Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1770
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,153 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1770 text/xml public 2026-03-23T11:07:52 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-13 BRE 26/656 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1770 text/html public 2026-03-23T11:06:54 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-03-2026 / BRE 26/656 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/656 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk , het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 7 oktober 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiser heeft het college op 24 december 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd? 4. Het college geeft in het verweerschrift aan dat de behandeling van het Woo-verzoek meer tijd in beslag heeft genomen wegens de aard en complexiteit van het verzoek en de omstandigheid dat daarbij belangen van een derde betrokken zijn. Verder geeft het college aan dat de besluitvorming zich in de afrondende fase bevindt en dat er op 26 februari 2026 een besluit zal worden genomen. Omdat het college de rechtbank niet heeft geïnformeerd dat dat ook is gebeurd, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Eiser verzoekt om een termijn van een week op te leggen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.