Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:1344
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1344 text/xml public 2026-03-13T07:20:10 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-29 C/02/444226 / FA RK 26-340 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1344 text/html public 2026-03-12T08:37:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1344 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2026 / C/02/444226 / FA RK 26-340 Verzoek tot beëindiging verplichte zorg is door de rechtbank afgewezen. Ten opzichte van de situatie ten tijde van het afgeven van de zorgmachtiging is er geen verandering opgetreden in de situatie van betrokkene. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444226 / FA RK 26-340 Datum uitspraak: 29 januari 2026 Beschikking beëindiging verplichte zorg (art. 8:19 Wvggz) op het door tussenkomst van de officier van justitie ingediende verzoek voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] , Polen, hierna te noemen betrokkene, zonder vaste woon- of verblijfplaats, met briefadres in [plaats] , advocaat mr. H.M.Th. de Pont uit Tilburg. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 21 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door haar advocaat en een tolk; [persoon 1] , casemanager FACT; [persoon 2] , verpleegkundig specialist FACT. 2 Wat vaststaat 2.1. Ten aanzien van betrokkene is op 23 september 2025 door deze rechtbank een zorgmachtiging afgegeven voor de in die beschikking genoemde vormen van verplichte zorg. Daarbij is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 23 september 2026. 2.2. De advocaat van betrokkene heeft op 27 november 2025 een aanvraag tot beëindiging van de zorgmachtiging ingediend bij de geneesheer-directeur. Op 4 december 2025 heeft de geneesheer-directeur hier schriftelijk afwijzend op beslist. 2.3. De advocaat van betrokkene heeft op grond van artikel 8:19 Wvggz op 9 december 2025 de officier van justitie verzocht om een verzoek voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging bij de rechtbank in te dienen. De officier van justitie heeft vervolgens op 21 januari 2026 de rechtbank verzocht een beslissing te nemen op de aanvraag van betrokkene tot beëindiging van de zorgmachtiging. 3 Het verzoek 3.1. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een beslissing te nemen op de aanvraag van betrokkene tot beëindiging van de verplichte zorg, zoals aan betrokkene is opgelegd in de zorgmachtiging van 23 september 2025. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene voelt zich gedupeerd door de wet. Zij is het niet eens met de zorgmachtiging die haar is opgelegd. In haar situatie is niet voldaan aan de criteria die gelden voor een zorgmachtiging. Betrokkene gebruikt geen alcohol of drugs, is niet agressief en vormt geen gevaar voor anderen. Volgens betrokkene is er ten opzichte van het moment dat de zorgmachtiging is afgegeven tot nu niets veranderd. Volgens haar heeft zij geen psychotische symptomen. Zij is het niet eens met de medewerkers van het FACT dat haar situatie is verbeterd, want deze is juist verslechterd. Haar depressie is juist verergerd. 4.2. De casemanager zegt dat het beter gaat met betrokkene. Zij is goed ingesteld op haar depotmedicatie en de effecten daarvan worden steeds beter zichtbaar. De casemanager zegt dat betrokkene de medewerkers van het FACT eerder beschuldigde van misbruik. Het misbruik gebeurde volgens betrokkene zelfs tijdens de vorige zitting waar de rechtbank bij was. Betrokkene uit deze beschuldigingen nu niet meer. Zij zegt nu dat het misbruik jaren geleden heeft plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat het toestandsbeeld van betrokkene verbetert. De casemanager zegt dat de bijwerkingen die betrokkene ervaart serieus worden genomen en dat er een gesprek gepland staat om te kijken naar een andere woning. 4.3. De verpleegkundig specialist zegt dat hij zich kan voorstellen dat de somberheid van betrokkene wat toegenomen is. Hij zegt dat als bepaalde psychotische symptomen worden teruggedrongen als eerste stap van de behandeling, kan blijken dat de depressie het onderliggend probleem is en dat betrokkene zich daardoor niet direct vrolijker voelt. De verpleegkundig specialist zegt dat een kortere duur van de zorgmachtiging volgens hem niet zoveel zin heeft, vanwege de voorbereidingen voor een eventuele verlenging die dan nu al bijna moeten starten en veel tijd kosten. 4.4. De advocaat voert vier punten aan die pleiten voor het beëindigen van de zorgmachtiging. Ten eerste is er volgens betrokkene geen sprake van een psychiatrische ziekte. Zij heeft wel last van depressiviteit. Betrokkene is ten tweede wilsbekwaam. Wanneer er nadelige gevolgen zitten aan het niet gebruiken van de medicatie, dan accepteert betrokkene dat risico. Betrokkene is van mening dat haar wilsbekwaamheid niet wordt beïnvloed door een psychiatrische ziekte. Ten derde is er volgens de advocaat geen ernstig nadeel. Betrokkene gebruikt geen alcohol of drugs, is een rustig persoon en vertoont geen agressie. Zij ziet juist voordelen van het niet gebruiken van medicatie. Door afname van gewicht vanwege het stoppen met de medicatie, zou betrokkene haar hobby als balletdanser weer op kunnen pakken. Ten vierde voert de advocaat aan dat wanneer de rechtbank de voortzetting van de zorgmachtiging noodzakelijk vindt, dat dit dan voor een kortere duur zou moeten zijn. 4.5. De officier van justitie heeft in zijn verzoek aangegeven geen aanleiding te zien om de zorgmachtiging te beëindigen, omdat niet blijkt dat de gezondheidstoestand van betrokkene zodanig is verbeterd dat het ernstig nadeel is weggenomen dan wel welke voorwaarden of beperkingen aan een beëindiging van verplichte zorg moeten worden gesteld om het ernstig nadeel weg te nemen. De officier van justitie vindt dat de geneesheer-directeur op goede gronden heeft besloten tot afwijzing van de aanvraag tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 8:19 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) kan degene op wiens aanvraag tot beëindiging van de zorgmachtiging afwijzend of niet tijdig is beslist door de geneesheer-directeur, een aanvraag indienen bij de officier van justitie voor het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank voor de beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging. 5.2. De rechtbank moet beoordelen of de verplichte zorg zoals benoemd in de beschikking van 23 september 2025, nog steeds noodzakelijk is. Ter beoordeling ligt voor of de gezondheidstoestand van betrokkene zodanig is verbeterd dat het ernstig nadeel is weggenomen, dan wel welke voorwaarden of beperkingen aan een beëindiging van de verplichte zorg moeten worden gesteld om het ernstig nadeel weg te nemen. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting dat de in de lopende machtiging genoemde doelen van de verplichte zorg nog niet zijn bereikt en dat er nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor de zorgmachtiging zoals genoemd in artikel 6:4 Wvggz jo artikel 3:3 Wvggz. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. 5.4. Ten opzichte van het moment dat de zorgmachtiging werd afgegeven, op 23 september 2025, en nu, zijn er in de situatie van betrokkene geen grote veranderingen opgetreden. Betrokkene geeft dit ook zelf aan. Volgens haar gaat het zelfs alleen maar slechter met haar. De medewerkers van het FACT-team geven aan dat het wel beter met betrokkene gaat, maar dat zij nog steeds psychotische belevingen heeft. Betrokkene is al langere tijd onder behandeling bij het FACT-team voor een psychotisch toestandsbeeld. Deze diagnose is door meerdere (onafhankelijke) artsen gesteld. De rechtbank ziet, anders dan betrokkene, geen reden om aan deze diagnose te twijfelen. 5.5. Het is voor de rechtbank ook duidelijk dat deze psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel.