Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:1490
Civiel recht
Rekestprocedure
1,960 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1490 text/xml public 2026-03-13T14:18:02 2026-03-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-04 C/02/444149 / FA RK 26-304 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1490 text/html public 2026-03-12T11:27:38 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1490 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-02-2026 / C/02/444149 / FA RK 26-304 Rechterlijke machtiging Wzd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444149 / FA RK 26-304 Datum uitspraak: 4 februari 2026 Beschikking rechterlijke machtiging op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1941 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: betrokkene, verblijvende in [accommodatie] , [adres] , advocaat mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat; mevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist/regiebehandelaar; mevrouw [persoon 2] , verzorgende. 2 Wat vaststaat De rechtbank heeft een machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met 8 februari 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in een zorgaccommodatie. 3 Het verzoek Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene merkt op dat zij in de zorgaccommodatie goed wordt verzorgd. Zij brengt haar tijd door met de krant lezen en soms buiten wandelen. Echter thuis had zij een eigen plek, haar vrijheid en bezigheden. Dit maakt dat er bij haar altijd bezwaar zal blijven bestaan tegen de zorgopname, omdat die in geen enkel opzicht vergelijkbaar is met toen zij nog thuis woonde. Betrokkene herhaalt ook gedurende de verdere behandeling dat zij thuis wil zijn en niet in de zorgaccommodatie. 4.2. De verpleegkundig specialist/regiebehandelaar brengt naar voren dat bij betrokkene in juni 2025 de diagnose dementieel syndroom, gemengd type is gesteld. Betrokkene is in de zorgaccommodatie opgenomen, nadat er bij haar al gedurende langere tijd sprake was van hallucinaties, achterdocht, zelfverwaarlozing en (dreigende) maatschappelijke teloorgang. Ook werd door haar onder meer medicatie opgespaard. Betrokkene kwam zelfstandig en zonder sturing niet tot handelen en zij stelde zich niet open voor ambulante thuiszorg. Gezien wordt dat betrokkene zich in de zorgaccommodatie meegaand opstelt, dat zij sociale contacten onderhoudt en zij ook soms het personeel helpt bij sommige taken. Betrokkene is ook goed in staat om duidelijk aan te geven wat zij en wel en wat zij niet wil. Zij maakt nooit aanstalten om uit de zorgaccommodatie weg te gaan met de bedoeling om vervolgens niet terug te keren. Indien zij bij gelegenheid door haar dochter wordt opgehaald, zoals binnenkort in verband met een uitvaartplechtigheid, keert zij zonder protest naar de zorgaccommodatie terug. Dit is ook het geval wanneer betrokkene even buiten gaat wandelen. Intussen laat betrokkene wel op mondelinge wijze consequent blijken dat zij tegen de zorgopname bezwaar maakt. Dit laatste lijkt voor het CIZ doorslaggevend te zijn geweest om alsnog een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf te verlenen in plaats van de procedure als bedoeld in artikel 21 van de Wet zorg en dwang (Wzd) te volgen. 4.3. De verzorgende sluit zich aan bij wat door de verpleegkundig specialist/regie-behandelaar naar voren is gebracht. Zij voegt daaraan toe dat betrokkene zich in de zorgaccommodatie op meerdere vlakken nuttig maakt waar dit maar kan. 4.4. De advocaat van betrokkene voert aan dat zij uit de stukken en het verhandelde ter zitting concludeert dat haar cliënte uitsluitend op mondelinge wijze bezwaar maakt tegen de opname en verblijf in de zorgaccommodatie wanneer haar daarnaar wordt gevraagd. Dit op zichzelf beschouwt zij als onvoldoende om ervan uit te gaan dat sprake is van verzet in de zin van de Wzd. Bovendien valt niet uit te sluiten dat het door betrokkene op mondelinge wijze geuite bezwaar na verloop van tijd zal verdwijnen. Het had meer voor de hand gelegen, indien hier de procedure als bedoeld in artikel 21 van de Wzd was gevolgd. 5 De beoordeling 5.1. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging tot opname en verblijf. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 5.2. Uit de overgelegde stukken, waaronder de medische verklaring, en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten dementie. 5.3. Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat ten aanzien van betrokkene sprake is van gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening en stoornis dat leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op: - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige psychische schade; - ernstige verwaarlozing; - maatschappelijke teloorgang; - gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat betrokkene vóór opname al langere tijd kampte met cognitieve achteruitgang. Ook vertoonde zij ’s nachts onrustig gedrag, had zij angstige gedachten en was er sprake van dwalen. De ingezette thuiszorg had onvoldoende effect, deels omdat ’s nachts geen ondersteuning kon worden geboden en deels omdat betrokkene afwijzend stond ten opzichte van deze zorg. Wegens de bij haar gebleken behoefte aan 24-uurs zorg en ondersteuning verblijft betrokkene op grond van een door de rechtbank verleende machtiging tot opname en verblijf in een zorgaccommodatie. De inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling strekken naar het oordeel van de rechtbank tot de overtuiging dat haar toestandsbeeld sinds de laatst gegeven beschikking niet is verbeterd. 5.4. De opname en het verblijf acht de rechtbank nog steeds noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Uit dat wat door de verpleegkundig specialist/regie-behandelaar en de verzorgende naar voren is gebracht blijkt niet dat betrokkene in haar (fysieke) gedrag en of door middel van andere acties laat zien dat zij weg wil uit de zorgaccommodatie. Wel blijkt overduidelijk uit hun toelichting ter zitting dat betrokkene niet in de zorgaccommodatie wil zijn. Dit laat zij zowel aan het zorgpersoneel, zodra dit het onderwerp van gesprek wordt, op niet mis te verstane wijze blijken. Ook heeft betrokkene tijdens de zitting nadrukkelijk aangegeven dat zij in de zorgaccommodatie weliswaar goed wordt verzorgd, maar dat er bij haar altijd bezwaar zal blijven bestaan tegen de zorgopname, nu die in geen enkel opzicht vergelijkbaar is met de situatie, waarin zij nog thuis woonde. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat zij zich tegen het verzoek verzet. 5.5. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. 5.6. Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een machtiging tot opname en verblijf verlenen voor een periode van zes maanden. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verleent een machtiging tot opname en verblijf voor: [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1941 in [geboorteplaats] ; 6.2. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 4 augustus 2026. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 17 februari 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.