Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:1517
Civiel recht
Rekestprocedure
5,184 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1517 text/xml public 2026-03-13T15:01:34 2026-03-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-05 C/02/443098 / JE RK 25-2255 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1517 text/html public 2026-03-12T15:37:36 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1517 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-02-2026 / C/02/443098 / JE RK 25-2255 Verlenging ots en gedeeltelijke verlenging machtiging uithuisplaatsing. Tussentijds toetsingsmoment. Onderzoek naar perspectief RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummers: C/02/443098 / JE RK 25-2255 ( [minderjarige 1] ) C/02/443110 / JE RK 25-2256 ( [minderjarige 2] ) Datum uitspraak: 5 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] , Oekraïne, hierna te noemen [minderjarige 2] , en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , Oekraïne, hierna te noemen [minderjarige 1] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M.C.G. Voogt uit Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de verzoekschriften met bijlagen, ontvangen op 17 december 2025; - het bericht van mr. Voogt met bijlagen van 16 januari 2026; de brief van de Raad van 15 januari 2026, houdende een toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar; het e-mailbericht van de persoonlijk begeleider van [minderjarige 2] bij [accommodatie] . 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de advocaat namens de moeder; - een vertegenwoordigster van de GI. Voorts waren met toestemming van de kinderrechter aanwezig mevrouw [minderjarige 1] en mevrouw [persoon 1] , persoonlijk begeleidsters van de moeder ,werkzaam bij [hulpverlening] , 1.3. De moeder is niet verschenen. Haar advocaat heeft aangegeven de moeder te vertegenwoordigen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft via zij persoonlijk begeleider te kennen gegeven dat hij niets over het verzoek wil zeggen. Hij heeft vraagt zich echter wel af hoe lang hij nog weg blijft van zijn moeder. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter dit bericht samengevat. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De moeder heeft bij de GI aangegeven dat de (juridische) vader van [minderjarige 2] is overleden. Het is onduidelijk of de vader van [minderjarige 1] mede het gezag over haar draagt. Voor zover hij mede met het gezag over [minderjarige 1] zou zijn belast, is zijn gezag op dit moment van rechtswege geschorst, omdat onbekend is waar hij verblijft (artikel 1:253r lid jo artikel 1:253q lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). 2.2. [minderjarige 2] verblijft sinds juli 2025 bij [accommodatie] . 2.3. [minderjarige 1] verblijft sinds juli 2025 in het [gezinshuis] . 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd tot 12 februari 2026. 2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 april 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 12 april 2025 tot 12 februari 2026, alsmede de machtiging verlengd [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel voor een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 april 2025 tot 12 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Daarnaast verzoekt de GI – naar de kinderrechter begrijpt – haar te machtigen [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI baseert het verzoek op het volgende. De moeder is op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] stabiliteit en structuur te bieden. Beide minderjarigen vertonen gedragsproblemen en hebben hier behandeling voor nodig. Inmiddels geeft [minderjarige 2] steeds meer openheid over de gebeurtenissen uit het verleden. Deze gebeurtenissen roepen negatief gedrag bij hem op. Door de onduidelijkheid over zijn toekomst, lukt het [minderjarige 2] niet altijd om zich open te stellen voor de begeleiding en de behandeling. Met name zijn emotionele ontwikkeling stagneert hierdoor. De GI ziet bij [minderjarige 2] met name op sociaal-emotioneel gebied grote zorgen in zijn ontwikkeling. Voor hem is belangrijk dat duidelijk wordt welke hulpverlening passend gaat zijn, om er voor te zorgen dat hij zich verder veilig en stabiel kan ontwikkelen. Hiervoor is het belangrijk dat de moeder bij het hulpverleningstraject betrokken blijft en inzet blijft tonen. Voor [minderjarige 1] geldt het volgende. Vanuit psychodiagnostisch onderzoek wordt geadviseerd om haar te benaderen vanuit een traumasensitieve en hechtingsgerichte aanpak. Zij ontwikkelt zich vanuit een onveilige gehechtheidsbasis. Onverwerkte traumatische ervaringen uit het verleden beïnvloeden haar gedrag, emotieregulatie en sociale interacties. [minderjarige 1] heeft een stabiele basis nodig, om met behulp van behandeling en traumasensitief opvoeden te kunnen komen tot een goede ontwikkeling. [minderjarige 1] heeft één keer per twee weken begeleid contact met moeder en ook videobellen zij. Met haar broer wordt het contact geregeld door de gezinshuisouders en de [accommodatie] . Inmiddels heeft de GI voor de moeder en [minderjarige 1] een geschikte zorgaanbieder gevonden ( [persoon 2] ), die systemisch aan het werk zal gaan en in korte lijnen zal werken met de [accommodatie] . In dit kader zal er worden gekeken naar de ouder-kind relatie, welke opvoedvaardigheden de moeder heeft, waaraan nog gewerkt moet worden en of een thuisplaatsing van [minderjarige 1] aan de orde kan zijn. Daarnaast wordt gekeken welke kindfactoren er nog aanwezig zijn bij [minderjarige 1] , bij de al reeds bekende factoren, om ook met haar een individueel traject in te gaan. Volgens de GI kunnen de behandelingstrajecten starten, zodra de moeder uit het buitenland is teruggekeerd. De GI verwacht dat de trajecten veel van de moeder gaan vragen. Met het oog hierop is de GI terughoudend met het uitbreiden van de contacten tussen haar en de minderjarigen. De GI heeft de zorgen van de moeder over de hygiëne besproken met de gezinshuisouders van [minderjarige 1] . De GI ziet geen zorgen die vragen om ingrijpen. De GI onderzoekt nog of het een optie is om [minderjarige 1] een dag per week naar de BSO te laten gaan. Zij wil dit zelf graag en op deze manier kan zij op een natuurlijke wijze werken aan haar taalontwikkeling. Op de groep van [minderjarige 2] wordt gezien dat hij soms kan “exploderen”. Hij loopt dan weg, al blijft hij in het zicht van de groepsleiding. Dit gedrag heeft de aandacht van de behandelaars. De GI wijst er op dat de vragen die de moeder nu heeft, juist de vragen zijn waar het komende onderzoek zich op gaat richten. Pas als de resultaten daarvan bekend zijn, kunnen deze vragen beantwoord worden. De oudste zus van de minderjarigen heeft in eerste instantie negatief gereageerd op het verzoek om voor de minderjarigen te gaan zorgen.
Volledig
De GI zou deze vraag opnieuw aan de Poolse collega’s kunnen voorleggen, maar eerst zullen de resultaten uit het onderzoek door [persoon 2] moeten worden afgewacht. Hieruit moet duidelijk worden wat de moeder de minderjarigen kan bieden voor de toekomst en wat zij zelf nodig hebben. De moeder heeft, gelet op haar voorlopige verblijfsstatus, geen recht op zelfstandige woonruimte. Ook de taalbarrière belemmert een gezinsopname. De GI verwacht dat het onderzoek ongeveer zes maanden in beslag gaat nemen. Waarschijnlijk komt er al eerder zicht op of er sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’ bij de moeder. De GI heeft geen bezwaar tegen het creëren van een tussentijds toetsingsmoment. 4.2. De Raad stemt schriftelijk in met verlenging van de beschermingsmaatregelen na twee jaar. De Raad vindt het jammer dat het lang heeft geduurd voordat de passende hulpverlening gestart is. Hierdoor zijn er binnen de eerste twee jaar van de beschermingsmaatregelen onvoldoende resultaten behaald. Inmiddels is voor [minderjarige 2] passende hulpverlening gestart vanuit de [accommodatie] , zowel voor hem persoonlijk, als de systeemtherapie. Vanuit dit traject gaat er meer zicht komen op wat [minderjarige 2] nodig heeft, of de moeder hem dit kan bieden en wat zijn toekomstperspectief is. Voor [minderjarige 1] zal er zeer binnenkort een traject gaan starten, gericht op het meer zicht krijgen op de ouder-kind relatie en de opvoedvaardigheden van de moeder. Tevens zal binnen dit traject nog meer zicht gaan komen op welke kindfactoren er bij [minderjarige 1] aanwezig zijn. Dit alles met het doel om te bekijken of [minderjarige 1] terug naar moeder kan, of dat haar perspectief elders ligt. Positief is dat [persoon 2] en de [accommodatie] nauw met elkaar samen zullen gaan werken, zodat voor beide kinderen bekeken zal worden wat mogelijk is. De Raad acht de hulpverlening die reeds gestart is voor [minderjarige 2] en zeer binnenkort gaat starten voor [minderjarige 1] van groot belang, zodat er goed onderzocht kan worden wat de mogelijkheden zijn voor thuisplaatsing van de minderjarigen bij de moeder. Net als de GI heeft de Raad er onvoldoende vertrouwen in, dat dit alles binnen een vrijwillig kader verder voortgezet en vormgegeven kan gaan worden. 4.3. De advocaat van de moeder geeft aan dat zij de moeder in het verleden vaker heeft bijgestaan. Zij heeft de voorliggende verzoeken niet zelf met de moeder kunnen bespreken. Wel heeft zij de persoonlijk begeleidsters van de moeder gesproken. Via hen heeft zij begrepen dat de moeder in ieder geval niet instemt met de verlenging/verlening van de uithuisplaatsing van de minderjarigen. De moeder vindt het vreselijk dat de minderjarigen al twee jaar niet meer bij haar wonen. Zij is bang dat zij de band met de minderjarigen verliest en dat de taalbarrière alleen maar groter wordt. De moeder probeert om zelf Nederlands te leren, zodat zij met de minderjarigen kan blijven praten. Ondanks de taalbarrière verlopen de contacten met de minderjarigen volgens de moeder goed. Het is nog onduidelijk of de moeder zal terugkeren naar het land van herkomst, of dat zij haar toekomst verder zal opbouwen in Nederland. Dit moet wel in het komende onderzoek betrokken worden. De moeder is zeer betrokken op de minderjarigen en komt de contactmomenten na. Zij werkt hard aan haar persoonlijke ontwikkeling. De advocaat van de moeder heeft begrepen dat de zorgen die er in het verleden over de moeder waren, geen punt van aandacht meer zijn. De moeder zou graag meer contact met de minderjarigen willen hebben, zodat zij de band met hen kan behouden. Dit is ook belangrijk, gelet op de cultuur- en taalbarrière. De moeder heeft een woonruimte, waarin zij een slaapkamer heeft voor de minderjarigen. Volgens de advocaat is er bij de moeder sprake van goed genoeg ouderschap en kan de systeemtherapie van [minderjarige 1] vanuit de thuissituatie gevolgd worden. De moeder vraagt verder om opnieuw te onderzoeken of de minderjarigen bij haar oudste dochter (in Polen) geplaatst kunnen worden. In dat geval zou de GI gebruik kunnen maken van de expertise die er bij [hulpverlening] is. De advocaat van de moeder is niet bekend met het standpunt van de moeder ten aanzien van de ondertoezichtstelling. Zij is echter pertinent tegen verlenging of verlening van een machtiging van de uithuisplaatsing van de minderjarigen. In het geval dat de uithuisplaatsing voortgezet moet worden, vraagt de moeder om de contacten met de minderjarigen uit te breiden. 5 De beoordeling 5.1. In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen. 5.2. In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar. 5.3. In artikel 1:265b BW is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid. In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen. 5.4. De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Bij beide minderjarigen is er nog onvoldoende zicht op hun kindeigen problematiek en welke hulp en behandeling zij daarvoor nodig hebben. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven inmiddels op een voor hen passende plaats, waar hen die begeleiding en behandeling geboden kan worden. Voor [minderjarige 2] geldt dat (systeem)therapie gestart gaat worden bij de [accommodatie] en voor [minderjarige 1] zal [persoon 2] een onderzoek gaan instellen naar de ouder-kind relatie, de opvoedvaardigheden van de moeder en de kindeigenproblematiek bij [minderjarige 1] . Deze trajecten zijn nog maar net gestart. Er is nog onvoldoende gelegenheid geweest om de ontwikkelingsbedreigingen verder te kunnen onderzoeken en behandelen. Ook is nog niet duidelijk of de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt (goed genoeg ouderschap) om zelf voor de minderjarigen te kunnen zorgen. 5.5. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Op dit moment staan de beoogde onderzoeken op punt van starten en zijn al gestart. De regie over deze onderzoeken ligt in handen van de GI. Zonder het kader van de ondertoezichtstelling zullen deze trajecten, nog daargelaten of de moeder vrijwillig bereid is om aan deze onderzoeken mee te werken, opnieuw moeten worden opgestart, wat een voor de minderjarigen zeer ongewenste vertraging met zich brengt. Het belang van de minderjarigen vraagt – nu er al veel tijd verstreken is – om de door de GI ingeslagen weg van onderzoeken voortvarend door te laten lopen. Het is daarbij bovendien van belang dat de GI aan de hand van de verkregen resultaten telkens kan bezien welke hulp [minderjarige 2] en [minderjarige 1] nog meer nodig hebben om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. 5.6. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig en zal ook nog langere tijd nodig zijn, ook als de kinderen bij de moeder thuis geplaatst worden. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar. 5.7.
Volledig
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven nu een half jaar op hun respectievelijke verblijfsadressen. Zij laten enige mate van stabilisatie zien en zetten voorzichtige positieve stappen. Om de beoogde observaties en onderzoeken zorgvuldig te laten verlopen, is het voor hen van belang dat zij vooralsnog blijven wonen waar zij nu wonen. De kinderrechter ziet echter ook dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ouder worden en dat de moeder positieve stappen heeft gezet. De moeder heeft de nadrukkelijke wens om weer zelf voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te gaan zorgen. Het onderzoek door [persoon 2] is mede gericht op beantwoording van de vraag of de moeder weer zelf voor (een van) de minderjarigen kan zorgen. Met het oog hierop is het niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , dat de machtigingen nu reeds voor een jaar worden verleend. Het is enerzijds belangrijk dat [accommodatie] en [persoon 2] voldoende tijd krijgen om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, maar er moet anderzijds ook voldoende aandacht zijn voor de wens van de moeder en de kinderen tot gezinshereniging. De kinderrechter zal daarom de machtiging voor [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden en de machtiging voor [minderjarige 1] verlenen voor de duur van zes maanden, zodat er een tussentijds toetsingsmoment ontstaat en de tot dan verkregen resultaten van [accommodatie] en [persoon 2] in de verdere beoordeling van het verzoek meegewogen kunnen worden. De kinderrechter gaat er hierbij van uit, dat in het geval uit de onderzoeken blijkt dat de moeder een geschikte opvoedster kan zijn en dat de contacten tussen haar en de minderjarigen kunnen worden uitgebreid, dat de GI dit oppakt, zodat de betrokken hulpverlening de reactie van de kinderen op een uitbreiding van de contacten met de moeder kunnen observeren. De kinderrechter wijst de moeder er echter wel op, dat er nog veel moet gebeuren, voordat er van een terugkeer bij haar van (een van) de minderjarigen sprake kan zijn. Er moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat een terugplaatsing bij haar mislukt. 5.8. Het overige deel van de verzoeken zullen worden aangehouden in afwachting van het bericht van de GI over de stand van zaken en de vraag aan de GI of zij de verzoeken handhaaft. In het laatste geval zal er een nieuwe zitting worden gepland. Het is aan de GI om de verzoeken in te trekken in het geval een uithuisplaatsing van de minderjarigen niet meer nodig is. 5.9. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter acht dit in het belang van de minderjarigen. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] van 12 februari 2026 tot 12 februari 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 12 februari 2026 tot 12 augustus 2026; 6.3. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening van 12 februari 2026 tot 12 augustus 2026; 6.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. behoudt zich iedere verdere beslissing ten aanzien van de verzochte machtigingen tot uithuisplaatsing voor tot uiterlijk 14 juli 2026 pro forma in afwachting van nadere informatie van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling en het standpunt ten aanzien van de resterende verzoeken. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.