Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:163
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,621 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:163 text/xml public 2026-02-06T09:15:59 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-13 402844 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:163 text/html public 2026-02-03T14:23:29 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:163 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-01-2026 / 402844 bs betreffende de zorgregeling. Voorlopige zorgregeling bepaald. Definitieve zorgregeling aangehouden in afwachting van verloop voorlopige zorgregeling. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/402844 FA RK 22-4860 beschikking d.d. 13 januari 2026 betreffende de zorgregeling in de zaak van [de vrouw] , thans verblijvende op een voor de man onbekend adres, hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. W.E. de Wit-de Witte, gevestigd te Goes, tegen [de man] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. Ph. Van Kampen, gevestigd te Goes. Ouders van de navolgende kinderen: [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2003; [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2005; [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van 5 april 2024 en alle daarin genoemde stukken; - de brief d.d. 24 juli 2024 van mr. Van Kampen met producties; - de brief d.d. 29 april 2025 van mr. Van Kampen; - de brief d.d. 13 mei 2025 van mr. De Wit-de Witte met het veiligheidsplan van 28 februari 2025 van de [stichting] ; - het e-mailbericht d.d. 14 juli 2025 van mevrouw [persoon 1] , casusregisseur bij [stichting] ; - de brief d.d. 7 augustus 2025 van mr. De Wit-de Witte met bijlagen; - de op 28 augustus 2025 geplande zitting heeft geen doorgang gevonden; - het F9-formulier d.d. 14 november 2025 van mr. De Wit-de Witte met bijlage; - het F9-formulier d.d. 21 november 2025 van mr. De Wit-de Witte. 1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Voorts was aanwezig mevrouw [persoon 2] , een kantoorgenoot van mr. De Wit-de Witte. Mevrouw [persoon 3] van [hulpverlening] was als informant opgeroepen; zij is niet verschenen. 1.3. De minderjarige [minderjarige 3] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechter heeft op de zitting samengevat wat [minderjarige 3] naar voren heeft gebracht en partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. 2 De verdere beoordeling 2.1. De rechtbank verwijst naar haar tussenbeschikking van 5 april 2024. Daarbij is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, het hoofdverblijf van [minderjarige 3] bij de vrouw bepaald, een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] vastgesteld, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 3] bepaald, alsmede een door de man aan [minderjarige 2] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie. De zaak is ten aanzien van de definitieve zorgregeling aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol, in afwachting van schriftelijk bericht van partijen zoals omschreven in rechtsoverweging 2.10. van die beschikking. Aan de orde is thans nog de definitieve zorgregeling. 2.2. Uit de nadien ingekomen stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, volgt dat er thans onbegeleide bezoeken zijn tussen de man en [minderjarige 3] op woensdag van 12.30 uur tot 18.30 uur en dat daarnaast de man en [minderjarige 3] op de maandagen met elkaar beeldbellen. De casusregie en de hulpverlening van [hulpverlening] – [hulpverlening] was betrokken voor IPT, kindbegeleiding en begeleid bezoek – zijn afgesloten. De hulp aan [minderjarige 3] is overgedragen aan de intern begeleider op de school van [minderjarige 3] . Voor ieder van partijen is er thans alleen nog hulp vanuit het SMWO. 2.3. De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij zijn oorspronkelijke verzoek handhaaft. Hij verzoekt te bepalen dat er contact zal zijn tussen hem en [minderjarige 3] gedurende een weekeind per twee weken, de helft van de schoolvakanties en de helft van de Christelijke feestdagen. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben het hele hulpverleningstraject doorlopen en uit alle stukken van de hulpverlening volgt dat partijen op de goede weg zijn. De man heeft nu een woning en moet, zo blijkt uit de stukken, op de momenten waarop [minderjarige 3] bij hem is meer aandacht voor [minderjarige 3] hebben en minder voor andere zaken. Hij zal meer leuke dingen met haar gaan doen. Nu is het het moment om over te gaan tot een overnachting van [minderjarige 3] bij de man en als dat goed gaat dan kan zij vervolgens in de weekenden bij de man verblijven. [minderjarige 3] zegt tegen de man dat zij vaker en langer bij hem wil zijn, aldus de man. 2.4. De vrouw heeft tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is van mening dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. Uit de stukken van de hulpverlening blijkt dat [minderjarige 3] nog niet toe is aan een overnachting bij de man en dat daarin haar tempo moet worden gevolgd. Ook is haar kamer in de woning van de man nog niet af. Er kan worden gestart met eens in de twee weken een dag in het weekend bij de man en dan worden bezien hoe dat kan worden uitgebouwd. Er dient langzaam te worden opgebouwd en toegewerkt naar een overnachting. Als [minderjarige 3] meer bij de man wil zijn, dan kan dat. [minderjarige 3] is bang voor de man, maar zij durft dat niet te zeggen, aldus de vrouw. 2.5. De Raad heeft tijdens de zitting het volgende aangevoerd. Uit de stukken blijkt dat het goed gaat met [minderjarige 3] . De hulpverlening aan [minderjarige 3] is overgedragen aan de intern begeleider op school. [minderjarige 3] kan zich daar uiten als ze ergens mee zit. Overnachten bij de man blijft lastig voor [minderjarige 3] en blijft een aandachtspunt. In het verleden was sprake van een strijd tussen partijen. Partijen hebben beperkte communicatie; te weten per mail. Daar heeft [minderjarige 3] last van. Zij zit nog klem en zij uit zich niet volledig over wat zij wil; zij zegt tegen de één andere dingen dan tegen de ander. [minderjarige 3] heeft bij de rechter aangegeven het spannend te vinden om bij de man te overnachten. De hulpverlening is afgerond dus nu zijn de ouders aan zet. Beginnen met uitbreiding van de omgang naar een dag is passend, maar op een gegeven moment moet toch met een overnachting worden begonnen. Het bedritueel is door de hulpverlening met [minderjarige 3] besproken en dient dan in acht te worden genomen. De Raad adviseert om te starten met zesmaal een dag eenmaal per veertien dagen in het weekend, vervolgens een weekend per veertien dagen met één overnachting en nadat dat driemaal heeft plaatsgevonden eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot zondag, dus met twee overnachtingen. 2.6. De rechtbank overweegt als volgt. 2.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het goed gaat met [minderjarige 3] . Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden dat moet worden toegewerkt naar een overnachting van [minderjarige 3] bij de man. De rechtbank is met de man van oordeel dat de zorgregeling zoals die door de man is verzocht op zichzelf in het belang van [minderjarige 3] is; hetgeen door de vrouw als zodanig niet is betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling als uitgangspunt voor een eindregeling moet gelden. 2.6.2. Zoals tijdens de zitting met partijen is besproken, zal de komende periode de volgende regeling gelden, welke regeling ook door de Raad is geadviseerd.
Volledig
De huidige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] loopt door totdat het werk van de man in de bieten is afgelopen. (Gelet op de regeling die hierna volgt is dit uiterlijk tot week 3 van 2026). Vanaf dat moment is de man in de weekenden vrij en wordt gestart met om de twee weken een dag in het weekend waarop [minderjarige 3] bij de man verblijft. Met ingang van 18 januari 2026 tot en met 22 maart 2026 is [minderjarige 3] eenmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur bij de man. Vervolgens zal [minderjarige 3] om het weekend met een overnachting bij de man verblijven als volgt. In de weekenden van 4/5 april 2026, 18/19 april 2026 en 2/3 mei 2026 haalt de man [minderjarige 3] op de zaterdag na de scouting om 12.00 uur op, overnacht [minderjarige 3] bij de man en brengt de man [minderjarige 3] op zondag om 18.30 uur terug bij de vrouw. 2.6.3. De Raad heeft vervolgens geadviseerd om met ingang van het weekend van 16/17 mei 2026, zoals dat gebruikelijk is na driemaal een weekend waarin één overnachting heeft plaatsgevonden, de omgang tussen [minderjarige 3] en de man in het weekend van vrijdag 15 mei tot zondag 17 mei te laten plaatsvinden, derhalve met twee overnachtingen in dat weekend. De vrouw heeft zich daartegen verzet. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de Raad dient te worden gevolgd en dat er derhalve met ingang van het weekend van 16/17 mei aanstaande omgang in het kader van de zorgregeling dient te zijn tussen de man en [minderjarige 3] eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag tot zondag (met twee overnachtingen). Immers, [minderjarige 3] heeft naar het oordeel van de rechtbank op het moment waarop de Raad adviseert om twee overnachtingen per weekend te laten plaatsvinden, met vorenstaande onder r.o. 2.6.2. genoemde regeling die tot dan heeft gegolden, ruimschoots de tijd gehad om te wennen bij de man. De rechtbank zal hierbij bepalen dat de regeling loopt van vrijdag 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige 3] ophaalt, tot zondag, waarbij de man [minderjarige 3] om 18.30 uur terugbrengt bij de vrouw. 2.6.4. De rechtbank acht vorenstaande regeling in het belang van [minderjarige 3] en zal voornoemde regeling als voorlopige zorgregeling vaststellen. De definitieve beslissing op de zorgregeling zal worden aangehouden en worden verwezen naar de familiekamerrol van [datum] 2026 . Partijen dienen alsdan de rechtbank te informeren omtrent het verloop van de voorlopige zorgregeling en ook over het door hen gewenste verdere procesverloop. 2.6.5. In het vorenstaande heeft de rechtbank het volgende meegewogen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de regie nu bij partijen dient te liggen en dat niet op het startsein van [minderjarige 3] moet worden gewacht alvorens over wordt gegaan tot een overnachting. Uit de stukken volgt dat het goed gaat met [minderjarige 3] . Uit de verslagen van de hulpverlening volgt dat met de hulpverlening is toegewerkt naar een overnachting van [minderjarige 3] bij de man. In het laatste verslag van [hulpverlening] van oktober jl. is aangegeven hetgeen met [minderjarige 3] is besproken over de overnachting bij de man: zij wil veel knuffels, voordat zij gaat slapen haar moeder bellen, dezelfde volgorde bij het naar bed gaan aanhouden als bij haar moeder en slapen met een nachtlampje. Zoals de Raad tijdens de zitting aangaf, dient dit bedritueel bij de man te worden aangehouden. Verder heeft de man aangegeven dat hij, zoals [minderjarige 3] als wens aangaf, meer aandacht voor haar zal hebben tijdens de omgangsmomenten en voorts te verwachten dat het kamertje van [minderjarige 3] over een paar weken af zal zijn. 2.6.6. Voorts is ter zitting op verzoek van de vrouw het volgende besproken. De man heeft toegezegd zijn toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige 3] . Verder heeft de man aangegeven dat hij toestemming verleent voor een vakantie van de vrouw met [minderjarige 3] naar Indonesië voor de duur van vier weken in de zomer van 2026. Verder hebben partijen afgesproken dat de man voor de week in de zomervakantie met [minderjarige 3] die hij door die vakantie mist, wordt gecompenseerd. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich aan voornoemde afspraken houden. 3 De beslissing De rechtbank bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat tussen de man en de minderjarige [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2016, een voorlopige zorgregeling geldt, achtereenvolgens: - de huidige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] loopt door totdat het werk van de man in de bieten is afgelopen (uiterlijk tot week 3 van 2026); - met ingang van zondag 18 januari 2026 tot en met 22 maart 2026 is [minderjarige 3] eenmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur bij de man; - in de weekenden van 4/5 april 2026, 18/19 april 2026 en 2/3 mei 2026 haalt de man [minderjarige 3] op de zaterdag na de scouting om 12.00 uur op, overnacht [minderjarige 3] bij de man en brengt de man [minderjarige 3] op zondag om 18.30 uur terug bij de vrouw; - met ingang van het weekend van 16/17 mei 2026 is [minderjarige 3] eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag tot zondag (met twee overnachtingen) bij de man van vrijdag 19.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige 3] op de vrijdag ophaalt en op zondag om 18.30 uur terugbrengt bij de vrouw; houdt de zaak ten aanzien van de definitieve zorgregeling aan tot de familiekamerrol van [datum] 2026 , in afwachting van het nader schriftelijk bericht van partijen zoals omschreven in rechtsoverweging 2.6.4. van deze beschikking; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.