Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1732
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,052 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1732 text/xml public 2026-03-19T14:31:56 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10 C/02/443269 KG ZA 25-690 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1732 text/html public 2026-03-19T14:31:32 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1732 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / C/02/443269 KG ZA 25-690 Zorgen over verslavingsproblematiek vrouw. Voorlopige toevertrouwing mj aan de man en vervangende toestemming inschrijving school in de buurt. Twee uur per week begeleid contact tussen mj en de vrouw i.a.v. begeleiding door Sterk Huis. vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda zaaknummer: C/02/443269 KG ZA 25-690 Vonnis in kort geding van 10 februari 2026 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, in conventie, verweerd in reconventie, advocaat: mr. B.P.A. Beers te Roosendaal, tegen [de vrouw] wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. S. Kievit te Breda. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties van 13 januari 2026; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties van 19 januari 2026; - het bericht met bijlagen van mr. Van Beers, ontvangen op 20 januari 2026; - het bericht van mr. Van Beers van 26 januari 2026; - het bericht van mr. Kieviet van 28 januari 2026. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een medewerker namens de Raad. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna te noemen [minderjarige] . 2.2. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. Partijen hebben afspraken gemaakt over [minderjarige] en deze vastgelegd in een ouderschapsplan. Hierin is onder andere opgenomen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en dat [minderjarige] in de oneven weekenden van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.30 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg, bij de man verblijft. 2.4. Sinds 10 december 2025 verblijft [minderjarige] feitelijk bij de man. 3 Het geschil in conventie en reconventie 3.1. De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat [minderjarige] voorlopig wordt toevertrouwd aan de man en aan de man vervangende toestemming wordt verleend [minderjarige] op zijn adres in te schrijven en [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben; II. aan de man vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op basisschool ‘ [basisschool] . III. te bepalen dat de vrouw voorlopig alleen telefonisch of via videobellen contact zal hebben met [minderjarige] , totdat de hulpverlening anderszins adviseert, althans een zodanige contactregeling als de voorzieningenrechter redelijk acht. 3.2. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de man te veroordelen om [minderjarige] binnen één dag na het in deze te wijzen vonnis aan de vrouw af te geven op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat de man nalaat aan dit vonnis te voldoen, dan wel een door U EA voorzieningenrechter te bepalen dwangsom; II. te bepalen dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd; III. te bepalen dat de zorgregeling, inhoudende dat [minderjarige] om de week van vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijft, dient te worden hervat; In voorwaardelijke reconventie vordert de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: IV. Indien en voor zover uw rechtbank wel bepaalt dat [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd, een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij de vrouw iedere woensdag na school tot 18:00 uur en iedere zaterdag van 09:00 uur tot 16:00 uur omgang heeft met de vrouw, waarbij de vrouw [minderjarige] woensdag van school haalt en de man [minderjarige] om 18:00 uur weer bij de vrouw komt ophalen, en de man [minderjarige] op zaterdag bij de vrouw brengt en de vrouw (dan wel haar moeder) [minderjarige] weer naar de man brengt. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn vorderingen en zijn verweer in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Op 7 december 2025 zou de man [minderjarige] na het omgangsweekend terugbrengen. Toen de man telefonisch contact had met de vrouw over het brengen van [minderjarige] hoorde hij dat de vrouw erg dronken was. Hij heeft de vrouw toen medegedeeld dat hij [minderjarige] bij de ouders van de vrouw zou afzetten. Op 8 december heeft de man zijn zorgen omtrent de toestand van de vrouw geuit bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft later aangegeven dat er al twee recente meldingen waren. De politie had gemeld dat de vrouw twee keer onder invloed auto zou hebben gereden. De GGz had zorgen geuit over de zorg van [minderjarige] , zo zou de woning vervuild zijn, zou de vrouw zich suïcidaal uiten en in periodes veel alcohol drinken. Vanwege deze zorgen was afgesproken dat [minderjarige] voorlopig bij de ouders van de vrouw zou blijven, echter verbleef [minderjarige] gewoon bij de vrouw. In overleg en met instemming van de vrouw en de ouders van de vrouw heeft de man [minderjarige] op 10 december opgehaald en mee naar huis genomen. De man heeft alle betrokken instanties daarvan op de hoogte gebracht. De vrouw kan niet voorzien in de meest basale behoefte van [minderjarige] en de man verwacht dat dit nog enige maanden zal duren. Daarnaast worden de man en [minderjarige] belast met een reistijd van 90 minuten tussen de woning van de man en school. De man acht het daarom van belang dat voorlopige voorzieningen worden getroffen ten aanzien van het hoofdverblijf en de school waar [minderjarige] naartoe gaat. Hij kan de zorg voor [minderjarige] op zich nemen en wordt daarbij ondersteund door zijn ouders. [minderjarige] kan zo mogelijk per direct instromen op basisschool ‘ [basisschool] ’ in [woonplaats 1] . Ook kan zij naar de buitenschoolse opvang. Sinds de wijziging in het verblijf hebben de vrouw en [minderjarige] twee keer telefonisch contact gehad. De man acht telefonisch of videobel contact onder de huidige omstandigheden het hoogst haalbare. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man de voorzieningenrechter medegedeeld dat de moeder van de man op maandag, woensdag, donderdag en vrijdag na 15:30 uur in de omgeving van [woonplaats 1] de omgang tussen de vrouw en [minderjarige] zou kunnen begeleiden. Het heeft echter de voorkeur van de man dat een onafhankelijke professionele organisatie zoals Sterk Huis de omgang begeleid. Zij zouden na inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man kunnen starten. 4.2. Door en namens de vrouw is ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw is augustus enorm ziek geweest, waarbij zij ook in een coma is beland. Dit is voor haar heel heftig geweest.
Volledig
Gedurende deze periode is [minderjarige] bij de moeder van de vrouw geweest. De man heeft op geen enkel moment aangeboden de zorg over te nemen. Nadat de vrouw uit haar coma kwam, heeft zij enorm last gehad van angst, herbelevingen en nachtmerries. Deze spanning heeft er toe geleid dat zij alcohol is gaan drinken. Zij erkent dat zij dit absoluut niet had mogen doen, maar zij heeft [minderjarige] hiermee nooit in een onveilige situatie gebracht. De vrouw is na het incident op 20 november een dag opgenomen geweest bij de Viersprong in [plaats] . Zij heeft echter nooit suïcidale gedachten gehad of een suïcidepoging gedaan. Sindsdien heeft de vrouw alle hulp aangepakt. Het gaat een stuk beter met haar en zij drinkt niet meer. De vrouw heeft een maatschappelijk werkster, staat op de wachtlijst voor de GGz en er is een WMO indicatie voor Novadic Kentron aangevraagd. [minderjarige] staat op de wachtlijst voor het Centrum voor Jeugd en Gezin. Er zijn eerder nooit zorgen geweest over de veiligheid van [minderjarige] of de opvoedsituatie bij de vrouw. De vrouw betwist dat Veilig Thuis zou hebben geadviseerd dat [minderjarige] voorlopig bij de ouders van de vrouw moest verblijven. De man heeft [minderjarige] zonder overleg of instemming van de vrouw op 10 december opgehaald. De vrouw is hier enkel in meegegaan om verdere onrust voor [minderjarige] te voorkomen. De man heeft eenzijdig besloten het leven van [minderjarige] om te gooien. Bovendien is de man niet in staat om de volledige zorg voor [minderjarige] op zich te nemen vanwege zijn werk. Met name de partner en de moeder van de man spelen in de zorg een grote rol. Sinds [minderjarige] bij de man verblijft hebben de vrouw en [minderjarige] elkaar slechts één keer een uur gezien en een aantal telefonische contactmomenten gehad. De vrouw meent dat onbegeleid contact mogelijk is. Het leven van [minderjarige] speelt zich voor het overgrote deel af bij de vrouw. Dit is altijd goed gegaan en er zijn nooit zorgen geweest. Het kan niet zo zijn dat vanwege één incident het leven van [minderjarige] volledig wordt omgegooid. De vrouw meent dan ook dat [minderjarige] aan haar dient te worden toevertrouwd en dat de overeengekomen zorgregeling dient te worden hervat. Zij acht een dwangsom noodzakelijk nu zij de gerede angst heeft dat de man [minderjarige] anders niet zal afgegeven. Indien de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd vordert de vrouw een voorlopige onbegeleide zorgregeling. Zij vindt dat veiligheid van [minderjarige] bij haar voldoende gewaarborgd is. Als de voorzieningenrechter begeleiding noodzakelijk acht, kan de omgang onder begeleiding plaatsvinden. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw de voorzieningenrechter laten weten dat de maatschappelijk werkster de omgang enkel incidenteel kan begeleiden. De ouders van de vrouw zijn wel beschikbaar voor begeleiding. De vrouw stelt voor dat zij samen met haar ouders [minderjarige] van school kan halen en de man (of zijn moeder) [minderjarige] daarna bij de vrouw kan ophalen. Eventueel kan de omgang ook worden begeleid door een professionele instantie. De vorderingen van de man dienen te worden afgewezen. Een verandering van school is voor [minderjarige] meer belastend en ingrijpender dan een lange reistijd. Indien de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] voorlopig moet worden toevertrouwd aan de man dient dit een tijdelijke situatie te zien. Het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man, het inschrijven van [minderjarige] op het adres van de man en het inschrijven van het [minderjarige] op de school in [woonplaats 1] zijn veel te ingrijpende maatregelen om nu te nemen. 4.3. De Raad adviseert de voorzieningenrechter om voorlopig het hoofdverblijf bij de man te bepalen zodat de situatie blijft zoals die is. Daarnaast dient er een zo ruim mogelijk voorlopige regeling tussen de vrouw en [minderjarige] te komen. Wat betreft de school zal een wisseling voor [minderjarige] hoe dan ook ingrijpend zijn. Anderzijds is de reistijd voor haar ook belastend. Het heeft de voorkeur van de Raad als [minderjarige] in [woonplaats 2] op school zou kunnen blijven. De beslissing daarover laat de Raad echter bij de voorzieningenrechter. In een raadsonderzoek zal moeten worden gekeken naar wat uiteindelijk het meest in het belang van [minderjarige] is. De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Partijen hielden zich tot voorkort aan de zorgregeling maar van de oudercommunicatie is nog maar weinig over. 5 De beoordeling in conventie en in reconventie Spoedeisend belang 5.1. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Inhoudelijke beoordeling 5.2. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 5.3. Ten aanzien van de vorderingen betreffende de voorlopige toevertrouwing en de inschrijving van [minderjarige] op een basisschool in de woonplaats van de man overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Voorop wordt gesteld dat de voorliggende vorderingen strekken tot het treffen van een voorlopige, ordenende maatregel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het nu niet alleen nodig is dat [minderjarige] voorlopig wordt toevertrouwd aan de man, met een daar aan gekoppeld voorlopige inschrijving van [minderjarige] op zijn adres, maar ook dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] in te schrijven op basisschool ‘ [basisschool] ’ te [woonplaats 1] . De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de vrouw thans niet beschikbaar is als stabiele, veilige opvoeder van [minderjarige] wegens gebleken ernstige verslavingsproblematiek. Het herstel van die verslaving zal van de vrouw aanzienlijke inspanningen en de nodige tijd vergen. [minderjarige] mag daar echter niet onder lijden. Het is van belang dat [minderjarige] haar leven voort kan zetten en de ruimte krijgt om verder op te groeien en te ontwikkelen. Voor de nabije toekomst betekent dit, dat zij bij de man zal wonen en van daar uit naar een school in de buurt zal gaan. Het is voor de man praktisch nauwelijks haalbaar om [minderjarige] dagelijks naar de school in [woonplaats 2] te brengen en haar daar weer op te halen. Ook voor [minderjarige] zelf is dit niet fijn, het betekent immers dat zij vele uren in de auto door brengt en haar sociale leven moeilijk vorm kan geven. De voorzieningenrechter acht het in het belang van [minderjarige] en de man dat [minderjarige] tenminste voorlopig, naar een school in de woonplaats van de man, [woonplaats 1] , zal gaan. De vrouw dient aan zichzelf te werken en de resultaten daarvan dienen duurzaam en ook zichtbaar te zijn. De voorzieningenrechter verwacht gelet op alles wat er speelt dat tenminste dit schooljaar geen verandering in de thans bestaande situatie zal intreden. 5.4. Ten aanzien van de vorderingen over de contacten tussen de vrouw en [minderjarige] hebben de raadslieden van partijen de voorzieningenrechter na de zitting schriftelijk geïnformeerd over de mogelijkheden voor begeleid contact. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vrouw haar ouders beschikbaar heeft om de contacten te begeleiden. De moeder van de man kan ook een rol spelen, maar de man heeft de voorkeur gegeven aan begeleid contact door Sterk Huis. Sterk Huis zou na inschrijving van [minderjarige] op het adres van de man aan de slag kunnen met de begeleiding van de contacten, aldus de man. 5.5. De voorzieningenrechter acht het van belang dat de vrouw en [minderjarige] zo veel mogelijk contact met elkaar hebben. Dat contact moet echter wel veilig en verantwoord vorm krijgen. Gelet op de aard en ernst van de problematiek aan de zijde van de vrouw acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige] dat Sterk Huis als professionele hulpverleningsinstantie de omgang zal begeleiden en de regie daarin zal bepalen.