Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:1194
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,897 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1194 text/xml public 2026-03-19T14:21:57 2026-02-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-28 C/02/443639 JE RK 26-8 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1194 text/html public 2026-03-19T14:21:14 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1194 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-01-2026 / C/02/443639 JE RK 26-8 1e ots en muhp met beperking duur, omdat de vader bijgestaan wil worden door advocaat en raad onderzoek moet doen naar het gezag RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/443639 / JE RK 26-8 ( [minderjarige 1] ) Zaaknummer: C/02/444379 / JE RK 26-139 ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) Datum uitspraak: 28 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg , hierna te noemen de Raad, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ( Eritrea ), hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] ( Eritrea ) op [geboortedag 2] 2009, hierna te noemen [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] ( Eritrea ) op [geboortedag 3] 2012, hierna te noemen [minderjarige 3] . De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een onbekend adres in Engeland , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , [de (stief)moeder] , hierna te noemen de (stief)moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg. De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als belanghebbenden aan: [de vader] , voornoemd, [de (stief)moeder] , voornoemd. De kinderrechter merkt in beide procedures als informant aan: de gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedures 1.1. De kinderrechter neemt in zaaknr. C/02/443639 / JE RK 26-8 de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026; het proces-verbaal van de zitting van 15 januari 2026. 1.2. De kinderrechter neemt in zaaknr. C/02/444379 / JE RK 26-139 de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026. 1.3. Het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] is nader behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren op 28 januari 2026, gelijktijdig met het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Daarbij waren aanwezig: de vader; de (stief)moeder, bijgestaan door mr. Wouters; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI. Beide ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinja . Opgeroepen en niet verschenen is de moeder. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hierover afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. Vooralsnog is niet duidelijk hoe het gezag over [minderjarige 1] is geregeld. Voor nu gaat de kinderrechter ervan uit dat de ouders samen zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] . 2.2. De vader en de (stief)moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 2.3. [minderjarige 1] woont bij zijn vader, maar verblijft op dit moment in de [crisisopvang] te [plaats] . 2.4. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de (stief)moeder. [minderjarige 3] verblijft op dit moment bij [accommodatie] . 3 De verzoeken C/02/443639 / JE RK 26-8 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel (mogelijk opvolgend) in een netwerkpleeggezin te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. C/02/444379 / JE RK 26-139 3.2. De Raad verzoekt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad vindt het lastig te bepalen hoe het gezag ten aanzien van [minderjarige 1] is geregeld. De moeder is langdurig niet betrokken bij [minderjarige 1] , waardoor geconcludeerd zou kunnen worden dat zij geschorst is in de uitoefening van haar gezag. Daarnaast zijn de ouders niet gehuwd geweest en het dan ook de vraag of de vader op enig moment het gezag over [minderjarige 1] heeft verkregen. Navraag bij de IND heeft geen helderheid hierover gegeven. De Raad is bereid nader te onderzoeken hoe het gezag over [minderjarige 1] is geregeld en of er sprake is van een gezagsvacuüm en een voogdijmaatregel noodzakelijk is. Volgens de Raad is de vader in ieder geval belanghebbende in de onderhavige procedure gezien zijn langdurige betrokkenheid in de opvoeding van zijn kinderen. Ten aanzien van de ondertoezichtstelling stelt de Raad dat deze maatregel noodzakelijk is. Er is lang geprobeerd om de situatie te verbeteren vanuit een vrijwillig kader. Dit is niet gelukt en te complex gebleken. De maatregelen zijn dus nodig, ook ten aanzien van de uithuisplaatsing nu zowel de ouders als de kinderen niet volledig achter huidige verblijf staan. Er moet in de komende periode veel gebeuren. De kinderen hebben veel onveiligheid ervaren in hun opvoedsituatie. Zij zijn emotioneel belast en het is belangrijk dat er rust en stabiliteit komt. De kinderen hebben in de afgelopen periode te weinig steun kunnen ervaren van hun opvoeders. Dit heeft hun basisvertrouwen enorm geschaad. In de komende tijd moet bezien worden wat nodig is om [minderjarige 1] en [minderjarige 3] terug thuis te plaatsen. Er zal goed gekeken moeten worden waar de oorsprong ligt van de problemen die de kinderen laten zien en of dit reactief is op de opvoedomgeving. Voor een terugkeer naar huis is het belangrijk dat de thuissituatie stabiel is. [minderjarige 1] zit niet op zijn plek bij [crisisopvang] en loopt geregeld weg. Bezien moet worden wat de beste plek voor hem is. 4.2. De vader benoemt dat hij een liefhebbende vader is, maar ook dat hij een strenge opvoeding hanteert met duidelijke regels en gevolgen als je je hier niet aan houdt. De vader weet dat in Nederland een mildere aanpak gebruikelijk is dan in het land waar hij vandaan komt. De vader houdt hier rekening mee. [minderjarige 1] woont al sinds hij vijf maanden is bij de vader. De moeder is sindsdien niet meer bij hem betrokken. Zij is een nieuw leven begonnen in Engeland . De vader benoemt dat (stief)ouders inmiddels tot het besef zijn gekomen dat zij zaken niet goed hebben aangepakt en dat zij de kinderen niet de aandacht hebben gegeven die zij nodig hebben. Het grootste probleem tussen ouders is dat de vader niet graag met anderen praat over zijn problemen en de (stief)moeder wel. Het kan zo zijn dat de kinderen hiervan last van hebben gehad en dat dit heeft geleid tot de problemen waar de kinderen nu tegen aanlopen. Hij is bereid om samen met de (stief)moeder hieraan te werken. De vader kan zich er niet in vinden als [minderjarige 1] bij de (stief)moeder gaat wonen, het liefst wil hij alle drie de kinderen bij hem thuis. Tenslotte benoemt de vader dat hij tijdens de zitting veel informatie heeft gekregen over de kinderen. De vader heeft behoefte om hier verder op te reageren en wenst hiervoor de bijstand van een advocaat. Eerder is mr.
Volledig
De Vleesschauwer bij hem betrokken geweest. De vader zal hem benaderen om hem bij te staan tijdens een nadere zitting. 4.3. De (stief)moeder begrijpt dat er veel zorgen zijn uit het verleden en over de relatie van ouders. Dit is ook de reden waarom de (stief)moeder met de kinderen is gevlucht naar de Veilige Opvang . De (stief)moeder hoopt dat [minderjarige 3] en [minderjarige 1] weer bij haar kunnen komen wonen, eventueel met de inzet van hulpverlening in de thuissituatie. Zij is bereid mee te werken aan hulpverlening indien dit noodzakelijk wordt geacht en vindt het daarbij belangrijk dat de kinderen hun goede band met de vader behouden. Uit de stukken volgt volgens mr. Wouters voldoende dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. De (stief)moeder heeft altijd haar medewerking verleend aan de vrijwillige hulpverlening. Een gedwongen maatregel is dan ook volgens haar niet nodig. Zij verzoekt dan ook primair de verzoeken van de Raad af te wijzen. Mocht de kinderrechter besluiten het verzoek tot ondertoezichtstelling toe te wijzen, dan vraagt de (stief)moeder de uithuisplaatsing van [minderjarige 3] af te wijzen, zodat hij naar huis kan komen, en om goed te kijken welke hulpverlening wel of niet nodig is. Er is namelijk al veel hulpverlening betrokken bij het gezin en door de Raad wordt nu nog meer hulpverlening geadviseerd. Voorkomen moet worden dat de ouders overvraagd worden. De (stief)moeder vraagt ook de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] af te wijzen, nu [crisisopvang] geen goede plek voor hem is. [minderjarige 1] kan bij haar wonen. Zij beseft dat daar dan wel een machtiging voor nodig is, omdat hij dan niet verblijft bij één van zijn (gezaghebbende) ouders. Mocht de kinderrechter de machtiging zoals die is verzocht wel noodzakelijk achten, dan verzoekt zij dit te doen voor een kortere periode. Tot slot wijst mr. Wouters de kinderrechter op een recente uitspraak van deze rechtbank waarin duidelijk uitgelegd is hoe het gezag naar Eritrees recht is geregeld . Volgens de (stief)moeder heeft de moeder in Engeland haar gezag overgedragen naar de vader om zodoende te kunnen bewerkstelligen dat [minderjarige 1] kon uitreizen naar Nederland. 4.4. De GI stelt dat zij de uitvoering van de ondertoezichtstelling per direct kan aanvangen. Er heeft inmiddels een intake plaatsgevonden en naar aanleiding hiervan is de GI voornemens om bij de vader IPT in te zetten. Daarnaast wil de GI bekijken of er voor [minderjarige 1] hulpverlening kan worden ingezet gericht op traumaverwerking en of er sprake kan zijn van een terugkeer bij de vader of de stiefmoeder. Omdat [minderjarige 1] niet op zijn plek zit bij [crisisopvang] , zal de GI ter overbrugging een passende woonvoorziening voor hem zoeken. Dit zal lastig worden, dus de GI zou het fijn vinden als de kinderrechter in zijn beschikking overweegt dat hij het in het belang van [minderjarige 1] acht als hij daar nog vier weken zou kunnen blijven. Voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] zal de GI een afstemmingsoverleg plannen met [accommodatie] voor het hervatten van de contacten met ouders en het inzetten van hulpverlening dat gericht is op het herstel van de ouder-kindrelatie. Ook is het belangrijk dat er zicht komt op de opvoedvaardigheden en de draagkracht van beide ouders en de mogelijkheden van een thuisplaatsing. 4.5. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter verteld dat hij het liefste thuis bij zijn vader wil wonen dan wel bij zijn stiefmoeder. [minderjarige 1] erkent dat er in het verleden dingen niet goed zijn gegaan, maar hij wil dit graag achter zich laten. [minderjarige 1] beseft dat hij fouten heeft gemaakt. Hij wil het graag beter doen. [minderjarige 3] heeft de kinderrechter verteld dat hij geleerd heeft van het incident met de auto. Hij zal dit niet meer doen. [minderjarige 3] wil graag werken, gaan onderhandelen en het liefst weer in gezinsverband wonen met zijn vader, moeder en broer en zus. [minderjarige 2] wil ook weer volledig contact met beide ouders. Ze vindt wel dat ouders ervoor moeten zorgen dat het beter gaat tussen hen. Ze vindt het moeilijk om met beide ouders contact te hebben en probeert buiten de problemen te blijven. [minderjarige 2] maakt zich daarnaast zorgen over haar broers. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , de vader en de (stief)moeder de Eritrese nationaliteit heeft en de moeder de Britse. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen. 5.2. Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige 1] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. 5.3. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast. 5.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.5. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.6. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.7. De kinderrechter concludeert dat er veel is gebeurd binnen het gezin. Zo is het gezin eerder gevlucht vanuit Eritrea naar Nederland. Daarnaast hebben er in de afgelopen jaren verschillende fysieke en verbale geweldsincidenten plaatsgevonden tussen de vader en de (stief)moeder, maar ook vanuit de vader richting de kinderen. Lange tijd is getracht om vanuit een vrijwillig kader tot een oplossing te komen en de situatie te verbeteren. Dit is niet gelukt, met als gevolg dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. Zij ondervinden veel last van de huidige situatie. De (stief)moeder verblijft met [minderjarige 2] in de Veilige Opvang . [minderjarige 1] verblijft op een crisisplek van [crisisopvang] en [minderjarige 3] verblijft bij [accommodatie] . Beiden laten hier de nodige gedragsproblemen zien. De kinderrechter is van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is, zodat een onafhankelijke jeugdbeschermer vanuit een gedwongen kader de ouders kan gaan sturen en begeleiden om te zorgen dat zij weer de verbinding met elkaar gaan vinden en de situatie van de kinderen verbetert. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Voor nu dient het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] met een machtiging geborgd te worden, zodat in de komende periode onderzocht kan worden welke plek het meest in hun belang is.
Volledig
De kinderrechter zal ten aanzien van [minderjarige 1] een machtiging verlenen, die de eerste vier weken zal gelden voor [crisisopvang] of zodra het kan voor een gezinsgerichte opvang of pleeggezin. Ten aanzien van [minderjarige 3] wordt alleen een machtiging verleend voor zijn verblijf bij [accommodatie] . Onderzocht moet worden of [minderjarige 1] en [minderjarige 3] thuis kunnen wonen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de mening van beide kinderen hierin ook meegewogen wordt. 5.8. Omdat de vader heeft aangegeven bijgestaan te willen worden door een advocaat, zal de kinderrechter de maatregelen verlenen voor een beperkte duur, te weten drie maanden. Het resterende deel van de verzoeken zal worden aangehouden tot de nadere zitting op [datum] 2026. Zoals met de vader afgesproken zal de vader mr. De Vleesschauwer benaderen voor deze zitting, maar zal ook de kinderrechter ervoor zorgdragen dat de advocaat aan vader wordt toegevoegd en dat hij wordt uitgenodigd voor de volgende zitting. Ten behoeve van deze zitting verzoekt de kinderrechter de Raad om nader onderzoek te doen naar het gezag ten aanzien van [minderjarige 1] . Het is door het ontbreken van bewijsstukken voor de kinderrechter thans niet mogelijk om vast te stellen hoe het gezag over hem is geregeld. De ouders zijn nooit gehuwd geweest, aldus de vader en vooralsnog lijkt het erop dat het gezag van de moeder van rechtswege is geschorst, nu zij langdurig geen betrokkenheid heeft bij [minderjarige 1] . De kinderrechter verzoekt de Raad dit te onderzoeken en om naar bevind van zaken te handelen indien er sprake lijkt te zijn van een gezagsvacuüm. De Raad wordt verzocht om uiterlijk een week voorafgaand aan de nadere zitting de kinderrechter hierover te informeren en om daarbij aan te geven of de Raad het treffen van een voogdijmaatregel noodzakelijk acht. Een hiertoe strekkend verzoek zal dan gelijktijdig worden mee behandeld. Tot slot benoemt de kinderrechter dat zoals toegezegd de aanwezige tolk ook voor de volgende zitting uitgenodigd zal worden. Hij acht het daarbij niet nodig dat de kinderen opnieuw worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. 5.9. De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen in het raadsrapport, met de aanpassing dat gekeken wordt naar welke vormen van hulpverlening echt nodig is, en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden: Ten aanzien van [minderjarige 1] : Korte termijn doelen: [minderjarige 1] weet waar hij kan en mag verblijven qua wonen, waardoor hij rust, stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart; [minderjarige 1] kan zijn emoties en gedachten reguleren en/of hierover spreken met een vertrouwenspersoon; [minderjarige 1] krijgt passend onderwijs; [minderjarige 1] weet welke contacten met anderen passend zijn; Er is zicht op de opvoedvaardigheden en draagkracht van vader met betrekking tot [minderjarige 1] , zodat duidelijk wordt welke rol hij kan en wil spelen in het leven van [minderjarige 1] en in hoeverre een terugkeer naar huis mogelijk is; [minderjarige 1] heeft een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met zijn beide ouders (in hoeverre dit mogelijk is met betrekking tot moeder), maar ook met zijn stiefmoeder, halfbroertje en –zus en andere belangrijke personen. Lange termijn doelen: Er is zicht op de situatie van moeder en de rol die zij kan/wil spelen in het leven van [minderjarige 1] ; [minderjarige 1] krijgt hulpverlening passend bij wat hij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen tot een evenwichtige jongvolwassene. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] : - [minderjarige 3] weet waar hij kan en mag verblijven qua wonen, waardoor hij rust, stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart; [minderjarige 3] krijgt passend onderwijs/dagbesteding; [minderjarige 3] weet welke contacten met anderen passend zijn; [minderjarige 3] en [minderjarige 2] kunnen hun emoties en gedachten reguleren en/of hierover spreken met een vertrouwenspersoon; - [minderjarige 2] krijgt hulpverlening passend bij wat zij nodig heeft om zich verder te kunnen ontwikkelen tot een evenwichtige jongvolwassene. - Er is zicht op de opvoedvaardigheden en draagkracht van moeder, zodat duidelijk wordt welke rol zij kan en wil spelen in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en in hoeverre een terugkeer van [minderjarige 3] naar huis mogelijk is; - Er is zicht op de opvoedvaardigheden en draagkracht van vader, de rol die hij kan/wil spelen in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en in hoeverre een terugkeer van [minderjarige 3] naar huis mogelijk is; Er is zicht op de familiebanden en –relaties in het gezin van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ; [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een positief, voorspelbaar, veilig en onbelast contact met hun beide ouders, maar ook met hun halfbroer en andere belangrijke personen. 5.10. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.11. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: C/02/443639 / JE RK 26-8 6.1. stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en in aansluiting hierop in een gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026; C/02/444379 / JE RK 26-139 6.3. stelt [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026; 6.4. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026; ten aanzien van beide procedures: 6.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.6. houdt de behandeling van het resterende deel van beide verzoeken aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur] , ten overstaan van mr. Duinhof voor de duur van 90 minuten; 6.7. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad, de moeder, de vader met mr. De Vleesschauwer, de (stief)moeder met mr. Wouters en de GI; 6.8. behoudt zich verder iedere beslissing voor. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9660 Artikel 2 Besluit gezagsregisters.