Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:1653
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,274 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1653 text/xml public 2026-03-19T11:53:32 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 C/02/444300 / JE RK 26-128 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1653 text/html public 2026-03-18T08:19:02 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1653 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / C/02/444300 / JE RK 26-128 Gesloten plaatsing met instemming moeder RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444300 / JE RK 26-128 Datum uitspraak: 9 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG , gevestigd te Tilburg, hierna te noemen: het college, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [minderjarige] , voornoemd, [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van het college met bijlagen, ontvangen op 22 januari 2026; de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 26 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - [minderjarige] , die ook apart voorafgaand aan de zitting is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder; twee vertegenwoordigsters van het college Tilburg. Daarnaast was aanwezig de heer [persoon 1] , mentor van [minderjarige] vanuit [hulpverlening] . Aan hem is bijzondere toegang verleend. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader van [minderjarige] is sinds 2014 niet meer in beeld. 2.2. Bij beschikking van 5 augustus 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp met ingang van 5 augustus 2025 tot 19 augustus 2025. Op 14 augustus 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 augustus 2025 tot 14 februari 2026. 2.3. Op basis van voorgaande machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats 1] . 3 Het verzoek 3.1. Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. 3.2. Het college heeft bij het verzoek een schriftelijke en door de onafhankelijke gedragswetenschapper, drs. [persoon 2] , ondertekende verklaring overgelegd waaruit blijkt dat deze instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Dit blijkt uit de instemmingsverklaring van 26 januari 2026. 3.3. Ook heeft het college bij het verzoek de schriftelijke verklaring van de moeder overgelegd waaruit blijkt dat de moeder instemt met het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Dit blijkt uit de instemmende verklaring van 20 januari 2026, op zitting door de moeder bevestigd. 4 De standpunten 4.1. Namens het college is in de overlegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de zorgen over [minderjarige] nog niet volledig zijn weggenomen. [minderjarige] heeft in de afgelopen periode wel goede stappen gezet en maakt wel een goede ontwikkeling door. [minderjarige] staat inmiddels beter in verbinding met de begeleiders bij [accommodatie] , laat meer emoties zien en kan daarbij aangeven waarom hij zich zo voelt. [minderjarige] kan sneller schakelen wanneer hij hoog in de spanning zit, maar heeft daarbij wel de nabijheid van een veilige volwassene nodig. Het lukt [minderjarige] beter om zijn eigen aandeel te zien in sociale situaties. Daarnaast verloopt het contact tussen [minderjarige] en de moeder beter. Ondanks dat [minderjarige] op verschillende vlakken in de afgelopen maanden stappen heeft gemaakt en hij steeds beter gedrag laat zien, zijn er nog wel zorgen en risico’s aanwezig die eerder aanleiding zijn geweest voor een gesloten plaatsing. Zodra de emoties hoog oplopen is [minderjarige] snel boos. Daarnaast zoekt [minderjarige] veel contact en bevestiging bij oudere jongens op de groep. [minderjarige] raakt hierbij snel in een conflict verzeild wat kan uitmonden in een fysiek conflict. [minderjarige] is snel beïnvloedbaar voor groepsdruk en hiervoor is hij nog onvoldoende weerbaar. Het lukt hem nog onvoldoende om grenzen aan te geven en hij is daarbij vatbaar voor roken, drugsgebruik en weglopen. [minderjarige] vindt het lastig om te zien waar hij goed in is. Voorheen kon [minderjarige] rust vinden op de [locatie] waar hij kon werken met paarden maar daar wil hij niet meer naartoe. [minderjarige] moet leren dat hij zich aan de afspraken moet houden. Zichtbaar is dat [minderjarige] behoefte heeft aan structuur en begrenzing. Te veel vrijheid leidt ertoe dat hij minder goed luistert en dat hij regels moeilijker opvolgt. Ook heeft [minderjarige] de behandeling via PMT afgewezen. Hij wil hier absoluut niet naartoe. In de komende periode dient [minderjarige] onder andere inzicht te geven in zijn verleden en moet hij aangeven waar zijn gedragspatronen en gevoelens vandaan komen. Om extra stappen te kunnen zetten, is het van belang dat [minderjarige] op korte termijn in dezelfde veilige omgeving bij [accommodatie] verder kan leren. Eerder is gezien dat [minderjarige] langer de tijd nodig heeft om vertrouwen te krijgen in zijn omgeving om tot ontwikkeling te kunnen komen. Als [minderjarige] zou worden overgeplaatst dan is het de verwachting dat hij in de weerstand gaat en dat hij zich terugtrekt uit het contact. Dit zal dan leiden tot stilstand in zijn ontwikkeling. Het is belangrijk dat [minderjarige] zich verder ontwikkelt, voordat hij kan doorstromen naar een vervolgplek met meer vrijheden. Het heeft de voorkeur dat de vervolgplek een behandelgroep betreft. Inmiddels zijn er behandelgroepen in de omgeving van de moeder benaderd maar vooralsnog is er nog geen sprake van een concreet aanbod. [minderjarige] staat op de wachtlijst van de behandelgroep van Sterk Huis. Het is de verwachting dat er een plek beschikbaar komt omstreeks mei 2026. Dit is afhankelijk van de uitstroom en of [minderjarige] in de groep past. Benadrukt wordt dat [minderjarige] momenteel erg gebaat is bij een verblijf in de gesloten instelling. De veiligheid, nabijheid en structuur maken dat [minderjarige] tot een positieve ontwikkeling komt en de kans is erg groot dat [minderjarige] terugvalt in oud gedrag als de kaders van de gesloten jeugdzorg op dit moment al zouden wegvallen. 4.2. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het goed met hem gaat bij [accommodatie] . [minderjarige] vindt het geen probleem als hij langer op de groep moet verblijven. [minderjarige] voelt zich prettig op de groep en hij heeft een goede band met zijn mentoren [mentor 1] en [mentor 2] met wie hij goede gesprekken voert. Het lukt [minderjarige] inmiddels beter om gesprekken aan te gaan. [minderjarige] gaat naar school en voetbal graag op het terrein. Soms kan [minderjarige] boos worden. In de weekenden mag [minderjarige] bij de moeder zijn en bij haar blijven slapen. Vroeger had [minderjarige] veel ruzie met de moeder maar nu niet meer. Het is niet leuk als [minderjarige] na een bezoek aan de moeder terug naar de groep moet. [minderjarige] reageert geagiteerd als het gaat over het weglopen op de groep en het gebruik van drugs. [minderjarige] gaat stoppen met blowen. Als [minderjarige] is weggelopen, wordt hij bij terugkomst gefouilleerd en krijgt hij straf. Tijdens het weglopen gaat [minderjarige] zwartrijdend met de trein naar [plaats 2] en daar gaat hij chillen en hangen met jongens. [minderjarige] wil niet vertellen waarom hij niet meer met paarden wil werken. 4.3.
Volledig
De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat [minderjarige] ambivalent is over zijn verblijf bij [accommodatie] . Hij vindt het geen probleem om langer bij [accommodatie] te blijven. Aan de andere kant wil hij graag zijn vrijheid terug. Er wordt voldaan aan de juridische vereisten om de machtiging te verlenen. 4.4. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij kan instemmen met een langere gesloten plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] . De moeder is trots op de stappen die [minderjarige] in de afgelopen periode heeft gezet, maar hij is nog niet voldoende stabiel om al terug te kunnen keren in de maatschappij. Na het stoppen van de medicatie is [minderjarige] teruggevallen in zijn gedrag. Inmiddels is de medicatie weer opgestart en wordt er gezien dat de zorgen en stress bij hem afnemen. Binnenkort beslist de psychiater of de medicatie verder opgehoogd dient te worden. Als de stress hoog is, wordt [minderjarige] snel boos. Op de momenten dat hij rustig is, kan de moeder gesprekken met [minderjarige] voeren. In de weekenden gaat het goed met [minderjarige] bij de moeder en bij de opa en oma. Het is belangrijk dat [minderjarige] in de komende periode extra stappen kan zetten op een voor hem vertrouwde plek om daarna door te kunnen stromen naar een open groep. 4.5. De mentor brengt naar voren dat [minderjarige] in het begin erg moest wennen aan zijn verblijf bij [accommodatie] . Inmiddels wordt gezien dat het beter met hem gaat en dat hij zich beter kan openstellen. [minderjarige] heeft een buddy toegewezen gekregen met wie hij op positieve wijze tegenop kan kijken. Nadat [minderjarige] was gestopt met de medicatie ging het slecht met hem. Hij was snel boos. Inmiddels is de medicatie weer opnieuw opgestart en wordt er gezien dat hij veel rustiger is. [minderjarige] kan beter relativeren en maakt betere keuzes. Het is de verwachting dat het niet goed zal gaan als [minderjarige] nu naar een andere groep overgeplaatst wordt. Het is een lieve en zorgzame jongen, die tegen de grotere jongens op kijkt en dan de verkeerde keuze maakt en in vervelende situaties terecht komt, zoals blowen en weglopen. [minderjarige] luistert naar de mentoren en voert met hen veel gesprekken. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Het verblijf in een gesloten accommodatie is noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw). Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. De kinderrechter zal hierna toelichten waarom. 5.2. Uit de overgelegde stukken en uit dat wat tijdens de zitting is besproken, blijkt dat er sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen bij [minderjarige] . In de afgelopen periode heeft [minderjarige] goede stappen gezet, maar hij is er nog niet. Voordat [minderjarige] overgeplaatst kan worden, moet er in ieder geval gewerkt worden aan zijn boosheid, zijn beïnvloedbaarheid en aan het blowen. Daarnaast dient onderzocht te worden of er passende therapie voor [minderjarige] beschikbaar is. De veiligheid, nabijheid en structuur van de gesloten groep maken dat [minderjarige] tot een positieve ontwikkeling begint te komen. De kans is erg groot dat [minderjarige] terugvalt in oud gedrag als de kaders van de gesloten jeugdzorg op dit moment al wegvallen. Het beeld dat is geschetst in de instemmingverklaring rondom zijn boosheid wordt ook op zitting gezien. 5.3. Dit maakt dat de kinderrechter het verzoek zal toewijzen en een opvolgende machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] zal verlenen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter verleent daarom een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] met ingang van 14 februari 2026 tot 14 mei 2026. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 14 februari 2026 tot 14 mei 2026. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.