Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1484
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-062252-24 Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955, ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] , raadsman mr. I.A.C. Cools, advocaat te Tilburg. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan laster dan wel smaad. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. 3.1. Ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.1.1. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging. Ten eerste kan van een vervolgingsrecht geen sprake meer zijn, nu verdachte voor dezelfde gedragingen, niet alleen door aangever maar ook door de gemeente, civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld. Aan verdachte is een dwangsom opgelegd. De handelswijze van de gemeente kan in die procedure worden gekwalificeerd als handhavend overheidsoptreden. Een strafrechtelijke vervolging dient - vergelijkbaar met het una via beginsel - geen doel meer. Ten tweede is door aangever geen tijdige klacht ingediend, wat eveneens moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. 3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de (uitkomst van de) civielrechtelijke procedure van zowel aangever als de gemeente tegen verdachte niet maakt dat sprake is van een vervolgingsbeletsel. De strafrechtelijke procedure dient een eigen doel en beoogt een zeker maatschappelijk effect. Bovendien zijn in een strafrechtelijke procedure andere afdoeningsmodaliteiten mogelijk dan in een civielrechtelijke procedure. Er is sprake van een voortdurend delict, waarbij uiteindelijk de maat vol was voor aangever en hij heeft besloten aangifte te doen en een klacht in te dienen. Deze klacht is tijdig gedaan. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de klacht niet tijdig is gedaan, wordt opgemerkt dat uit de klacht duidelijk de wens tot vervolging blijkt. Ook om die reden kan het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gepasseerd worden. 3.1.3. Het oordeel van de rechtbank Is er sprake van een vervolgingsbeletsel gelet op de civielrechtelijke procedure tegen verdachte? De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Dat verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is geste Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er is nooit de intentie geweest bij verdachte om ruchtbaarheid te geven aan de beschuldiging bij een bredere kring van willekeurige derden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de beschuldiging onjuist dan wel vals is. 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Gelet op de bewijsmiddelen in de bijlage stelt de rechtbank vast dat verdachte in meerdere gesprekken met medewerkers van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aangever heeft beschuldigd van aanranding en verkrachting van de echtgenote van verdachte. In een telefoongesprek tussen verdachte en [getuige 1] , werkzaam bij [bedrijf 1] , dat begin juni 2021 plaatsvond, heeft verdachte gezegd dat aangever de vrouw van verdachte ooit had belaagd. Vervolgens heeft verdachte op 16 december 2021 in een gesprek met medewerkers van [bedrijf 2] gezegd dat zijn vrouw is verkracht door aangever. Ten slotte is door een persoon in een telefoongesprek met [getuige 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] , op 18 februari 2022 gezegd dat er een ambtenaar is die zijn vrouw heeft aangerand en aan zijn vrouw heeft gezeten. Deze persoon citeerde in het gesprek een zin als zijnde ‘meneer [verdachte] ’, waardoor de rechtbank er met [getuige 2] vanuit gaat dat verdachte de betreffende persoon aan de telefoon was. Verdachte heeft dus drie keer in een gesprek met medewerkers van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aangever beschuldigd van aanranding en verkrachting van de echtgenote van verdachte. Voor een bewezenverklaring van smaad of laster is onder meer vereist dat sprake is van “telastlegging van een bepaald feit” als bedoeld in artikel 261 Sr. Daarvan is sprake, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is ten laste gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het “feit” niet het gedrag van die ander betreft, maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, als het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging van een bepaald persoon. De verdachte die een feit aan een ander ten laste legt, moet dat opzettelijk doen. Zijn opzet kan blijken uit objectieve omstandigheden, zoals de inhoud en de vorm van de uiting en de wijze waarop deze is gedaan. Aan het opzetvereiste is in ieder geval voldaan indien kan worden vastgesteld dat de verdachte zich ten minste van het smadelijke karakter van het door hem ten laste gelegde feit bewust is geweest. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever onder het begrip “feit” verstaat een feit dat geschikt is om iemands integriteit aan te tasten. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het begrip “feit” in de betekenis van art. 261 Sr een als misdrijf te kwalificeren gedraging moet inhouden of een gedraging die in het maatschappelijk verkeer als moreel verwerpelijk kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gedane beschuldigingen duidelijk te onderkennen concrete gedragingen van aangever aanwijzen, te weten de aanranding en verkrachting van de echtgenote van verdachte. Die gedragingen vormen als misdrijf te kwalificeren gedragingen. Het bestanddeel “tenlastelegging van een bepaald feit” is daarmee vervuld. Het opzet van verdachte was gericht op de aanranding van de eer en de goede naam van aangever. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud en de vorm van de uitlatingen en de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte wist dat zijn uitlatingen in strijd met de waarheid waren. Uit niets blijkt dat zijn uitlatingen enige grond van waarheid bevatten. Uit alle juridische procedures die al over de beschuldigingen zijn gevo