Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1779
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,233 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1779 text/xml public 2026-03-20T13:39:18 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1776 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-13 26/1104 VV Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1779 text/html public 2026-03-20T13:38:53 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1779 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-03-2026 / 26/1104 VV Onbevoegd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/1104 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen drs. [verzoekster], uit [plaats], verzoekster en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake haar verzoek om een spoedprocedure. 1.1. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij kennelijk onbevoegd is. 1.2. Verzoekster heeft de IGJ verzocht om een spoedprocedure met betrekking tot een viertal tuchtklachten die zij heeft ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG). Eerder verzocht zij het RTG tot het opstarten van een spoedprocedure in haar tuchtklachten. Het RTG heeft haar meegedeeld dat op grond van artikel 65 lid 6 van de wet BIG de IGJ de bevoegdheid heeft een spoedprocedure op te starten bij het RTG. Zij heeft daarna haar verzoek aan de IGJ gericht. Met de brief van 18 februari 2026 heeft de IGJ verzoekster gemeld dat is besloten om niet in te gaan op het verzoek. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en zij heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, dan kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.2. De voorzieningenrechter is pas bevoegd om het verzoek te behandelen als sprake is van een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt (artikel 7:1, eerste lid en aanhef, in samenhang met artikel 8:1 van de Awb). 2.3. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat: "Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling." Met een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg. Rechtsgevolg is het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding, zoals rechten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid of status. 2.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de IGJ in de brief van 18 februari 2026 heeft vermeld dat zij niet zal ingaan op het verzoek. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (AbRVS) volgt dat de beslissing van een bestuursorgaan om al dan niet een tuchtklacht in te dienen bij een tuchtrechter geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat de bevoegdheid van de IGJ om een tuchtklacht in te dienen of (in dit geval) een spoedprocedure op te starten wettelijk is vastgelegd maakt dit niet anders. 2.5. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de brief van 18 februari 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet op rechtsgevolg gericht en door wat is bepaald in de brief, verandert er niets in de juridische positie van verzoekster. Conclusie en gevolgen 3. De voorzieningenrechter is niet bevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen. Het door verzoekster betaalde bedrag aan griffierecht van € 200,- zal worden teruggestort. Beslissing De voorzieningenrechter is onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2264 en 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2753.