Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:1637
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,127 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1637 text/xml public 2026-03-19T11:51:56 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 C/02/442395 / FA RK 25-6118 (bodemzaak) Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1637 text/html public 2026-03-18T11:04:03 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1637 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / C/02/442395 / FA RK 25-6118 (bodemzaak) Vervangende toestemming erkenning. verwijzing UHA. voorlopige omgangsregeling ex art, 223 Rv RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummers: C/02/442395 / FA RK 25-6118 (bodemzaak) C/02/442399 / FA RK 25-6120 (provisionele voorziening) Datum uitspraak: 9 februari 2026 beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang tevens over een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.C.G. Vermue te Roosendaal, tegen: [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal, betreffende de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023, hierna te noemen: [minderjarige 2] . Als belanghebbende in onderhavige zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt: [minderjarige 2] , voornoemd, vertegenwoordigd door mr. G.H.M. van Laarhoven in zijn hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het (verdere) procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: Inzake zaaknummer C/02/442399 / FA RK 25-6120 - het op 25 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; Inzake zaaknummer C/02/442395 / FA RK 25-6118 de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige 2] van 24 december 2025 en alle daarin vermelde stukken; het op 15 januari 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator; In beide zaken het op 27 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; de brief van mr. Vermue van 28 januari 2026 met bijlagen; de afschriften van de geboorteakte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; de uittreksels uit het gezagsregister over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 3 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw met hun advocaten. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad. 2 De (nadere) beoordeling Inzake zaaknummer C/02/442399 / FA RK 25-6120 2.1 De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak: I. te bepalen dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recht hebben op omgang met elkaar één weekend per veertien dagen waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdagmiddag om 14:00 uur ophaalt uit school en [minderjarige 2] om 14:30 uur ophaalt bij de vrouw en de man [minderjarige 2] op maandagochtend om 8:00 uur naar de kinderopvang brengt en [minderjarige 1] op maandagochtend om 8:30 uur naar school brengt, althans een dusdanige omgangsregeling als door de rechtbank in goede justitie te bepalen. Inzake zaaknummer C/02/442395 / FA RK 25-6118 2.2 Bij voormelde beschikking van 24 december 2025 heeft de rechtbank mr. G.H.M. van Laarhoven benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 2] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. 2.3 Aan de rechtbank ligt nog het verzoek van de man voor om: I. aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 2] ; II. te bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking toezendt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Bergen op Zoom met het verzoek de erkenning van [minderjarige 2] door de man in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand; III. te bepalen dat de man voortaan gezamenlijk met de vrouw ouderlijk gezag uitoefent over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; IV. te bepalen dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] recht hebben op omgang met elkaar: - van maandag tot en met woensdag waarbij de man [minderjarige 1] op maandagmiddag om 14:00 uur ophaalt uit school en [minderjarige 2] op maandagmiddag om 17:30 uur ophaalt uit de kinderopvang en de man [minderjarige 2] op woensdagochtend om 8:00 uur naar de kinderopvang brengt en [minderjarige 1] op woensdagochtend om 8:30 uur naar school brengt; - één weekend per veertien dagen waarbij de man [minderjarige 1] vrijdagmiddag om 14:00 uur ophaalt uit school en [minderjarige 2] om 14:30 uur ophaalt bij de vrouw, de kinderen blijven dan tot en met de daaropvolgende woensdagochtend bij de man; - de helft van de schoolvakanties en erkende feestdagen; althans een dusdanige omgangsregeling als door de rechtbank in goede justitie te bepalen. In beide zaken 2.4 Daarnaast is aan de orde het zelfstandig verzoek van de vrouw voor de duur van de bodemprocedure bij wijze van provisionele voorziening en in de bodemprocedure: - te bepalen dat de man en de kinderen recht hebben op omgang met elkaar één weekend per veertien dagen, en wel op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, zonder overnachting, althans een beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. 2.5 Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De man heeft [minderjarige 1] met toestemming van de moeder voorafgaand aan haar geboorte erkend. De man heeft [minderjarige 2] niet erkend. Op zijn geboorteakte staat alleen de vrouw als ouder genoemd. De vrouw heeft het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De man, de vrouw, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Nederlandse nationaliteit en hun gewone verblijfplaats in Nederland. 2.6 De man legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat de ouders voor de duur van ongeveer zeven jaar een affectieve relatie met elkaar hebben gehad waarbij zij ook hebben samengewoond. De affectieve relatie is eind juli 2025 geëindigd. De vrouw is toen bij haar ouders gaan wonen. De man heeft van meet af aan de wens gehad om net als [minderjarige 1] ook [minderjarige 2] te erkennen. De vrouw heeft hiervoor geen toestemming willen geven. Er bestaat tussen de ouders echter geen twijfel over het feit dat de man de biologische vader is van [minderjarige 2] . Dit blijkt ook uit het geboortekaartje van [minderjarige 2] , waarop de naam van [minderjarige 2] wordt geschreven met de achternaam van de man. Pas na het beëindigen van de relatie heeft de man van de vrouw en haar familie begrepen waarom de vrouw geen toestemming aan de man wil geven om [minderjarige 2] te erkennen; de vrouw wil voorkomen dat de familienaam ‘ [geslachtsnaam van de vrouw] ’ stopt bij de vrouw. Als [minderjarige 2] door de man zal worden erkend, zal hij namelijk net als [minderjarige 1] de achternaam van de man krijgen. Tijdens de relatie van de ouders deden zich de nodige problemen voor. Zo waren er periodes waarin de man last had van angst, spannings- en paniekklachten. De man heeft hier in november 2024 al hulp voor gezocht bij [hulpverlening] , een instelling voor specialistische geestelijke gezondheidszorg in [plaats] . Deze hulp heeft ervoor gezorgd dat de klachten van de man zijn afgenomen. De man meent dat er aan de zijde van de vrouw ook problemen speelden die zijn weerslag hebben gehad op hun relatie. Volgens de man kropt de vrouw haar gevoelens op.
Volledig
Ondanks dat zich problemen voordeden in de relatie had de man nooit verwacht dat dit er in zou resulteren dat de relatie van de ouders zou eindigen. De relatiebreuk kwam voor de man dan ook zeer onverwacht en heeft de nodige weerslag op zijn mentale welzijn gehad. Zijn angst en spanningsklachten zijn hierdoor voor een korte periode sterk toegenomen. Inmiddels heeft de man de relatiebreuk een plek kunnen geven en is zijn mentale welzijn gestabiliseerd. De man volgt wekelijks therapie om deze stabiliteit te waarborgen. In de eerste week nadat de vrouw samen met de kinderen vertrokken is uit de voormalige gezinswoning was er regelmatig contact tussen de man en de kinderen. De kinderen bleven ook bij de man overnachten. Omdat de man in die week veel last had van psychische klachten heeft hij, in overleg met de vrouw, besloten het contact met de kinderen tijdelijk te minderen. Nadat de klachten van de man weer waren afgenomen, wilde de man dit weer terugdraaien. De vrouw wilde daarmee niet instemmen. Ondanks dat de man aangaf dat zijn mentale welzijn weer stabiel was, is de vrouw van mening dat de man niet in staat is om zelfstandig voor de kinderen te zorgen. De man betwist dit ten stelligste. Hij heeft in het verleden zelfstandig voor de kinderen gezorgd en kan dit nu nog steeds. De man heeft juist geprobeerd om, toen het even wat minder met hem ging, zijn verantwoordelijkheid te nemen door open te zijn richting de vrouw over zijn (on)mogelijkheden. Gelukkig is het contact met de man en de kinderen hierna hersteld. De omgang is echter zeer beperkt. De man heeft de vrouw verzocht om toestemming voor de erkenning van [minderjarige 2] , gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. Via haar advocaat heeft de vrouw laten weten dat zij niet akkoord is met de erkenning en het gezamenlijk gezag. Reden waarom de man verzoekt om aan hem vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige 2] te verlenen. De man meent dat door een erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 2] niet worden geschaad. De verhouding tussen beide kinderen en de moeder is op dit moment namelijk goed. Dit terwijl [minderjarige 1] wél door de man is erkend. De verhouding tussen [minderjarige 1] en de vrouw is niet anders dan de verhouding tussen [minderjarige 2] en de vrouw. De juridische status van beide kinderen zou ook gelijk moeten zijn nu beide kinderen dezelfde biologische ouders hebben. De man is verder van mening dat de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] niet in het gedrang komt wanneer hij erkend wordt door de man. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed en voor zover dat niet zo zou zijn heeft dit niets te maken met een erkenning door de man. Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 2] is het juist goed dat hij weet van wie hij afstamt en dat die afstamming ook juridisch wordt vastgelegd. Daarnaast verzoekt de man om gezamenlijk met de vrouw met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te worden belast. Ten aanzien van [minderjarige 2] wordt het verzoek om gezamenlijk gezag gedaan als zijnde een voorwaardelijk verzoek, waarbij als voorwaarde geldt dat erkenning van [minderjarige 2] heeft plaatsgevonden. De ouders hebben immers vanaf de geboorte van de kinderen tot juli 2025 feitelijk alle belangrijke beslissingen omtrent de kinderen gezamenlijk genomen. Dit is goed gegaan totdat de affectieve relatie van de ouders is geëindigd. Sindsdien neemt de vrouw alle belangrijke beslissingen omtrent de kinderen alleen. De man wil echter, net als voorheen, een volwaardige vaderrol vervullen in het leven van zijn kinderen. Hij vindt het dan ook in het belang van de kinderen dat hij invloed en zeggenschap heeft over belangrijke aspecten in hun leven. Daarbij is gezamenlijk gezag het wettelijke uitgangspunt wanneer sprake is van twee juridische ouders. Weliswaar heeft het beëindigen van de affectieve relatie van de ouders, vanzelfsprekend, de nodige strubbelingen met zich meegebracht, dit maakt nog niet dat sprake is van een situatie waarbij de kinderen klem of verloren zitten tussen hun ouders. De ouders zullen nu moeten wennen aan hun relatie en communicatie als zijnde ouders en niet meer als partners. De man staat er voor open om hier samen met de vrouw hulpverlening bij in te schakelen. Daarnaast is de man van mening dat het in het belang van beide kinderen is dat zij structureel en op vaste momenten contact hebben met de man. De huidige omgangsregeling, waarbij de man de kinderen afzonderlijk en maar voor een paar uur per week heeft, is voor de man te minimaal. Hij vraag zich af of de kinderen op deze manier een goede ouder-kind band met hem kunnen opbouwen. De man meent dat de door hem verzochte co-ouderschapsregeling het meest recht doet aan een gelijkwaardige én volwaardige rol van beide ouders. Gedurende de bodemprocedure wil de man graag dat bij wijze van provisionele voorziening al een uitgebreidere omgangsregeling tussen de kinderen en hem wordt vastgesteld dan nu het geval is. In aanvulling hierop is door en namens de man tijdens de zitting nog aangevoerd dat, zoals blijkt uit het geboortekaartje van [minderjarige 2] , de vrouw eerder geen probleem had met de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de man] . Dat deze geslachtsnaam bekend zou zijn bij politie, is geen juridische grond om vervangende toestemming voor erkenning te weigeren. Daarnaast is de man van mening dat zijn psychische gesteldheid niet aan het uitoefenen van gezamenlijk gezag in de weg staat. Inmiddels gaat het ook stukken beter met hem. De man is inmiddels gestart met EMDR-therapie, waarvoor als voorwaarde gold dat er weer rust en stabiliteit was in zijn situatie. Daarnaast heeft de man nog wekelijkse gesprekken en gebruikt hij geen medicatie meer. Op dit moment heeft de man één weekend in de twee weken omgang met de kinderen op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur en op zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur en één keer per week een videobelmoment. Deze regeling verloopt goed en de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen, zoals ook door de vrouw wordt erkend. De man wil graag dat stapsgewijs wordt toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling, te beginnen met een overnachting tussen de twee omgangsmomenten op de zaterdag en de zondag. Beide kinderen hebben bij de man een eigen kamer met een bed en persoonlijke spullen. 2.7 De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en heeft zelfstandige verzoeken ingediend. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan dat de ouders nooit met elkaar hebben samengewoond. De vrouw heeft altijd ingeschreven gestaan bij haar ouders en zij woont nu ook weer samen met de kinderen bij haar ouders. Dit was een bewuste keuze gelet op de persoonlijke problematiek van de man. De vrouw was de hoofdopvoeder van de kinderen en zij nam feitelijk alle beslissingen over de kinderen alleen. Dit doet zij nog steeds. De man heeft nooit zelfstandig voor de kinderen gezorgd en is daartoe ook niet in staat gebleken. Tijdens en na de relatie van de ouders is immers structureel en gedurende lange tijd sprake van ernstige psychische problematiek aan de zijde van de man, te weten paniekstoornis, ongespecificeerde angststoornis en posttraumatische stressstoornis met uitgestelde expressie. De klachten van de man zijn volgens de vrouw niet volledig verdwenen en zijn mentale welzijn is ook nog niet gestabiliseerd. Overigens betwist de vrouw dat zij haar gevoelens opkropt en het haar niet zou lukken om deze bespreekbaar te maken. Na het verbreken van de relatie heeft de man op een dwangmatige wijze geprobeerd om in contact te blijven met de vrouw. Hij heeft hierdoor inbreuk gemaakt op haar privacy. Het lukte de man ook niet om op een volwassen wijze met de vrouw over de kinderen te communiceren. Volgens de vrouw vloeit dit voort uit de psychische gesteldheid van de man. Op dit moment is er ook geen of nauwelijks sprake van communicatie tussen de ouders. De vrouw is van mening dat, mede gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 2] en de psychische problematiek van de man, het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning niet toewijsbaar is.
Volledig
De vrouw ondervindt door het gedrag en de psychische gesteldheid van de man ernstige spanning en stress, hetgeen rechtstreeks doorwerkt in haar functioneren als ouder. Een erkenning zal dus de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 2] aantasten. Daarbij komt dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is dat zijn geslachtsnaam wordt gewijzigd van [geslachtsnaam van de vrouw] naar [geslachtsnaam van de man] . [minderjarige 2] draagt al zijn hele leven de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de vrouw] en dit moet volgens de vrouw zo blijven. De vrouw wenst bovendien te voorkomen dat [minderjarige 2] in de toekomst geconfronteerd wordt met negatieve associaties bij het gebruik van de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de man] . Deze geslachtsnaam is immers bekend bij politie en instanties. De vrouw verzoekt de man dan ook niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 2] , althans dit verzoek af te wijzen. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat thans onvoldoende duidelijkheid bestaat over de gevolgen van een erkenning voor [minderjarige 2] , verzoekt de vrouw de beslissing op het verzoek aan te houden teneinde onderzoek te laten verrichten door de Raad. Daarnaast is de vrouw primair van mening dat de man, zolang hij niet als juridische vader wordt aangemerkt, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek om gezamenlijk gezag. Subsidiair is de vrouw van mening dat dit verzoek moet worden afgewezen. Tussen de ouders ontbreekt immers een werkbare communicatie over de kinderen. Gelet op de spanningen tussen de ouders, de psychische problematiek aan de zijde van de man en de beperkte belastbaarheid van de kinderen, bestaat een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders althans is afwijzing van het verzoek van de man anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. De omgang is thans ook beperkt vormgegeven, waardoor de man slechts in beperkte mate in het dagelijks leven van de kinderen participeert. Toekennen van het gezamenlijk gezag strookt dan ook niet met de feitelijke situatie en zou een discrepantie creëren tussen juridische bevoegdheden en daadwerkelijke betrokkenheid. Meer subsidiair verzoekt de vrouw dit verzoek aan te houden in afwachting van onderzoek door de Raad. De vrouw verzet zich niet tegen omgang tussen de kinderen en de man. Op dit moment hebben de man en de kinderen omgang met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen op zaterdag en op zondag, zonder overnachting. De vrouw vindt de door de man verzochte omgangsregeling te uitgebreid en in strijd met de belangen van de kinderen. De kinderen kunnen overnachtingen bij de man momenteel niet aan. Bovendien roept de problematiek van de man bij de vrouw zorgen op over zijn vermogen om de kinderen gedurende de nacht adequate emotionele en praktische zorg te bieden. De vrouw constateert daarbij dat de kinderen na omgang behoefte hebben aan rust en herstel en tekenen van spanning vertonen. Daarom verzoekt de vrouw zowel bij wijze van provisionele voorziening als in de bodemzaak om de door haar verzochte omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te leggen. In aanvulling hierop is door en namens de vrouw tijdens de zitting aangevoerd dat zij geen problemen met erkenning van [minderjarige 2] door de man zou hebben, als de geslachtsnaam van [minderjarige 2] [geslachtsnaam van de vrouw] zou kunnen blijven. De vrouw zou het heel verdrietig vinden als de geslachtsnaam [minderjarige 2] stopt bij de vrouw. Ten aanzien van de verzoeken van de man om gezamenlijk gezag en om een omgangsregeling merkt de vrouw op dat de man eerst verder aan zichzelf zal moeten werken voordat er tot gezamenlijk gezag of uitbreiding van de omgang kan worden gekomen. De vrouw heeft er geen vertrouwen in dat de man, gelet op de bij hem aanwezige problematiek, de kinderen op dit moment de veiligheid en voorspelbaarheid kan bieden die zij nodig hebben. De huidige omgangsregeling lijkt overigens wel goed te verlopen. De kinderen gaan enthousiast naar de man toe en geven aan dat zij het leuk bij hem hebben gehad. De vrouw is bereid om met de man te werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. 2.8 De bijzondere curator heeft in zijn verslag van bevindingen naar voren gebracht dat tussen de ouders niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige 2] . Nu er geen sprake is van enige twijfel kan een deskundigenonderzoek te dier zake achterwege blijven. Uit het gesprek met de vrouw is niet naar voren gekomen dat haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 2] zullen worden geschaad of dat de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] in het gedrang zal komen als het de man wordt toegestaan om [minderjarige 2] te mogen erkennen. Beide ouders zijn immers al ouders van [minderjarige 1] . De verwachting is niet dat de vrouw ten gevolge van de erkenning van [minderjarige 2] in een zodanige onevenwichtige psychische toestand zal komen te verkeren dat zij niet in staat is om aan [minderjarige 2] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. De vrouw vindt erkenning met name niet in het belang van [minderjarige 2] vanwege de wijziging naar de achternaam [minderjarige 1] , terwijl deze naam bekend is bij de politie en instanties. De bijzondere curator vindt dit standpunt van de vrouw echter ondergeschikt aan het uitgangspunt van de wetgever en van het internationaal recht dat een vader en een kind er aanspraak op hebben om hun familierechtelijke relatie rechtens te laten vastleggen. In geval van erkenning is een naamswijziging van [geslachtsnaam van de vrouw] naar [minderjarige 1] ook in overeenstemming met het beleid van de overheid waarbij in een gezin de eenheid van geslachtsnaam van kinderen uitgangspunt is. Als de stelling van de vrouw juist is dat de naam [minderjarige 1] negatief bekend is bij de politie en instanties, dan wil dit niet zeggen dat deze naam in de toekomst negatieve associaties gaat oproepen welke [minderjarige 2] zouden kunnen gaan belasten. Daarvoor is de geslachtsnaam [minderjarige 1] te veel voorkomend. De bezwaren van de vrouw tegen een erkenning van [minderjarige 2] door de man zien verder met name op gezamenlijk gezag en de invulling van de omgang. De bijzondere curator adviseert dan ook om het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 2] toe te wijzen. In aanvulling hierop heeft de bijzondere curator tijdens de zitting nog aangevoerd dat hetgeen de vrouw in haar verweerschrift heeft aangevoerd niet leidt tot een wijziging van zijn standpunt. De bijzondere curator is nog altijd niet gebleken van de in de wet genoemde contra-indicaties voor het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning. 2.9 Namens de Raad is tijdens de zitting geadviseerd om het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 2] toe te wijzen. [minderjarige 2] zal dan net als zijn zus [minderjarige 1] dezelfde juridische vader en geslachtsnaam krijgen. Hierdoor wordt er gelijkheid tussen beide kinderen gecreëerd en wordt voorkomen dat een van de twee kinderen zich door een andere geslachtsnaam wellicht minder geliefd of gewenst voelt. Het zou voor de moeder wellicht fijn zijn als het op de een of de andere manier (nog) mogelijk zou zijn dat beide kinderen de geslachtsnamen van beide ouders kunnen dragen. De Raad is van mening dat, voordat tot gezamenlijk gezag wordt overgegaan, de ouders hulpverlening nodig hebben om op een goede manier met elkaar te leren communiceren en beslissingen over de kinderen te nemen. De Raad stelt daarom voor om de ouders te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA). Mocht dit hulpverleningstraject niet tot de beoogde resultaten leiden dan zal de Raad een onderzoek doen. In afwachting van het hulpverleningstraject, stelt de Raad voor om al tot enige uitbreiding van de omgangsregeling te komen.
Volledig
De Raad denkt daarbij aan een extra middag met avondeten in de week waarin de kinderen het weekend niet bij de man zijn. Voor een verdere uitbreiding, zeker wat overnachtingen bij de man betreft, zullen, gelet op de bij de man aanwezige problematiek, eerst veiligheidsafspraken moeten worden gemaakt. De man kan alvast wel beginnen om de kinderen wat meer eigen te maken met hun slaapkamers, door daar met de kinderen te spelen en op hun bed een boekje te lezen. 2.10 Na een korte onderbreking van de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de deelname aan een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Daarnaast hebben zij overeenstemming bereikt over een voorlopige omgangsregeling. Zij hebben afgesproken dat de man en de kinderen voorlopig recht hebben op omgang met elkaar: - één weekend per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur en op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, zonder overnachting; - in de week dat de kinderen het weekend niet bij de man zijn op donderdagmiddag, waarbij de man [minderjarige 1] om 14:00 uur ophaalt uit school en [minderjarige 2] na zijn middagslaapje ophaalt bij de vrouw. De vrouw belt de man op wanneer [minderjarige 2] bij haar kan worden opgehaald. De man brengt de kinderen na het avondeten om 18:30 uur weer bij de vrouw terug; - gedurende één videobelmoment in de week. 2.11 De rechtbank overweegt als volgt. Inzake zaaknummer C/02/442395 / FA RK 25-6118 Erkenning 2.12 In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind. De rechtbank stelt vast dat tussen de ouders niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige 2] . Tijdens de zitting is gebleken dat het bezwaar van de vrouw tegen een erkenning van [minderjarige 2] door de man met name gelegen is in het feit dat [minderjarige 2] bij een erkenning, net als zijn zus [minderjarige 1] , de geslachtsnaam van de man zal krijgen. Hierdoor zal de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de vrouw] stoppen bij de vrouw. De vrouw heeft aangegeven dat zij geen problemen zou hebben met een erkenning van [minderjarige 2] door de man, als [minderjarige 2] de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de vrouw] zou kunnen behouden. De rechtbank is van oordeel dat dit bezwaar van de vrouw tegen de erkenning van [minderjarige 2] niet valt onder één van de twee uitzonderingsgronden om van het verlenen van toestemming voor erkenning af te zien. Ook is verder niet gebleken dat door erkenning van [minderjarige 2] door de man de verhouding tussen [minderjarige 2] en de vrouw dan wel de ontwikkeling van [minderjarige 2] wordt geschaad. De rechtbank vindt het juist in het belang van [minderjarige 2] dat voor hem duidelijk wordt wie zijn biologische vader is en dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische. [minderjarige 2] zal dan dezelfde afstammingsrelatie en dezelfde geslachtsnaam krijgen als zijn (volle) zus [minderjarige 1] . Hiermee wordt, zoals ook door de Raad is aangevoerd, gelijkheid op dit punt tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gecreëerd en wordt voorkomen dat één van hen zich minder geliefd of gewenst zal voelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van de man en [minderjarige 2] dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw bij het behoud van de naam [geslachtsnaam van de vrouw] . De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 2] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige 2] dan nog wel zelf met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Het onder II genoemde verzoek van de man zal de rechtbank dan ook afwijzen. 2.13 Als de man [minderjarige 2] met deze beschikking bij de gemeente heeft erkend, zal [minderjarige 2] , net als [minderjarige 1] , de geslachtnaam [geslachtsnaam van de man] krijgen. Het staat de ouders vrij om ten aanzien van beide kinderen te verzoeken om geslachtsnaamwijziging. Op internet is te vinden hoe een en ander in z’n werk gaat en wat de kosten hiervan zijn. Mogelijk kunnen de advocaten van de ouders hen hierbij wegwijs maken. Uniform hulpaanbod 2.14 De rechtbank stelt vast dat de ouders pas ruim een half jaar geleden uit elkaar zijn gegaan. Tijdens hun relatie was er al sprake van psychische problemen bij de man. Na het uit elkaar gaan de ouders, zijn deze problemen tijdelijk ernstiger geworden. Dit heeft onder andere geleid tot zorgelijke uitingen en zorgelijk gedrag van de man richting de vrouw. Ook heeft de man hierdoor tijdelijk minder voor de kinderen kunnen zorgen. Hierdoor maakt de vrouw zich zorgen over de veiligheid van hun nog jonge kinderen, als zij bij de man verblijven. Gelukkig gaat het de laatste tijd beter met de man. Hij heeft op dit moment gedurende één weekend in de twee weken omgang met de kinderen, zonder overnachting. Dit verloopt goed. Tijdens de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over een uitbreiding van deze omgangsregeling met een extra middag in de week dat de man de kinderen het weekend niet bij zich heeft. De man zou graag zien dat de omgang verder wordt uitgebreid tot een co-ouderschapsregeling en dat hij mede wordt belast met het gezag over de kinderen. De vrouw heeft er echter geen vertrouwen in dat de man vanwege zijn psychische problemen in staat is om de kinderen gedurende de helft van de tijd bij zich te hebben en om het gezag over hen uit te oefenen. Voor dit laatste geldt ook dat de communicatie tussen de ouders te wensen over laat. De Raad vindt het gelet op de psychische problemen bij de man belangrijk dat er, voordat tot overnachtingen van de kinderen bij de man en verdere uitbreiding van de omgangsregeling wordt overgegaan, veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat de kinderen meer vertrouwd raken met hun slaapkamers bij de man. 2.15 Het lukt de ouders niet om samen tot uitbreiding van de omgangsregeling (met veiligheidsafspraken) en verbetering van de onderlinge communicatie te komen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 4 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 2.16 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 2.17 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de kinderrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (lichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst.
Volledig
Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1). 2.18 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 2.19 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het de kinderen. 2.20 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 2.21 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 2.22 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Welke omgangsregeling of verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? - Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)? - Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 2.23 Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 2.24 Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 2.25 De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. 2.26 Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de vaststelling van een (definitieve) omgangsregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van één jaar aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. Inzake zaaknummer C/02/442399 / FA RK 25-6120 Ontvankelijkheid 2.27 Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. 2.28 In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 2.29 Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken tot vaststelling van de voorlopige omgangsregeling samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de ouders kunnen worden ontvangen in hun verzoeken. 2.30 De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van de ouders niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van de ouders af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. 2.31 Uit het vorenstaande blijkt dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen. De rechtbank is niet gebleken dat deze regeling niet in het belang van de kinderen zou zijn. Deze regeling is ook door de Raad geadviseerd. De rechtbank zal deze regeling dan ook voorlopig vaststellen totdat in de bodemzaak anders is beslist dan wel de ouders, al dan niet met in samenspraak met de hulpverlening, tot een andere omgangsregeling zijn gekomen. De provisionele verzoeken van de ouders zal de rechtbank voor het overige afwijzen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 2.32 De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van de ouders echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 2.33 Dit betekent dat als volgt wordt beslist. De rechtbank behoudt zich iedere verdere beslissing voor. 3 De beslissing De rechtbank: Inzake zaaknummer C/02/442395 / FA RK 25-6118 3.1 verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023; 3.2 wijst het onder II genoemde verzoek van de man af; 3.3 verwijst de ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal de ouders en hun kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de kinderen verwijzen naar de zorgaanbieder; 3.4 verzoekt het loket om uiterlijk op 9 februari 2027 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 3.5 verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 3.6 verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 3.7 verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 2.22 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 3.8 verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 3.9 houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot gezag en vaststelling van een (definitieve) omgangsregeling; 3.10 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 3.11 behoudt zich iedere verdere beslissing voor.