Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:1648
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/503 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. N.M.C.W. van der Steen-Priems), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de daaraan verbonden terugvordering. Eiseres is het daar niet mee eens. Aan de hand van onder meer haar beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV in het bestreden besluit op goede gronden de herziening en terugvordering in stand heeft gelaten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering van eiseres heeft herzien en het onverschuldigd betaalde bedrag aan uitkering heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het UWV over 2023 € 21.276,72 bruto aan WIA-uitkering teruggevorderd, in verband met inkomsten van eiseres naast haar uitkering. In het besluit van 3 september 2024 heeft het UWV bepaald dat de inkomsten van eiseres over 2023 met de WIA-uitkering worden verrekend. 2.1. Met de besluiten van 14 november 2024 en 15 november 2024 heeft het UWV respectievelijk besloten om de inkomsten van eiseres vanaf 1 januari 2024 tot 1 oktober 2024 te verrekenen met de WIA-uitkering en om over deze periode € 5.777,31 bruto terug te vorderen. 2.2. In de beslissing op bezwaar van 16 december 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 29 augustus 2024, 3 september 2024, 14 november 2024 en 15 november 2024 ongegrond verklaard en de herzieningen en terugvorderingen in stand gelaten. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar vader. Het UWV is vertegenwoordigd door [gemachtigde] . 2.5. Ter zitting is besproken of het mogelijk is om een minnelijke regeling te treffen, waarna de rechtbank de zaak twee weken heeft aangehouden. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven om, als er geen overeenstemming wordt bereikt, zonder nadere zitting uitspraak te doen. 2.6. Het UWV heeft de rechtbank op 25 november 2025 laten weten niet in te stemmen met de besproken regeling. De rechtbank heeft partijen vervolgens tot 19 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog een minnelijke regeling te treffen. Eiseres heeft de rechtbank op 8 januari 2026 laten weten dat dit niet gelukt is. De rechtbank heeft vervolgens op 3 maart 2026 het onderzoek gesloten en aangegeven schriftelijk uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres ontving sinds 2019 een WIA-uitkering. Vanaf 1 september 2022 ontving zij daarnaast een vergoeding voor mantelzorg aan haar moeder op basis van een aan haar moeder toegekend persoonsgebonden budget (PGB). Eiseres heeft met haar moeder – in de periode vanaf 1 september 2022 tot en met 2024 – meerdere zorgovereenkomsten gesloten. 3.1. Het UWV heeft na een melding over een mogelijke overtreding door eiseres onderzoek hiernaar verricht en vervolgens de hiervoor (onder het kopje ‘procesverloop’) aangehaalde besluiten genomen. Standpunt eiseres 4. Eiseres voert in beroep aan dat het UWV de terugvordering verkeerd heeft berekend. Het UWV heeft er namelijk geen rekening mee gehouden dat eiseres de zorg voor haar moeder deelde met haar vader en haar zus en dat de inkomsten uit he Het UWV moet de relevante feiten en omstandigheden zodanig afwegen dat de belangenafweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan. Bij de belangenafweging dienen onder meer de oorzaak en de gevolgen van de herziening, de stelplicht van eiseres en de onderzoekplicht van het UWV te worden meegenomen. 6.7. Aangezien de herziening terug te voeren is op een overtreding van de inlichtingenplicht, van fouten aan de kant van het UWV geen sprake is, eiseres feitelijk dubbele inkomsten heeft gehad (en zelfs een aanzienlijk deel van het PGB heeft gespaard), is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van dringende redenen om (deels) af te zien van terugvordering. Conclusie en gevolgen 7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht de WIA-uitkering van eiseres over de periode van 1 januari 2023 tot 1 oktober 2024 heeft herzien en de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd. Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 11 maart 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) Artikel 27, eerste lid: 1. De verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV. (….) Artikel 52, eerste en vierde lid: 1. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt per kalendermaand in mindering gebracht: 0,7 x A x B/C waarbij: A staat voor inkomen per kalendermaand; B staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend; C staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag. 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. Artikel 76, eerste lid, sub a en c, en derde lid: 1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien: a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vas