Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-15
ECLI:NL:RBZWB:2026:153
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
12,126 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:153 text/xml public 2026-02-06T09:14:26 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-15 C/02/429626 FA RK 24-5785 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:153 text/html public 2026-02-03T13:39:34 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:153 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2026 / C/02/429626 FA RK 24-5785 Afspraak in ouderschapsplan over kindrekening wordt vervangen door kinderalimentatie. Afwikkeling (saldo) kindrekening. Ingangsdatum kinderalimentatie. Onderhoudsverplichting stiefouders. Verdiencapaciteit ouders. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/429626 FA RK 24-5785 15 januari 2026 beschikking betreffende levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke, en [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. D.N. van Wensen. 1. Het procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 9 december 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 10 februari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - het op 10 april 2025 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek tevens houdende gewijzigd verzoek met bijlagen; - de brieven van mr. Noordegraaf-van Dijke van 16 december 2024, 20 november 2025 en 21 november 2025 met bijlagen; - de brieven van mr. Van Wensen van 24 november 2025 en 25 november 2025 met bijlagen; - de ter zitting door mr. Noordegraaf-van Dijke overgelegde stukken; - de beschikking van de rechtbank van 15 september 2021 en het daaraan gehechte convenant en ouderschapsplan van 2 september 2021. 1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 4 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. 2 De feiten 2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 15 mei 2009 tot 1 oktober 2021; - uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, 3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2015; - de minderjarigen zijn ingeschreven op het adres van de man; - partijen oefenen een co-ouderschapsregeling uit. 2.2. In artikel 7 van het ouderschapsplan van partijen van 2 september 2021 is, voor zover nu van belang, het volgende opgenomen: “De verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen zijn door de ouders in onderling overleg volgens bijlage 2 begroot op € 360,= per maand vermeerderd met de te ontvangen (dubbele) kinderbijslag en het kindgebonden budget en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen. Door vader zal maandelijks een bedrag van € 271,= en door moeder zal maandelijks een bedrag van € 89,= op de kindrekening worden gestort. In totaal is er per maand voor de kinderen samen een budget beschikbaar van € 1.022,=, opgebouwd als volgt: - te ontvangen kinderbijslag € 257,=; - te ontvangen kindgebonden budget € 405,=; - bijdrage ouders op de kindrekening € 360,=. Dit budget wordt door de ouders aangewend als volgt: - verblijfskosten in gezin moeder € 358,=; - verblijfskosten in gezin vader € 275,=; - verblijfsoverstijgende kosten zoals begroot € 360,= + surplus kinderbijslag/kindgebonden budget (mede bedoeld om buffer voor toekomstige uitgaven te creëren). Ten tijde van het opstellen van dit ouderschapsplan ontvangt vader het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Partijen zullen de instanties verzoeken deze bedragen op de kindrekening te storten. Vanaf deze rekening zal hiervan telkens € 275,= naar vader en € 358,= aan moeder worden doorgestort. Het surplus (dat naar verwachting tenminste € 29,= bedraagt) zal op de kinderrekening blijven staan. Met ingang van 1 oktober 2021 en zolang de kinderen minderjarig zijn, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor de kinderen van € 111,= per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2022. Partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn. Verblijfsoverstijgende lasten, waaronder partijen verstaan (zie berekende (gebudgetteerde) kindkosten per maand/jaar d.d. 20-7-2021) (bijlage 2): - schoolreisjes, - boekengeld, - andere schoolgerelateerde kosten, - nieuwe fiets, - niet-vergoede medische kosten, - kosten verjaardagen vriendjes/vriendinnetjes (max. € 7,50 per verjaardag), - kleding sport en andere hobby’s, - zakgeld/kleedgeld, - eventuele meerkosten voor een hogere zorgverzekering (i.v.m. beugelen bijvoorbeeld), - NB. Dit is niet bedoeld als een uitputtende lijst. Ouders zullen deze lijst in overleg aanpassen op basis van de leeftijd en behoeften van de kinderen, worden betaald van een en/of- [rekeningnummer] die gezamenlijk aangehouden wordt. Van deze en/of-rekening heeft iedere ouder een pinpas. De ouders zijn elkaar rekening en verantwoording verschuldigd van hun opnames en zijn bij opheffing van deze rekening ieder naar rato van hun bijdragen gerechtigd tot het saldo. Ouders houden dit bij met een Whats-app-groepje waarin zij de bonnen overleggen. De ouders spreken af dat aankopen boven de € 100,= en de aanschaf van een fiets (ongeacht de aankoopprijs) alleen gedaan worden na onderling overleg. Als er tekorten ontstaan op de kindrekening bekijken de ouders waar de overschrijving vandaan komt en proberen gezamenlijk tot een oplossing te komen. In februari en oktober hebben vader en moeder een koffiemoment, waarin zij bekijken of de financiële middelen nog afdoende zijn, of dat zij (toch) structureel mogen gaan bijstellen op de kindrekening. (…)” 2.3. De door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie bedraagt nu, inclusief de wettelijke indexeringen, € 138,36 per maand voor de minderjarigen samen. Daarnaast moet de man, naast de door hem ontvangen kinderbijslag en het kindgebonden budget, een bedrag van € 271,= per maand op de kindrekening storten. De vrouw moet een bedrag van € 89,= per maand op de kindrekening storten. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt nu, samengevat: - primair: de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 september 2022 dan wel 1 december 2022 dan wel 13 januari 2023 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift nader vast te stellen op € 996,= per maand, dus € 332,= per maand per kind, waarbij wordt bepaald dat de kinderbijslag voor de minderjarigen rechtstreeks en volledig door de vrouw wordt ontvangen dan wel, voor zover dit niet inregelbaar is, de man de kinderbijslag volledig en terstond na ontvangst doorstort aan de vrouw; subsidiair: - de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen, zodat de vrouw rechthebbende wordt van het kindgebonden budget en de kinderbijslag ten behoeve van de minderjarigen, - de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 september 2022 dan wel 1 december 2022 dan wel 13 januari 2023 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift nader vast te stellen op € 559,= per maand, dus € 186,33 per maand per kind; - te bepalen dat de man het te veel ontvangen bedrag aan kindgebonden budget van € 2.334,= moet terugstorten op de kindrekening; - te verstaan dat het saldo op de kindrekening gereserveerd blijft voor bijzondere kosten verbonden aan de minderjarigen. 3.2. De man verzoekt, samengevat: - de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2025 nader vast te stellen op nihil; - te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 4.556,04 moet terugstorten op de kindrekening, waarna het saldo van de kindrekening per de datum van de beschikking bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld en de rekening zal worden opgeheven. 4 De beoordeling Kinderalimentatie Grondslag verzoek wijziging alimentatie 4.1.
Volledig
Partijen voeren als grond voor hun verzoeken tot wijziging van de kinderalimentatie aan dat sinds de ondertekening van het ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de afspraken over de wijze waarop de kosten van de minderjarigen worden verdeeld niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. 4.2. De rechtbank stelt, partijen gehoord hebbende, vast dat er meerdere redenen aanwezig zijn die, zowel op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als op grond van artikel 1:253a lid 1 BW, aanleiding geven tot een wijziging van de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken over de wijze waarop in de kosten van de minderjarigen wordt voorzien. Door veranderingen in de financiële situatie van beide partijen voldoet de in het ouderschapsplan gemaakte afspraak over de wijze waarop in de kosten van de kinderen wordt voorzien niet meer aan de wettelijke maatstaven. Daarnaast zijn de gemaakte afspraken over het gebruik van de kindrekening een bron van discussie tussen partijen, waardoor het niet langer in het belang van de minderjarigen wordt geacht dat partijen gebruik blijven maken van een kindrekening. Partijen zijn het er ook over eens dat de kindrekening moet worden vervangen door een kinderalimentatie. 4.3. Aldus hebben zich relevante wijzigingen van omstandigheden voorgedaan die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maken. Ingangsdatum 4.4. De vrouw gaat in haar verzoek uit van de ingangsdatum 1 september 2022 dan wel 1 december 2022 dan wel 13 januari 2023 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift. Zij voert daartoe het volgende aan. Het inkomen van de man is al per 1 september 2022 gestegen, maar de man heeft, ondanks de verzoeken en pogingen van de vrouw daartoe, tot op heden geen hogere bijdrage in de kosten van de minderjarigen geleverd. De vrouw heeft in de afgelopen periode met de kindrekening en de kinderalimentatie te weinig middelen tot haar beschikking gehad om de kosten van de minderjarigen te kunnen voldoen. Dit heeft ertoe geleid dat zij ook kosten van de minderjarigen uit eigen middelen heeft moeten betalen. Gelet op de forse onevenredigheid tussen de bedragen die partijen sinds 1 september 2022 aan de minderjarigen hebben besteed, zou het heel onrechtvaardig zijn indien de man niet met terugwerkende kracht een hogere bijdrage zou moeten betalen. Wanneer de door de man te betalen kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt verhoogd, kunnen partijen berekenen in hoeverre die kinderalimentatie moet worden verrekend met het saldo op de kindrekening. 4.5. De man stelt uit praktisch oogpunt voor om als ingangsdatum te hanteren de datum van de beschikking, omdat alle kosten van de minderjarigen in de afgelopen periode via de kindrekening zijn verlopen en er geen tekort op de kindrekening is ontstaan. De minderjarigen zijn tot op heden dus in financiële zin niets tekort gekomen. Bovendien is het, indien de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt verhoogd, veel werk om uit te rekenen wie wat over het verleden aan de ander moet betalen. De communicatie tussen partijen is slecht en de man vraagt zich af of partijen hier samen zullen uitkomen. Wanneer de kinderalimentatie wel met terugwerkende kracht wordt aangepast, verzoekt de man uit te gaan van 1 januari 2025 als ingangsdatum. Dit is de eerste dag van de maand na de datum van indiening van het verzoekschrift. De vrouw beschuldigt hem dat hij niet eerder heeft willen meewerken aan een herberekening van de kinderalimentatie, maar hij heeft gewoon andere uitgangspunten dan de vrouw. 4.6. De rechtbank overweegt als volgt. De alimentatierechter heeft een grote vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsbijdrage. Daarbij geldt dat de rechter terughoudendheid betracht ten aanzien van een wijziging met terugwerkende kracht. De rechtbank neemt bij de beslissing over de ingangsdatum het volgende in aanmerking. Partijen hebben er in het ouderschapsplan voor gekozen om de kosten van de minderjarigen te voldoen uit het saldo van een kindrekening die wordt gevoed door zowel bijdragen van beide partijen als de kinderbijslag en overige toeslagen voor de minderjarigen. Van het saldo van de kindrekening zijn door partijen in de achterliggende periode, tot op de dag van vandaag, de kosten van de kinderen, zowel verblijfsgebonden als verblijfsoverstijgend, voldaan. De rechtbank stelt vast dat in de achterliggende periode aldus in alle kosten van de kinderen is voorzien; er is geen sprake van een tekort op de kindrekening. Het verzoek van de vrouw komt neer op een vervanging van de wijze waarop partijen in de kosten van de kinderen voorzien. Het alimentatierekensysteem zoals de rechtbank dat toepast en dat zij ontleent aan de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, gaat ervan uit dat één van de ouders de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betaalt en de kinderbijslag voor de kinderen ontvangt. De omstandigheid dat partijen tot en met heden op een andere wijze zijn omgegaan met de kinderbijslag en de voldoening van de verblijfsoverstijgende kosten, verzet zich tegen bepaling van een kinderalimentatie met terugwerkende kracht. Immers, de kinderbijslag waaruit de alimentatiegerechtigde ouder de verblijfsoverstijgende kosten dient te voldoen, is al uitgekeerd op de kindrekening en (deels) besteed. Ook wordt bij de berekening van ieders draagkracht rekening gehouden met het kindgebonden budget, terwijl in de achterliggende periode die toeslag is gestort op de kindrekening en daarmee al (geheel of deels) besteed aan de kosten van de kinderen. Kortom; het systeem waarvoor ouders in het ouderschapsplan hebben gekozen laat zich niet met terugwerkende kracht vervangen door een onderhoudsbijdrage die is vastgesteld aan de hand van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Dit brengt de rechtbank tot de beslissing om niet met terugwerkende kracht een onderhoudsbijdrage te bepalen. De datum van deze beschikking ligt dan als ingangsdatum voor de hand, maar de rechtbank acht het niet praktisch om halverwege de maand te stoppen met het gebruik van de kindrekening. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gewijzigde kinderalimentatie laten ingaan op 1 februari 2026, zijnde de eerste dag van de maand volgend op de datum van de beschikking. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de alimentatiegerechtigde ouder uit het saldo op de kindrekening, dat mede bestaat uit de reeds uitgekeerde kinderbijslag over het eerste kwartaal 2026, een bedrag toekomt gelijk aan tweederde deel van de kinderbijslag over het eerste kwartaal 2026. De gerechtigde tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget 4.7. De vrouw voert het volgende aan ten aanzien van haar verzoek ter zake de kinderbijslag en het kindgebonden budget – en subsidiaire verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar. Op dit moment staan de minderjarigen ingeschreven op het adres van de man en stort de man de kinderbijslag en het kindgebonden budget op de kindrekening. De vrouw wil voortaan de verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen betalen. De kinderbijslag en het kindgebonden budget moeten dan ook aan haar toekomen. Indien de man deze toeslagen niet aan haar wil doen toekomen, verzoekt zij de hoofdverblijfsplaats van de minderjarigen bij haar vast te stellen, zodat zij rechthebbende wordt van deze toeslagen. Aangezien partijen verschillende zienswijzen hebben over de mate van welstand die de minderjarigen toekomt, heeft zij er bezwaar tegen om de minderjarigen tussen partijen te splitsen. Het zou onwenselijk zijn indien de minderjarigen in financieel opzicht ongelijk worden behandeld. 4.8. De man stelt dat hij, in tegenstelling tot de vrouw, recht heeft op kindgebonden budget met de alleenstaande ouderkop. Partijen zullen dus geld mislopen als de man geen kindgebonden budget meer ontvangt.
Volledig
De man geeft er daarom de voorkeur aan om de minderjarigen tussen partijen te “verdelen”, zodat ieder van partijen een deel van de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor de minderjarigen ontvangt en de man daarnaast in aanmerking blijft komen voor de alleenstaande ouderkop voor de minderjarige(n) die op zijn adres is/zijn ingeschreven. Indien de rechtbank van oordeel is dat dit niet in het belang van de minderjarigen is, kan de man ermee instemmen dat de vrouw de toeslagen voor de minderjarigen ontvangt en de verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen betaalt. 4.9. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen verzorgen de kinderen in een co-ouderschapsvorm, waarbij zij min of meer gelijke aandelen in de verzorging en opvoeding hebben. Daarmee is geen van partijen als overwegend hoofdverzorgende ouder aan te wijzen, maar wel moet duidelijk zijn wie van de ouders voor welke minderjarige(n) de verblijfsoverstijgende kosten draagt en dus gerechtigd is voor de kinderbijslag betreffende die minderjarige(n). Daarover kunnen partijen zelf afspraken maken en de SVB vragen om overeenkomstig de kinderbijslag uit te keren, maar in dit geval hebben partijen daarover geen afspraken kunnen maken voor de nieuwe situatie na opheffing van de kindrekening. Daarom zal de rechtbank daarover een besluit nemen. Nu duidelijk is dat partijen aanzienlijk van mening verschillen over de vraag welke uitgaven (en van welke omvang) er ten behoeve van de minderjarigen moeten worden gedaan, acht de rechtbank het niet aangewezen om bij ieder van partijen één of twee minderjarigen in te schrijven. Het wordt in het belang van de minderjarigen geacht dat er op financieel vlak sprake is van gelijkheid tussen hen. Die gelijkheid wordt bereikt door één ouder alle verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen te laten betalen. In het alimentatierekensysteem wordt ervan uitgegaan dat die ouder ook gerechtigd is tot de kinderbijslag . De rechtbank is van oordeel dat in casu de vrouw moet worden aangewezen als de ouder die de verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen voldoet en dus de kinderbijslag voor de minderjarigen ontvangt . Dit brengt mee dat de minderjarigen op het adres van de vrouw moeten worden ingeschreven. Deze beslissing wordt uitsluitend genomen om redenen verband houdende met de kinderalimentatie, leidt niet tot een wijziging in de bestaande zorgregeling, en wordt aldus niet in strijd met het belang van de minderjarigen geacht. Gelet op het voorgaande zal het subsidiaire verzoek van de vrouw tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar worden toegewezen, zulks met ingang van 1 februari 2026, te weten de datum waarop de nieuwe regeling ter zake de verdeling van de kosten van de minderjarigen ingaat. Uitgangspunten bij het berekenen van kinderalimentatie 4.10. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Onderhoudsverplichtingen 4.11. De rechtbank zal eerst vaststellen met welke onderhoudsverplichtingen rekening moet worden gehouden. Partijen verschillen van mening over de vraag of de huidige echtgenoot van de vrouw, de heer [persoon 1] , als stiefouder een deel van zijn draagkracht moet aanwenden om een bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen van partijen en of de vrouw als stiefouder een deel van haar draagkracht moet aanwenden om een bijdrage te leveren in de kosten van [persoon 2] , de meerderjarige zoon uit een eerdere relatie van de heer [persoon 1] , die de helft van de tijd in het gezin van de vrouw en de heer [persoon 1] verblijft. Volgens de man is de heer [persoon 1] op grond van de wet onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dient hij ook een deel van de kosten te dragen. De vrouw ziet dat anders. Weliswaar is de heer [persoon 1] onderhoudsplichtig stiefouder van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , maar dat betekent nog niet dat de heer [persoon 1] ook gehouden is om daadwerkelijk een deel van de kosten van de kinderen te dragen. Zij voert daartoe aan dat er sprake is van twee aparte gezinssystemen met de eigen kinderen en dat er geen nauwe verbondenheid is met de stiefkinderen. Er is bij de ouders ook geen tekort aan draagkracht om te voorzien in de kosten van de eigen kinderen. Wanneer de heer [persoon 1] wel als stiefouder van de kinderen van partijen wordt aangemerkt, moet ervan worden uitgegaan dat de vrouw ook onderhoudsplichtig is voor [persoon 2] , aldus de vrouw. 4.12. De rechtbank stelt voorop dat de heer [persoon 1] op grond van artikel 1:395 BW als stiefouder onderhoudsplichtig is voor de minderjarige kinderen van partijen en dat de vrouw op grond van artikel 1:395a lid 2 BW als stiefouder onderhoudsplichtig is voor de jongmeerderjarige [persoon 2] , omdat de kinderen geacht worden deel uit te maken van het gezin van de vrouw en de heer [persoon 1] , aangezien zij daar gedurende 50% van de tijd verblijven. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze artikelen volgt dat als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van een kind, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat indien de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van het kind op grond van artikel 1:397 lid 2 BW geldt dat de omvang van ieders onderhoudsverplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouders en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen. 4.13. In de lijn van de hiervoor genoemde jurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw en de heer [persoon 1] zijn nog maar relatief kort geleden, sinds hun huwelijk op 17 september 2023, onderhoudsplichtig geworden jegens hun stiefkinderen. De rechtbank neemt daarom aan, en de daarover ingenomen stelling door de vrouw is ook niet weersproken, dat de vrouw en de heer [persoon 1] een veel nauwere verwantschap hebben met hun eigen kinderen dan met hun stiefkinderen. Daarnaast is niet in geschil dat partijen gezamenlijk voldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien en is niet gebleken dat er bij de ouders van [persoon 2] sprake is van een tekort om in de behoefte van [persoon 2] te voorzien. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het navolgende geen rekening houden met de behoefte van [persoon 2] en de draagkracht van de heer [persoon 1] en verder de draagkracht van de vrouw slechts aanwenden voor de kosten van de kinderen van partijen. Behoefte minderjarigen 4.14. De man stelt zich primair op het standpunt dat voor wat betreft de behoefte van de minderjarigen moet worden aangesloten bij de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken, te weten dat de behoefte van de minderjarigen gelijk is aan een bedrag van € 360,= per maand aan verblijfsoverstijgende kosten vermeerderd met de kinderbijslag en het kindgebonden budget. Partijen zijn in het ouderschapsplan bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen bewust afgeweken van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Zeker nu de kindrekening een buffer kent en deze buffer ook de afgelopen tijd nog is toegenomen, is er geen reden om de in onderling overleg door partijen vastgestelde behoefte van de minderjarigen te wijzigen. 4.15. De vrouw betwist dat de behoefte van de minderjarigen nog steeds kan worden berekend op de wijze zoals partijen dat in het ouderschapsplan hebben gedaan. Zij stelt dat de behoefte van de minderjarigen is gestegen naarmate zij ouder zijn geworden. De buffer op de kindrekening is ontstaan doordat zij verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen met eigen middelen heeft betaald, omdat zij die kosten in tegenstelling tot de man nodig vond. 4.16.
Volledig
De rechtbank overweegt dat met de “behoefte” van de kinderen wordt bedoeld: het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen. Een deel van de kosten van de kinderen wordt immers bestreden uit de te ontvangen kinderbijslag. Daarnaast besteden ouders een deel van hun netto besteedbaar inkomen (gevormd uit andere bronnen dan de kinderbijslag) aan de kinderen; dat is “het eigen aandeel”. Voor de bepaling van de hoogte van dat eigen aandeel beveelt de Expertgroep aan om gebruik te maken van een door het Nibud opgestelde tabel. Zoals de man heeft aangevoerd, wijken de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben gemaakt, af van deze aanbeveling. Zo’n afwijking is mogelijk, mits er niet ten nadele van de kinderen wordt afgeweken. De rechtbank is echter onvoldoende voorgelicht om dit te kunnen beoordelen. In dit verband wordt ook overwogen dat partijen het voor de kosten van de kinderen beschikbare “budget” mede afhankelijk hebben gesteld van het te ontvangen kindgebonden budget. Dit is echter een in hoogte variabele toeslag. Omdat de rechtbank de precieze hoogte van de door partijen overeengekomen behoefte van de minderjarigen niet kan bepalen, en ook niet kan beoordelen of deze in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank de behoefte van de minderjarigen zelf berekenen. 4.17. De Expertgroep Alimentatie beveelt aan om de behoefte van minderjarige kinderen in beginsel te becijferen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders ten tijde van hun samenleving. Hoewel tussen partijen vast staat dat zij in 2021 uit elkaar zijn gegaan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de behoefte van de minderjarigen moet worden vastgesteld op basis van de optelsom van de inkomens van partijen in 2022. Hiertoe voert de vrouw aan dat de inkomens van beide partijen substantieel zijn gestegen na het uiteengaan van partijen en dat de minderjarigen van die inkomensstijging zouden hebben geprofiteerd indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd. De Expertgroep Alimentatie adviseert wel om de behoefte van minderjarige kinderen te becijferen aan de hand van het huidige inkomen van één van de ouders indien dat inkomen het voormalig gezinsinkomen van de ouders overstijgt, maar daarvan is in casu geen sprake. Het namens de vrouw ter zitting ingenomen standpunt dat de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie in de praktijk anders wordt toegepast, heeft geen brede steun in de jurisprudentie. De rechtbank zal daarom conform eerdergenoemde aanbeveling in het kader van de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen uitgaan van het NBGI van partijen in 2021. 4.18. Uit de jaaropgaaf volgt dat de vrouw in 2021 een fiscaal jaarloon had van € 7.234,=. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw in 2021 op een bedrag van € 603,= per maand. 4.19. De man had volgens zijn jaaropgaaf in 2021 een fiscaal jaarloon van € 48.152,=. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2021 op een bedrag van € 2.914,= per maand. 4.20. Bij het NBGI dient het kindgebonden budget te worden opgeteld. Volgens de berekening van de rechtbank bedroeg het kindgebonden budget van partijen in 2021 € 169,= per maand. 4.21. Aan de hand van voormelde gegevens heeft de rechtbank het in dit kader relevante NBGI van partijen becijferd op € 3.686,= per maand. 4.22. Dit NBGI, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 874,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 1.089,= per maand. 4.23. Het aandeel van partijen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Draagkracht vrouw 4.24. Tussen partijen staat het volgende vast. De vrouw heeft een dienstverband van 18 uur per week. In maart 2024 is zij uitgevallen vanwege een burn-out. Inmiddels heeft zij haar werkzaamheden stapsgewijs weer hervat en verricht zij nu gedurende 15 uur per week werkzaamheden. De uren die zij is ziekgemeld worden gekort op haar salaris. 4.25. De vrouw stelt dat zij de afgelopen periode erin is geslaagd om steeds meer uren te gaan werken, maar dat zij nog niet op haar oude concentratieniveau zit en dat zij nauwelijks energie overhoudt voor bezigheden naast haar werk en haar therapie. Aangezien het nog onzeker is wanneer zij haar werkzaamheden weer volledig kan hervatten, verzoekt zij haar draagkracht te baseren op haar huidige inkomenssituatie, waarbij zij nog deels is ziekgemeld. 4.26. De man is van mening dat er naar de toekomst moet worden gekeken en dat er daarom rekening moet worden gehouden met het volledige salaris van de vrouw, zonder een korting vanwege ziekte. 4.27. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw is nog voor een aantal uren per week ziekgemeld, maar zij is herstellende en er zit een stijgende lijn in de hervatting van haar werkzaamheden. Op zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij hoopt haar baan te kunnen behouden en daarom in maart 2026, het moment waarop zij twee jaar ziek zou zijn, weer de overeengekomen 18 uur per week te kunnen werken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan te nemen dat de vrouw op de ingangsdatum van de kinderalimentatie, te weten 1 februari 2026, bijna of volledig is hersteld. De rechtbank zal daarom in de draagkrachtberekening uitgaan van het salaris van de vrouw volgens de laatste loonstrook van november 2025 die ter zitting is overgelegd, zonder de korting bij ziekte. Volgens die loonstrook bedraagt het volledige salaris van de vrouw € 2.499,= bruto per maand, te vermeerderen met een IKB van € 456,08 bruto per maand en een tegemoetkoming kosten arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5,= bruto per maand. 4.28. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met het verzamelinkomen van haar en de heer [persoon 1] in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 4.617,= op jaarbasis. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het inkomen van de heer [persoon 1] rekening gehouden met het salaris volgens zijn loonstrook over november 2025 ad € 5.004,= bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een dertiende maand, alsmede met de op het salaris ingehouden premies. 4.29. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.120,= per maand. 4.30. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 573,= per maand. Draagkracht man 4.31. De man verzoekt zijn draagkracht te becijferen op basis van het salaris dat hij sinds 1 oktober 2025 bij zijn huidige werkgever verdient. Tot 1 oktober 2025 werkte hij bij zijn vorige werkgever 40 uur per week. Nu werkt hij 36 uur per week en is hij eenmaal per twee weken op vrijdag vrij om de minderjarigen op te vangen en voor hen te zorgen. 4.32. De vrouw stelt zich op het standpunt dat in de draagkrachtberekening van de man rekening moet worden gehouden met een salaris van € 68.053,= bruto per jaar, zijnde het salaris dat de man in 2025 bij zijn vorige werkgever heeft ontvangen volgens de op zijn loonstroken genoemde cumulatieven.
Volledig
De vrouw is van mening dat de financiële gevolgen van de eigen keuze van de man om minder te werken niet op de vrouw en de minderjarigen mogen worden afgewenteld. 4.33. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de zijde van de man is sprake van inkomensverlies. Gesteld noch gebleken is dat dat inkomensverlies onherstelbaar is. Er wordt daarom vanuit gegaan dat de man het inkomensverlies kan herstellen, door zijn arbeidsomvang uit te breiden naar 40 uur per week. De vraag ligt dan voor of dit in redelijkheid van hem kan worden gevergd. Naar het oordeel van de rechtbank is de keuze van de man om zijn arbeidsuren te verlagen van 40 naar 36 uur per week niet verwijtbaar, gelet op de door partijen uitgevoerde co-ouderschapsregeling waarbij de minderjarigen min of meer de helft van de tijd bij de man zijn. Gelet op die zorgtaak kan de geringe teruggang in arbeidsuren niet aan de man worden tegengeworpen. De rechtbank zal dan ook uitgaan van het huidige salaris van de man. Volgens de salarisspecificaties over oktober en november 2025 heeft de man een salaris van € 4.950,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De rechtbank laat de bruto tekenbonus van € 1.500,= die de man in oktober 2025 heeft ontvangen buiten beschouwing voor de draagkrachtberekening, nu dit een eenmalige bonus was. 4.34. De vrouw heeft ter zitting nog aangevoerd dat aan de zijde van de man ook rekening moet worden gehouden met rendement uit box 3 vermogen. De man ontkent dat hij (nog steeds) over box 3 vermogen beschikt dat hij kan laten renderen. Aangezien de man niet de gelegenheid heeft gehad om het standpunt van de vrouw met stukken te weerleggen, zal de rechtbank het standpunt van de vrouw als tardief en in strijd met de goede procesorde passeren. 4.35. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. 4.36. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.703,= per maand. 4.37. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 859,= per maand. Draagkrachtvergelijking 4.38. Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van partijen brengt mee dat de man met € 653,= per maand en de vrouw met € 436,= per maand moet bijdragen in de behoefte van de minderjarigen. Zorgkorting 4.39. De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. Hiertoe voert hij aan dat de minderjarigen in het kader van de reguliere zorgregeling min of meer de helft van de dagen bij hem verblijven en dat de duurdere vakantiedagen bij helfte tussen partijen worden verdeeld. 4.40. De vrouw is van mening dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 25%. De minderjarigen zijn in een tweewekelijks schema vijf volle dagen, één ochtend tot 8.30 uur en één avond van 17.15 uur tot 19.30 uur bij de man en zeven volle dagen, één middag en avond en één ochtend en middag bij de vrouw. Het zwaartepunt van de zorg voor de minderjarigen en de daaraan verbonden kosten ligt dus bij de vrouw, zodat het oneerlijk zou zijn om rekening te houden met een zorgkorting die past bij een volledige co-ouderschapsregeling, aldus de vrouw. 4.41. De rechtbank is van oordeel dat de afspraken die partijen hebben gemaakt over het aandeel van de man in de zorg voor de minderjarigen een zorgkorting van 35% rechtvaardigt. Nu de behoefte van de minderjarigen € 1.089,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 381,= per maand. 4.42. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man een kinderalimentatie van € 272,= per maand, zijnde € 91,= per maand per kind, aan de vrouw moet betalen. Conclusie met betrekking tot de te betalen kinderalimentatie 4.43. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige afspraken over de wijze waarop de kosten van de minderjarigen worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken wijzigen en bepalen dat de man met ingang van 1 februari 2026 een kinderalimentatie van € 91,= per maand per kind ten behoeve van de minderjarigen aan de vrouw moet voldoen. Berekeningen 4.44. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit. Te veel ontvangen kindgebonden budget 4.45. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man het te veel door hem ontvangen bedrag aan kindgebonden budget van € 2.344,= moet terugstorten op de kindrekening. Zij voert ten aanzien van haar verzoek het volgende aan. Conform de in het ouderschapsplan neergelegde afspraken moet de man het door hem ontvangen kindgebonden budget op de kindrekening storten, naast zijn eigen bijdrage op de kindrekening. De man heeft over de jaren 2022 en 2023 te veel kindgebonden budget ontvangen vanwege een stijging van zijn inkomen. De man heeft het door hem aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag van € 2.344,= van de kindrekening afgehaald, maar hij heeft nagelaten dit bedrag terug te storten vanuit zijn eigen middelen. Als gevolg van zijn inkomensstijging had hij een hogere eigen bijdrage op de kindrekening moeten storten. Nu de man dit niet heeft gedaan, is hij ongerechtvaardigd verrijkt. 4.46. De man is van mening dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Hij betwist dat hij zichzelf heeft verrijkt door het door hem te veel ontvangen bedrag aan kindgebonden budget aan de Belastingdienst terug te betalen. 4.47. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft desgevraagd aangegeven dat zij haar verzoek baseert op ongerechtvaardigde verrijking. De vrouw maakt evenwel geen aanspraak op (aan haar te betalen) schadevergoeding, maar zij verzoekt te bepalen dat de man een bedrag op de kindrekening - waartoe beide partijen gerechtigd zijn - betaalt. De genoemde grondslag kan het verzoek reeds om die reden niet dragen. Nog afgezien daarvan is niet gebleken dat de man is verrijkt en de vrouw is verarmd. Partijen hebben in het ouderschapsplan afgesproken dat de man het kindgebonden budget waartoe hij is gerechtigd zal storten op de kindrekening. De man heeft aangetoond dat zijn kindgebonden budget over de jaren 2022 en 2023 met terugwerkende kracht op een lager bedrag is bepaald dan de voorlopige toeslag die hij in die jaren heeft ontvangen. Hij heeft dus achteraf bezien te veel kindgebonden budget ontvangen en op de kindrekening gestort. Door het te veel ontvangen bedrag van € 2.344,= van de kindrekening te halen, en – zoals hij onweersproken heeft gesteld – aan de belastingdienst terug te betalen, is de man naar het oordeel van de rechtbank niet verrijkt. De stelling van de vrouw dat de man ten koste van haar is verrijkt omdat hij ondanks het gestegen inkomen de door hem te betalen bijdrage op de kindrekening niet heeft verhoogd, mist onderbouwing. Voor zover de vrouw bedoelt dat de man op grond van de tussen partijen geldende overeenkomst vanwege zijn gewijzigde inkomen een hogere bijdrage uit eigen middelen op de kindrekening diende te betalen, dan geldt dat zij dit onderbouwd had moeten aanvoeren en inzicht had moeten geven in de uitgangspunten van de gemaakte afspraak en ieders financiële situatie. Dit heeft de vrouw niet gedaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen. Verzoek betreffende door de vrouw opgenomen bedragen van de kindrekening 4.48. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 4.556,04 moet terugstorten op de kinderrekening en voert in dit verband het volgende aan. In het ouderschapsplan is duidelijk vermeld welke verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen van de kindrekening kunnen worden betaald. Volgens het ouderschapsplan zijn partijen elkaar rekening en verantwoording verschuldigd van hun opnames van de kindrekening en moeten de bonnen in een Whatsapp-groep worden overgelegd.
Volledig
Hoewel de man daarom heeft verzocht, heeft de vrouw geen rekening en verantwoording afgelegd ten aanzien van verschillende betalingen bij winkels zoals Jumbo, AH, Etos en Kruidvat en van opnamen c.q. betalingen tijdens haar vakantie met een totaalbedrag van € 4.556,04. Het is makkelijk om een bonnetje te laten zien als je iets in een winkel hebt gekocht. De man gaat er daarom van uit dat de vrouw het bedrag van € 4.556,04 niet aan de minderjarigen heeft besteed. 4.49. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. De door de man bedoelde transacties hebben betrekking op verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen, zoals cadeautjes voor kinderfeestjes en leerkrachten en broodtrommels voor de minderjarigen. De transacties tijdens de vakantie van de vrouw waren noodzakelijk, omdat de minderjarigen twee weken in de Ardennen verbleven en het constant regende. De minderjarigen hadden niet genoeg kleding mee voor deze weersomstandigheden. Nu de vrouw enkel uitgaven heeft gedaan conform de lijst van verblijfsoverstijgende kosten in het ouderschapsplan, ontbreekt de rechtsgrond van de vordering van de man. De vrouw heeft in het verleden haar transacties aan de man toegelicht. Door het wantrouwen van de man, voelde de vrouw steeds meer weerstand om zich telkens bij uitgaven te verantwoorden c.q. bonnetjes te overleggen. 4.50. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw in strijd met de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan heeft gehandeld, oftewel dat zij de uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis(sen) niet is nagekomen. De stelling van de man is tweeledig; hij stelt dat de vrouw de afspraak over het afleggen van rekening en verantwoording heeft geschonden en hij impliceert dat de vrouw in strijd met de gemaakte afspraak gelden van de kindrekening heeft aangewend voor andere uitgaven dan de kosten van de kinderen. De man heeft gelijk waar hij stelt dat de vrouw tekort is gekomen in de nakoming van de in het ouderschapsplan opgenomen verplichting om bonnen van de uitgaven van de kindrekening te delen in een Whatsapp-groep en om verantwoording over uitgaven af te leggen. Dit zijn partijen immers overeengekomen in het ouderschapsplan en vast is komen te staan dat de vrouw dit niet in alle gevallen heeft gedaan. Weliswaar volgt uit de stukken dat de vrouw de afspraak over het overleggen van betalingsbewijzen terzijde wenste te stellen; niet is gebleken dat de man daarmee heeft ingestemd en dat deze afspraak niet meer heeft te gelden. De vrouw is dus toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van die verplichting, maar dat de tekortkoming tot schade heeft geleid, is de rechtbank niet gebleken. Voor wat betreft de stelling van de man dat het ervoor moet worden gehouden dat de vrouw het saldo van de kindrekening heeft aangewend voor andere uitgaven dan de kosten van de kinderen, overweegt de rechtbank als volgt. Partijen hebben in het ouderschapsplan een groot aantal kosten opgesomd die volgens hen zijn aan te merken als verblijfsoverstijgende kosten en dus van de kindrekening mogen worden voldaan. In het licht van de door de vrouw alsnog, in de procedure, afgelegde verantwoording van de gedane uitgaven, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat de door hem bedoelde uitgaven die over een periode van meerdere jaren zijn gedaan niet ten goede zijn gekomen aan de minderjarigen. Het enkele feit dat uitgaven zijn gedaan bij een supermarkt of drogist rechtvaardigt niet de conclusie dat het geen verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen zijn geweest. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Verzoeken betreffende opheffing/besteding saldo kindrekening 4.51. De vrouw verzoekt te verstaan dat het saldo op de kindrekening gereserveerd blijft voor bijzondere kosten verbonden aan de minderjarigen. Zij voert hiertoe het volgende aan. Het was de bedoeling van partijen om met het saldo op de kindrekening mede een buffer op te bouwen voor onvoorziene uitgaven voor de minderjarigen. Wanneer de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen gaat betalen, moet zij ook de bijzondere kosten van de minderjarigen gaan betalen, zoals de kosten van orthodontie en niet vergoede ziektekosten. Deze bijzondere kosten worden niet gedekt door de kinderalimentatie. De vrouw wil dat er voor deze kosten een buffer aanwezig is. Zij wil hiervoor het saldo op de kindrekening kunnen aanspreken. 4.52. De man verzoekt de kindrekening per de datum van de beschikking op te heffen en het saldo bij helfte tussen partijen te verdelen. Hij stelt dat alle verblijfsoverstijgende kosten van de minderjarigen, dus ook de bijzondere kosten, onder de kinderalimentatie vallen. Het saldo op de kindrekening moet daar volgens hem niet voor worden aangewend. 4.53. De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de rechtbank heeft berekend hoeveel kinderalimentatie de man met ingang van 1 februari 2026 aan de vrouw moet betalen, kan de kindrekening van partijen per 1 februari 2026 worden opgeheven. Partijen hebben afspraken gemaakt over wat er met het saldo van de kindrekening moet gebeuren in geval van opheffing, maar de vrouw voert aan dat grond bestaat om daarvan af te wijken. De rechtbank buigt zich eerst over dat standpunt. Alle kosten van de minderjarigen die vanaf die datum worden gemaakt, worden in beginsel geacht te kunnen worden voldaan uit het in deze beschikking bepaalde eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (en de kinderbijslag). De draagkracht van beide ouders is toereikend om in het berekende eigen aandeel te voorzien. Er is geen tekort waarvoor de buffer zou moeten worden aangewend. Het uitgangspunt van de aanbevelingen van de Expertgroep en de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen is, dat ook als ouders te maken krijgen met (tijdelijke) hogere kosten, die kosten geacht worden te vallen onder het tabelbedrag. Dergelijke uitgaven worden gewoonlijk gecompenseerd door op andere kostenposten te besparen. Volgens de Expertgroep Alimentatie kunnen bepaalde kosten echter zo uitzonderlijk zijn dat ouders deze niet kunnen compenseren met lagere uitgaven aan andere posten. In dat geval beveelt de Expertgroep Alimentatie aan op deze kosten bij de tabelbehoefte op te tellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw echter niet aangetoond dat de minderjarigen uitzonderlijke kosten hebben of in de toekomst zullen krijgen die niet in het tabelbedrag geacht worden te kunnen zijn begrepen. De kosten van orthodontie en niet vergoede medische kosten zijn in ieder geval in beginsel niet aan te merken als bijzondere kosten die niet zijn begrepen in de tabelbehoefte. Dit uitgangspunt wordt overigens ook herhaald in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 maart 2022 (ECLI:NL:RBZWB:2022:1205) waarnaar de vrouw zelf heeft verwezen. Hieruit volgt dat geen grond bestaat om in afwijking van de tussen partijen gemaakte afspraak het saldo van de kindrekening gereserveerd te houden voor bijzondere kosten. Partijen hebben in het ouderschapsplan afspraken gemaakt over de verdeling van het saldo van de kindrekening bij opheffing van de rekening, te weten naar rato van inleg. In het voordeel van de vrouw verzoekt de man nu om het saldo van de kindrekening bij helfte tussen partijen te verdelen. Gelet op het voorgaande en hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.6., laatste volzin, heeft overwogen, zal de rechtbank het verzoek van de man in zoverre toewijzen dat wordt bepaald dat de kindrekening per 1 februari 2026 wordt opgeheven, dat van het saldo van die rekening per 1 februari 2026 een bedrag gelijk aan 2/3e deel van de kinderbijslag over het eerste kwartaal aan de vrouw ter beschikking wordt gesteld, waarna het resterende saldo vervolgensbij helfte tussen partijen wordt verdeeld. 5.De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt, voor zover nodig met wijziging van artikel 2 van het aan de beschikking van de rechtbank van 15 september 2021 gehechte ouderschapsplan van partijen van 2 september 2021, dat de minderjarigen 1.