemen dat zij gezamenlijk het gezag over het kind wensen uit te oefenen. De rechtbank stelt vast dat de man en de vrouw nooit met elkaar gehuwd zijn geweest en niet in het gezagsregister hebben doen opnemen dat zij gezamenlijk het gezag over [minderjarige] wensen uit te oefenen. De wetswijziging, waarin er van rechtswege gezag ontstaat bij erkenning, is op 1 januari 2023 in werking getreden, zodat aan de erkenning van [minderjarige] door de man op 1 juni 2022 nadien in Nederland geen rechtsgevolgen op het gebied van het verkrijgen van gezag zijn verbonden. 4.13 De rechtbank stelt, gelet op het bovengenoemde, vast dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Inhoudelijke beoordeling 4.14 Ingevolge artikel 1:253t BW kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder, die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. In het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek slechts toegewezen, indien: de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest. Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel 253q, eerste lid, en artikel 253r. Het staat niet open voor rechtspersonen. 4.15 De rechtbank stelt vast dat de vrouw en haar partner voldoen aan de criteria die de wetgever heeft gesteld aan het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. De rechtbank neemt hiervoor in overweging dat de vrouw het gezag over [minderjarige] al meer dan drie jaar alleen uitoefent. Ook is gebleken dat de vrouw en Haar partner al meer dan één jaar samen in gezinsverband voor [minderjarige] zorgen. De partner staat daarmee in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] . De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat met het inwilligen van het verzoek zijn belangen zouden worden geschaad. De vader van [minderjarige] heeft hem erkend, welke juridische band door toewijzing van het verzoek niet wordt aangetast. Bij een afweging van belangen prevaleren de belangen van [minderjarige] , zijn moeder en de partner van de moeder. Hun gezinsverband wordt met de toewijzing van dit verzoek versterkt. Daar komt bij dat, hoewel de man momenteel geen contact heeft met [minderjarige] , een toewijzing van dit verzoek de mogelijkheid van contact tussen hen in de toekomst niet uitsluit. 4.16 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 5 De beslissing De rechtbank bepaalt dat [de vrouw] en [de partner van de vrouw] voortaan samen het gezag uitoefenen over [minderjarige] ; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.