Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:1305
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,552 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1305 text/xml public 2026-03-06T17:33:46 2026-02-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-28 C/02/436518 / JE RK 25-1077 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1305 text/html public 2026-03-06T17:32:52 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1305 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-01-2026 / C/02/436518 / JE RK 25-1077 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing is nodig om het terugplaatsingstraject van de minderjarige naar de moeder op een goede en verantwoorde manier verder vorm te geven. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/436518 / JE RK 25-1077 Datum uitspraak: 28 januari 2026 Nadere beschikking over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. De kinderrechter merkt vanaf heden en voor het vervolg van deze procedure als informanten aan: [de pleegmoeder] en [de pleegvader] , respectievelijk de pleegmoeder en de pleegvader van [minderjarige] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een voor de rechtbank bekend adres. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2025 en alle daarin genoemde stukken; de brief van 2 januari 2026 van de GI; het op 22 januari 2026 ontvangen bericht van de vader. 1.2. De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Van Reeven-Özer; de pleegouders; een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De vader is niet verschenen tijdens de zitting. In voormeld op 22 januari 2026 ontvangen bericht heeft de vader aangegeven dat hij verhinderd is voor de zitting. De kinderrechter stelt derhalve vast dat de oproeping voor de zitting de vader heeft bereikt en dat hij op de hoogte was van de zitting, maar dat hij ervoor heeft gekozen om niet te verschijnen. 1.4. [minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. De pleegmoeder heeft bij aanvang van de zitting aangegeven dat voormelde uitnodiging [minderjarige] niet heeft bereikt. De kinderrechter heeft de zitting desondanks voortgezet. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI en zij verblijft met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders. Bij voormelde beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 augustus 2026. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij [de pleegmoeder] ) verlengd tot 8 februari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden. 3 Het resterende deel van het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan 3.1. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij [de pleegmoeder] ) voor de duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 8 augustus 2026, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder is bekend met alcohol- en drugsgebruik. De moeder en [minderjarige] hebben ook een belaste jeugd gehad. Vanwege zorgen over het verblijf van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder, is [minderjarige] in de zomer van 2025 uit huis geplaatst bij de (voormalige) pleegouders van de moeder. Het gaat goed met [minderjarige] nu zij bij de pleegouders verblijft. Zij is inmiddels wat tot rust gekomen. Tegelijkertijd vindt zij het moeilijk om zich aan te passen. Tijdens de vorige zitting heeft de kinderrechter overwogen dat de (on)mogelijkheden moeten worden onderzocht voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en/of bij de vader. In de afgelopen periode is de moeder teruggevallen in middelengebruik, maar zij heeft zichzelf vervolgens herpakt en zij heeft een detoxtraject in Portugal succesvol doorlopen. In december 2025 is de moeder in Nederland teruggekeerd en sindsdien zijn de contacten tussen haar en [minderjarige] hersteld. De moeder doorloopt momenteel een nazorgtraject. De vader beschikt niet over een eigen woning. Hij woont bij zijn vader in huis (de opa vaderszijde) en hij staat op een wachtlijst voor behandeling bij [zorginstelling] . In tegenstelling tot de moeder heeft de vader in de afgelopen periode niet de slag gemaakt die nodig is om [minderjarige] bij hem te kunnen plaatsen. Gezien de positieve ontwikkelingen van de moeder, zal er in de komende periode worden ingezet op een volledige terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De vader lijkt zich hierin te berusten, althans hij heeft hiermee ingestemd. [minderjarige] zal stapsgewijs worden teruggeplaatst. Zij zal vanaf februari 2026 iedere maand een dag langer per week bij de moeder verblijven zodat zij vanaf augustus 2026 weer volledig bij haar moeder kan gaan wonen en waarbij er een goede contactregeling zal zijn tussen haar en de vader. Om dit traject op een goede en verantwoorde manier te kunnen doorlopen, handhaaft de GI het resterende deel van haar verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van zes maanden. 3.3. Naar de mening van de GI is het wel “1 voor 12”, oftewel het verblijf van [minderjarige] bij de moeder mag niet nogmaals mislopen; dit is schadelijk voor [minderjarige] . Het zal geen gemakkelijk traject worden, maar de GI heeft het vertrouwen dat de terugplaatsing van [minderjarige] succesvol zal verlopen. Ter ondersteuning daarvan wordt er jeugdhulp opgestart, het PMT-traject wordt voortgezet en pleegzorg is betrokken. Nu de hulpverlening staat en er een plan van aanpak is opgesteld, verwacht de GI niet dat het aanstaande vertrek van de huidige jeugdbeschermer van negatieve invloed zal zijn op voormeld traject. 4 De standpunten 4.1. Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder heeft gedurende een aantal weken een detoxtraject doorlopen in Portugal. Hoewel er sinds haar terugkomst in Nederland veel op de moeder afkomt, gaat het goed met haar. Zij gaat naar meetings toe en zij is al bijna 100 dagen nuchter. Dit is haar gelukt omdat zij het traject ditmaal niet alleen voor [minderjarige] heeft gedaan, maar ook voor zichzelf. De moeder heeft naar eigen zeggen geleerd dat zij er ook mag zijn. De moeder wil graag een goede moeder voor [minderjarige] zijn. Op dit moment hebben zij eenmaal per week contact met elkaar. De moeder stelt dat zij en [minderjarige] goed met elkaar kunnen praten over de trajecten die zij doorloopt, zoals het deelnemen aan de meetings of het nuchter blijven rondom de feestdagen. De moeder vindt het wel moeilijk dat zij de rest van de week alleen is. De moeder is blij en dankbaar dat [minderjarige] tijdelijk bij haar eigen (voormalige) pleegouders verblijft. De moeder is het ook eens met het plan van de GI om in de komende zes maanden stapsgewijs te werken aan de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder stemt daarom in met de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Nu de huidige jeugdbeschermer helaas zal stoppen, is tot slot namens de moeder het belang benadrukt van een warme overdracht vanuit de oude naar de nieuwe jeugdbeschermer en de hulpverlening.
Volledig
Nu de GI aangeeft dat het thuisplaatsingstraject wordt gezien als een laatste kans voor de moeder, mag het namelijk niet mislopen. 4.2. De pleegouders hebben, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het gaat goed met [minderjarige] bij de pleegouders. Door het bieden van regels en structuur, zien de pleegouders dat [minderjarige] groeit. De pleegouders stemmen in met de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] kan ook in de komende periode bij hen verblijven. De pleegouders zijn ook dankbaar richting de moeder. 5 De nadere beoordeling 5.1. Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.2. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.3. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege zorgen over haar opvoedsituatie bij de moeder. Er waren zorgen over het alcohol- en drugsgebruik van de moeder en de daarmee samenhangende onveiligheid en instabiliteit voor [minderjarige] . In de afgelopen periode heeft de moeder weliswaar een terugval gehad in middelengebruik, maar zij heeft vervolgens de knop kunnen omzetten en zij heeft succesvol een detoxtraject doorlopen in Portugal. In december 2025 is zij teruggekeerd naar Nederland en sindsdien hebben de moeder en [minderjarige] eenmaal per week fysiek contact met elkaar. In de afgelopen periode heeft de GI de (on)mogelijkheden voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de beide ouders onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft de GI vastgesteld dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder het meest tegemoetkomt aan wat [minderjarige] nodig heeft. De positieve ontwikkelingen in de (opvoed)situatie van de moeder zijn echter nog pril en kwetsbaar. Bovendien ziet de GI de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder als een “laatste kans”. Vanwege alles wat [minderjarige] al heeft meegemaakt, mag de terugplaatsing van [minderjarige] niet mislopen. Dit zou namelijk schadelijk zijn voor haar verdere ontwikkeling. De kinderrechter is het daarom eens met de GI dat het terugplaatsingstraject op een goede en verantwoorde manier moet worden ingezet. De kinderrechter kan het plan van de GI waarbij [minderjarige] in een periode van zes maanden stapsgewijs zal worden teruggeplaatst bij de moeder (met iedere maand een uitbreiding van een dag per week) en met het inzetten van passende hulpverlening dan ook goed volgen. 5.4. Gezien de huidige stand van zaken is het niet in het belang van [minderjarige] en zelfs onverantwoord om haar op dit moment volledig terug te plaatsen bij de moeder. Het is daarom van belang dat [minderjarige] haar verblijf bij de pleegouders in ieder geval in de komende periode kan voortzetten. Dit maakt, naar het oordeel van de kinderrechter, dat uithuisplaatsing nog steeds in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij [de pleegmoeder] ) verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 8 augustus 2026. 5.5. De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. 5.6. De kinderrechter geeft tot slot nog het volgende aan de moeder mee. Zij begrijpt dat de moeder het lastig vindt dat de huidige jeugdbeschermer stopt omdat de moeder met haar goed kan samenwerken. De kinderrechter heeft, met de jeugdbeschermer, echter het vertrouwen dat het de moeder zal lukken om de positieve ontwikkelingen door te zetten met hulp van de opvolgend jeugdbeschermer en dat het de moeder lukt om niet meer terug te vallen in middelengebruik. De hulpverlening staat, de lijnen zijn uitgezet en er is een plan van aanpak opgesteld. De moeder kan dan ook vertrouwen op de basis die er is gelegd. Als de moeder moeilijke momenten doormaakt of zij onverhoopt een terugval in middelengebruik krijgt, dan is het van belang dat zij op tijd aan de bel trekt bij de betrokken hulpverlening en dat zij open en eerlijk is over wat er aan de hand is. Het belang van [minderjarige] staat hierbij voorop. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (bij [de pleegmoeder] ) tot 8 augustus 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.