Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:1297
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,917 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1297 text/xml public 2026-03-06T14:00:18 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 BRE 25/384 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1297 text/html public 2026-03-04T12:19:12 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1297 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / BRE 25/384 8:54; 8:75a; De ingebrekestelling is op 6 januari 2025 door de heffingsambtenaar ontvangen. Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was namelijk gelet op de datum van de ontvangst van de ingebrekestelling nog niet voorbij toen belanghebbende beroep heeft ingediend. Nu het beroep te vroeg is ingesteld, kan niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar met de uitspraak op bezwaar geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen. Het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten wordt daarom afgewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/384 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant , de heffingsambtenaar. Inleiding 1. Belanghebbende heeft met dagtekening 14 februari 2024 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2023 van het object aan [adres] in [plaats] . 2. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 2 januari 2025, ontvangen door de heffingsambtenaar op 6 januari 2025, in gebreke gesteld. 3. De heffingsambtenaar heeft de ontvangst van de ingebrekestelling op 6 januari 2025 aan belanghebbende bevestigd en hierbij aangegeven dat zij geen bezwaarschrift heeft ontvangen en ook geen WOZ-beschikking 2024 op naam van belanghebbende is afgegeven. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld voor het bezwaarschrift en een bewijs van verzending te verstrekken. 4. Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 het bezwaarschrift en bewijs van verzending aan de heffingsambtenaar verstrekt. Belanghebbende heeft tevens op dezelfde dag beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. 5. De heffingsambtenaar heeft op 30 januari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aan belanghebbende is geen WOZ-beschikking 2024 opgelegd, zodat het ook niet mogelijk is om bezwaar te maken. 6. Belanghebbende heeft het beroep op 31 januari 2025 ingetrokken met het verzoek de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. Op 17 oktober 2025 heeft belanghebbende aanvullend verzocht om vergoeding van het griffierecht en een dwangsom. 7. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, vergoeding van het griffierecht en een dwangsom. De heffingsambtenaar heeft meteen na de ontvangst van de ingebrekestelling stukken bij gemachtigde opgevraagd. Deze stukken zijn op 20 januari 2025 ontvangen en vervolgens is, binnen veertien dagen, uitspraak op bezwaar gedaan. 8. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek van belanghebbende. Beoordeling door de rechtbank 9. Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de proceskosten, het griffierecht en een dwangsom. De rechtbank kan de verzoeken om vergoeding van het griffierecht en een dwangsom niet beoordelen, omdat de verzoeken zijn gedaan nadat het beroep is ingetrokken. De rechtbank is na intrekking van het beroep alleen bevoegd om een vergoeding van proceskosten vast te stellen. 10. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak dus uitsluitend of aanleiding bestaat voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten en of belanghebbende terecht beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld? 11. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen? 12. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen. De rechtbank zal in dat kader beoordelen of belanghebbende terecht een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld. 13. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Voor het moment waarop de ingebrekestelling geschiedt, geldt de ontvangsttheorie. Dat betekent dat de datum van ontvangst, en dus niet de datum van verzending, van de ingebrekestelling door het bestuursorgaan bepalend is. 14. De ingebrekestelling is op 6 januari 2025 door de heffingsambtenaar ontvangen. Belanghebbende heeft op 20 januari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende is te vroeg in beroep gegaan. De termijn van twee weken die in de ingebrekestelling staat, was namelijk gelet op de datum van de ontvangst van de ingebrekestelling nog niet voorbij toen belanghebbende beroep heeft ingediend. 14. Nu het beroep te vroeg is ingesteld, kan niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar met de uitspraak op bezwaar geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten wordt daarom afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af; verklaart zich onbevoegd om de overige verzoeken te beoordelen. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:75a, van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Kamerstukken I 2006/07, 29934, D, p. 4 en artikel 4:17, derde lid, Awb. Vgl. CRvB 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1422.