Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:1386
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,762 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1386 text/xml public 2026-03-13T15:44:02 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-21 11757922 CV EXPL 25-2095 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Breda Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1386 text/html public 2026-03-13T15:43:29 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1386 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-01-2026 / 11757922 CV EXPL 25-2095 (E) Vorderingen tot betaling van loon op grond van de CAO en een bonus. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11757922 \ CV EXPL 25-2095 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. D.F.W. Schalkwijk, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V. , statutair gevestigd te [plaats 2] en kantoorhoudende te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. F. van Schaik. 1 De zaak in het kort In deze zaak gaat het om [eiser] die bij [gedaagde] in dienst is als accountmanager. [eiser] vordert loonsverhoging met ingang van 1 januari 2023 op grond van de CAO en een bonus over 2023. [gedaagde] betwist de vordering tot loonsverhoging omdat de functie van [eiser] niet in een salarisschaal van de CAO valt en de loonsverhoging als vermeld in de CAO alleen ziet op schaalsalarissen. Daarnaast betwist [gedaagde] een bonus verschuldigd te zijn over 2023 omdat [eiser] niet goed functioneerde en hij hiervan op de hoogte moest zijn door de gevoerde functioneringsgesprekken. De kantonrechter wijst de gevorderde loonsverhoging af en wijst de helft van het gevorderde bonusbedrag toe. Hierna zal worden uitgelegd waarom. 2 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 6 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken; - de mondelinge behandeling van 19 december 2025 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 3 De feiten 3.1. [gedaagde] is een onderneming die zich bezig houdt met het vervaardigen van golfpapier en karton. 3.2. [eiser] is sinds 1 november 2022 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van accountmanager op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze arbeidsovereenkomst is op 1 november 2023 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 3.3. In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (per 1 november 2022) is in artikel 4 opgenomen: “Het overeengekomen salaris bedraagt € 5.300,- bruto per maand. Dit salaris staat vast voor 1 jaar, het zal dus niet worden verhoogd per 1-1-‘23. Dit is een buitenschalig salaris, dit betekent dat u geen recht heeft op uitbetaling van gemaakte overuren. (…)” 3.4. In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (per 1 november 2023) is in artikel 3 opgenomen: “Het overeengekomen salaris bedraagt € 5.300,- bruto per maand. Dit is een buitenschalig salaris, dit betekent dat u geen recht heeft op uitbetaling van gemaakte overuren. (…)” 3.5. In de beide arbeidsovereenkomsten is in artikel 6 opgenomen: “U heeft recht op een doelstellingsafhankelijke bonus van maximaal 15% over 12 maandsalarissen. De KPI’s hiervoor worden nog gezamenlijk met u afgesproken.” 3.6. Op de arbeidsovereenkomsten is steeds de CAO van [gedaagde] van toepassing verklaard. In artikel 9 sub c van de CAO 2021-2024 is bepaald dat schaalsalarissen per 1 januari 2023 met 0,75% en op 1 januari 2024 met 0,75% worden geïndexeerd op grond van de Automatische Prijs Compensatie (APC). In de praktijk kwam dit er op neer dat [gedaagde] per 1 januari 2023 de schaalsalarissen met 17,65% diende te verhogen. 3.7. Wegens weigering van [gedaagde] de schaalsalarissen te verhogen is de vakbond een procedure gestart tegen [gedaagde] . De uitkomst van die procedure is dat [gedaagde] veroordeeld is om de schaalsalarissen met 17,65% te verhogen met ingang van 1 januari 2023. 3.8. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] gesommeerd om het loon van [eiser] per 1 januari 2023 te verhogen overeenkomstig de CAO. [gedaagde] is hiertoe niet overgegaan en beroept zich erop dat met [eiser] een vast loon is overeengekomen. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van: een bedrag van € 32.500,38 bruto aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over voornoemd bedrag en over de wettelijke verhoging; doorbetaling van het loon aan [eiser] met inbegrip van de loonsverhoging over 2023 van 17,65% tot het dienstverband op rechtsgeldige wijze wordt beëindigd; een bedrag van € 11.223,81 bruto aan [eiser] , vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over voornoemd bedrag en over de wettelijke verhoging; een bedrag van € 1.430,86 aan [eiser] aan buitengerechtelijke kosten; de kosten van de procedure. 4.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 9 sub c van de CAO – die een standaardkarakter heeft – heeft [eiser] recht op een loonsverhoging per 1 januari 2023 van 17,65% en over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 mei 2025 heeft [eiser] daarom recht op totaal € 32.500,38 bruto aan te weinig betaald loon. Op grond van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] ook recht op een bonus als er bepaalde KPI’s worden gehaald. [gedaagde] heeft de KPI’s nooit bepaald en dat komt voor rekening van [gedaagde] . [eiser] heeft over het jaar 2023 recht op een bonus van 15% over 12 maandsalarissen dat neerkomt op een bedrag van € 11.223,81 bruto. Het totale achterstallige loon bedraagt dan € 43.724,19 bruto (€ 32.500,38 + € 11.223,81). De verschuldigde wettelijke verhoging bedraagt 50% over het achterstallige loon. 4.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen en wil dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld. 4.4. [gedaagde] voert als verweer samengevat het volgende aan. De functie van [eiser] als accountmanager is niet ingedeeld in een functiegroep of salarisschaal zoals genoemd in de CAO. De CAO geeft daarom geen rechtsgrond voor verhoging van zijn loon. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2022 is ook overeengekomen dat indexering per 1 januari 2023 is uitgesloten. Omdat de loonvordering dient te worden afgewezen, is er geen reden wettelijke verhoging toe te kennen en subsidiair geldt dat de wettelijke verhoging dient te worden gematigd tot 10%. De gevorderde bonus dient te worden afgewezen omdat [eiser] ondermaats heeft gepresteerd. Er zijn binnen [gedaagde] geen KPI’s geformuleerd voor bonussen voor buitendienstmedewerkers en een commissie van drie personen beoordeelt achteraf of aan een medewerker een bonus wordt toegekend. Uit evaluatieverslagen van 12 februari 2024 en 30 september 2024 blijkt dat [eiser] niet goed heeft gepresteerd. 5 De beoordeling Loonsverhoging op grond van de CAO? 5.1. [eiser] legt aan zijn vordering tot loonsverhoging artikel 9 sub c van de CAO ten grondslag waaruit volgt dat schaalsalarissen per 1 januari 2023 worden verhoogd. Partijen verschillen erover of onder die bepaling ook het loon van [eiser] is begrepen. Daarom dient artikel 9 van de CAO te worden uitgelegd. 5.2. Bij de uitleg van cao-bepalingen moet worden uitgegaan van de zogenoemde 'cao-norm'. Dit houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg kan onder andere worden gekeken naar de bewoordingen die verder in de cao worden gebruikt, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen die de verschillende betekenissen van een bepaling zouden hebben. Het komt niet aan op de bedoeling van de partijen die de cao hebben gesloten, voor zover deze niet uit de in de cao opgenomen bepalingen of de toelichting daarbij blijkt.
Volledig
Is de bedoeling van de cao-partijen wel kenbaar voor anderen die niet bij de totstandkoming van de cao betrokken zijn geweest, dan kan daaraan wel betekenis worden toegekend bij de uitleg van een bepaling. 5.3. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 9.1 sub a en b van de CAO is bepaald dat functies van werknemers in functiegroepen zijn ingedeeld en dat bij elke functiegroep een salarisschaal hoort. In artikel 9.1 sub c van de CAO wordt verwezen naar bijlage 1 dat een overzicht is van de maximale schaalindeling per functie. Uit die bijlage volgt dat bij de functie van accountmanager geen salarisschaal hoort. Bij de functie van accountmanager is namelijk “bs” vermeld wat staat voor buitenschalig. Ook in de arbeidsovereenkomst van [eiser] is vermeld dat zijn salaris buitenschalig is. 5.4. In artikel 9 sub c van de CAO is slechts bepaald dat schaalsalarissen jaarlijks worden verhoogd met de indexering op grond van de APC. Er is in de CAO niets geregeld over de indexatie voor buitenschalige salarissen. [eiser] heeft ter zitting verwezen naar artikel 1.11 van de CAO. Daarin is slechts een omschrijving genoemd van “schaalsalaris” namelijk “het salaris als geregeld in bijlage 1”. De kantonrechter is van oordeel dat deze omschrijving slechts de salarissen met de schalen 0 tot en met 12 inhoudt. Het loon van [eiser] valt niet onder één van deze schalen. Zijn salaris zit daar boven omdat hij een loon heeft van € 5.300,00 bruto per maand en het hoogste loon van de CAO € 3.962,00 bruto bedroeg. 5.5. Op grond van het voorgaande legt de kantonrechter artikel 9 van de CAO zo uit dat alleen de salarissen die in een salarisschaal zijn ingedeeld recht hebben op de indexering. Hierdoor mocht [gedaagde] een afspraak maken met [eiser] dat het loon per 1 januari 2023 niet werd verhoogd en dus een vast loon voor 2023 afspreken. Hierdoor had [eiser] geen recht op de verhoging van 17,65%. Wel is gebleken dat [eiser] per 1 november 2023 een verhoging heeft gekregen . 5.6. Het voorgaande leidt ertoe dat het gevorderde loon op grond van de CAO zal worden afgewezen. Bonus 5.7. Op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] recht op een bonus van maximaal 15% van 12 maandsalarissen als doelstellingen worden behaald. Die doelstellingen worden volgens artikel 6 van de arbeidsovereenkomst met KPI’s afgesproken. [gedaagde] heeft toegelicht dat al jaren een ander systeem wordt gebruikt om te bepalen of een bonus wordt toegekend. Er worden geen KPI’s afgesproken voor buitendienstmedewerkers. Dit, omdat er nauwelijks een verband is te leggen tussen de individuele omzet en de inzet van de betreffende medewerker. Daarom is er al jaren voor de toekenning van bonussen een meer subjectief systeem opgezet, waarin naast omzet, ook gekeken wordt naar inzet, samenwerking, gedrag, kennis, behaalde resultaten, en interne en externe communicatie. De team effort speelt hierbij een belangrijke rol. Een onafhankelijke commissie van drie personen beslist in het voorjaar steeds wie er in aanmerking komen voor een bonus. Nergens uit blijkt dat [gedaagde] het presteren van [eiser] aan die commissie heeft voorgelegd. [gedaagde] stelt dat zij aan [eiser] niet heeft verteld dat hij geen recht heeft op een bonus. 5.8. Dat [gedaagde] via dit meer subjectieve systeem bepaalt of een medewerker voor een bonus in aanmerking komt is door [eiser] niet betwist. Omdat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt wat de team effort in 2023 is geweest, gaat de kantonrechter ervan uit dat die goed is geweest omdat zij erkent dat voor het jaar 2023 bonussen zijn uitgekeerd aan het merendeel van de accountmanagers. Voor wat betreft het eigen gedrag van [eiser] voert [gedaagde] aan ontevreden te zijn over hem vanaf het moment dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had omdat zijn bezoeken achter bleven en hij te weinig offertes uitbracht. Hoewel [eiser] betwist niet goed gefunctioneerd te hebben omdat hij geen concurrerende prijzen kon geven, betwist hij niet de door [gedaagde] gestelde beperkte uitgevoerde werkzaamheden (op het gebied van bezoek aan klanten; binnenhalen van nieuwe klanten en uitbrengen van offertes) in de tweede helft van 2023. Daarom wordt als vaststaand aangenomen dat [gedaagde] terechte ontevredenheid had geuit over [eiser] . Over de eerste helft van 2023 was [gedaagde] echter wel tevreden over [eiser] omdat hij onder meer een grote klant had binnen gehaald. Gelet daarop is er naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding om [eiser] de helft van de maximale bonus over 2023 toe te kennen. Dat komt neer op een bedrag van € 5.611,91 bruto (€ 11.223,81/2). Dit bedrag zal worden toegewezen. Wettelijke verhoging 5.9. [eiser] vordert ook de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) van 50%. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding om tot matiging van de wettelijke verhoging over de bonus over te gaan. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon. Daarnaast is het standpunt van [gedaagde] dat zij geen bonus hoeft te betalen onjuist, maar wel verdedigbaar. Daarom wordt de wettelijke verhoging gematigd tot 10% van het bonusbedrag dat neerkomt op een bedrag van € 561,19 bruto. Wettelijke rente 5.10. De gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het toegewezen bonusbedrag en de wettelijke verhoging zal vanaf de dag van dagvaarden (10 juni 2025) worden toegewezen. Buitengerechtelijke kosten 5.11. [eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Uit de stukken blijkt dat die werkzaamheden enkel zien op loonsverhoging op grond van de CAO, maar die vordering is afgewezen. Op de bonus over 2023 heeft [eiser] in de buitengerechtelijke fase geen aanspraak gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen. Proceskosten 5.12. Omdat [eiser] terecht de procedure is begonnen voor de bonus, zal [gedaagde] in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Daarbij zal het griffierecht en salaris worden vastgesteld op basis van de toe te wijzen vordering. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 148,04 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.218,04 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.173,10 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf 10 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.218,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.4. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.